← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

Veertien dagen te Berlijn.

Reading edition

Bij de uitgevers W. L. en J. Brusse verschijnen in den laatsten tijd kleine reisgidsjes van vijftig centen, die den toerist aardig op weg kunnen helpen en in hun prettig, klein formaat en den opgewekten stijl, waarin ze zijn geschreven, tot koopen en lezen uitlokken.

No. 1 van de serie is van de hand van den heer G. van Lissa, die de fictie heeft te hulp geroepen van een oom en tante, die met zoon en dochter een paar weken te Berlijn willen doorbrengen en van zijn bekendheid met de hoofdstad van het Duitsche rijk gebruik maken, om hun neef als goeden en aangenamen gids uit te noodigen, hen te vergezellen. De manier van vertellen is door die voorstelling ongedwongen en los en blijft dat ook, al glimlacht men soms even, zooals toen al op een der eerste avonden tante en nichtje wel dadelijk naar de Friedrichsen Leipzigerstrasse wilden gaan naar het drukke avondgewoel, maar oom en neef thuis wilden blijven in het hotel.

Ulmen-allee in Westend bij rijp.
Ulmen-allee in Westend bij rijp.

Ulmen-allee in Westend bij rijp.

»Ik zou dan nog wat kunnen vertellen van de geschiedenis van Berlijn, eigenaardigheden der Berlijners, kortom zoo’n beetje college geven in de noodige voorbereidingswetenschap. Aldus werd besloten en na het avondeten tegen negen uur begon ik mijn kennis te luchten. Berlijn, met de voorsteden bijna drie millioen zielen tellende, zonder de voorsteden rond twee millioen, ligt in het dal van de Spree, noordelijk en zuidelijk begrensd door kleine heuvels. De Spree, die zich in het midden van de stad in twee armen splitst, stroomt van het zuidoosten naar het noordwesten. Door de uitstekende bevaarbaarheid.... enz., enz.”

Dit nu lijkt niet de rechte manier voor een gidsje, dat nog iets anders wil zijn dan een Baedeker, maar deze manier komt ook maar sporadisch in het boekje voor, dat alleraardigst vertelt van Unter den Linden en van het Waarenhaus van Wertheim, ook van wat de Berlijners spottend en typisch noemen “Fress-Wertheim”, de grootste eetinrichting van Berlijn en waarschijnlijk van de wereld, “Rheingold”, met zijn negen of tien zalen, waar voor 4000 menschen plaats moet wezen.

Dönhoff-platz.
Dönhoff-platz.

Dönhoff-platz.

Van de musea vallen alleen die voor kunst onder de aandacht van den geleider; de verzamelingen op historisch, ethnologisch, oudheidkundig en natuurwetenschappelijk gebied zullen denkelijk oom en tante niet interesseeren, maar neef en nicht, die toch mogelijk een burgerschoolopleiding hebben gehad of genoeg kinderen van hun tijd zijn, om het napraten over kunst verouderd te noemen en er liefhebberijen op na te houden, die hun kijkjes gunnen in hoekjes van geschiedenis of natuurwetenschap, hadden het misschien wel wat anders gewenscht.

Gezellig vertelt de auteur over het uitgaande leven der Berlijners, hoe het altijd zoo laat wordt ook voor den eerzamen burger, die er met vrouw en dochters op uit trekt, maar hoe de goede trein-, tram- en omnibusverbindingen voor een gemakkelijke thuisreis zorgen tot in het holle van den nacht.

»Gaat de Berlijner naar opera, komedie, café-chantant, dan brengt de indeeling van zijn maaltijden mee, dat hij na afloop in een restaurant het avondeten neemt, zoo tegen elf uur dus. Daarvan kan een vreemdeling zich overtuigen, die om dien tijd een bezoek brengt aan de bekende wijnrestaurants Traube, Kempinsky, Kaiser-Keller, of in Rheingold, het allernieuwste, een inrichting, overdonderend door licht en grootte. En waar het nu eenmaal gezellig is, prettig druk, het eten en de wijn goed zijn, het strijkje, dat bij Rheingold uit veertig personen bestaat, maar even opgewekte wijzen speelt, de laatste tram nog lang niet gaat.... daar is het in een ommezien twee uur. En wordt het voor een enkelen keer nog later.... de portier wenkt den koetsier of den chauffeur op den hoek, en men komt toch gemakkelijk thuis. Zoo is het in de familierestauraties, waar een dochter haar moeder kan binnenleiden.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings