← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

De kleeding der Maori.

Reading edition

Geruimen tijd geleden werd mij een groot aantal fotographische portretten in visite-formaat van Maori van Nieuw-Zeeland getoond; tien van de mooiste—in den zin van belangrijkste en tevens voor reproductie het best geschikt—heb ik eruit gezocht en welwillend stond de eigenares mij toe deze in De Aarde te doen afdrukken.

Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.
Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.

Maori van Nieuw-Zeeland, mannen.

Het zijn mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd, in uiteenloopende kleeding. De heer H. W. Fischer, conservator aan ’s Rijks Ethnographisch Museum te Leiden, maakte mij opmerkzaam op een deugdelijke beschrijving der oorspronkelijke Maori-kleeding in E. Fregear, Maori-race (1904). Zij luidt aldus:

»Over den gordel wordt een voorschoot (Rapaki) of heupmat gedragen. Deze bestaat gewoonlijk uit eene verzameling vlasreepen aan een gordel van hetzelfde materiaal opgehangen. De groene reepen werden afgeschrapt maar op afstanden van een duim onaangeroerd gelaten; zij werden ook aan de randen afgeschrapt, zoodat zij er na droging als riet uitzagen; die losse reepen hingen af tot op de knie en ruischten harmonisch als de drager zich bewoog. Deze soort matten verborg de ledematen voldoende en gaf volledige vrijheid van beweging. Een heupmat was van gelijke lengte, maar opgemaakt vlas, dat niet ruischte.

Het voornaamste kleedingstuk voor beide seksen onder de Maori was een mantel, om de schouders gehangen; somtijds waren deze zeer groot, tot tien voet lang bij eene breedte van zeven; deze mantels waren verdeeld in twee soorten: de fijne, geweven die eigenlijke »kleeding« (kakahu) genoemd werden en de grove inferieure (mai), die niet als »kleeding« werden beschouwd. De fijnere soorten hadden elk een eigen naam.

De Korowai was een fijne mantel, door vrouwen en meisjes gedragen en uit geklopt vlas bestaande; de witte grond was dik bedekt met rijen gedraaide zwarte nestels van vlas; die nestels waren op verschillende wijzen gegroepeerd, waardoor het kleed verschillende namen kreeg.

De Korirangi was een groote mat met zwart en gele draden bedekt, de laatste vervaardigd van gekruld en geschrapt vlas, zoodanig bewerkt dat de tallooze harde buisjes vroolijk ratelden.

De Kaitaka was een fraaie witte mantel zonder nestels maar met breede, in zwart, wit en bruin geweven randen, aan onder-, soms ook aan bovenrand en een smalleren aan de kanten. Alleen hoofden van eenigen rang waren gewoon deze soort te dragen.

Vedermantels (Kakahu-kura of huruhuru) werden van vlas op dezelfde wijze geweven, maar tijdens het weven werden vederen in de inslagdraden bevestigd. Een van de meest fraaie werd gemaakt met de roode vederen die onder de vleugels van sommige papagaaien gevonden worden, andere met halsveeren van den woudduif, vaak met een smallen rand in rood en wit. Op hoogen prijs stelden de Maori ook een mantel waarin de op haar gelijke vederen van de Kiwi (Apteryx) waren gewerkt; deze soort vederen waren de eenige waarvan de punten naar boven werden gericht, zoodat de mantel op bont geleek.

De duurste mantels van alle waren die met bekleeding van hondenvellen, in ’t bijzonder die waarbij de staarten van witte honden zoo aaneengesloten waren aangebracht, dat de geweven grond geheel onzichtbaar was. Hierin waren dan nog verschillende variaties met eigen namen. Voor oorlogsgebruik maakte men mantels geheel van hondenvellen zonder een onderlaag van vlasweefsel. Zeer zeldzaam zijn mantels van zeehondenvel.

De mindere soorten mantels, eigenlijk »cape’s« werden bij warm of slecht weer om de schouders gebonden, waren slechts drie bij vier voet groot en bestonden uit losgeweven ruw vlas, waarin afhangende reepen waren tusschengestoken op de wijze van de haren van een borstel, terwijl de losse einden over elkaar hingen. Van deze soort bestonden ook weder talrijke variaties; een er van werd ook in oorlogstijd gedragen, nadat de vezels door verzadiging met water opgezwollen waren, waardoor zij min of meer tegen een lansstoot of pijlschot beschermden; men droeg dan meerdere mantels boven elkaar. Tegen speerworpen beveiligde men zich ook wel door een zes duim breeden gevlochten band van vlas, die door zijne groote lengte—tot 10 vadem—meermalen om het lichaam gewonden kon worden.

In vroegere tijden schijnt men ook in Nieuw Zeeland papierboomen (Broussonnetia) te hebben gekend, doch alleen in de overlevering wordt gewag gemaakt van het gebruik van geklopte boomschors voor kleeding.

Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.
Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.

Maori van Nieuw-Zeeland, vrouwen.

Voor het aan elkaar naaien der kleedingstukken diende een penneschacht of een geslepen stuk been van een gevallen vijand als naald, en de mantels werden met een naald van beren of van walvischtand of van been of groenen steen op den rechter schouder bevestigd.”

Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.
Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.

Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.

In de groote verzameling voorwerpen, die de heer G. Verschuur een paar jaren geleden aan het Rotterdamsche Museum voor land- en volkenkunde vermaakte, bevinden zich twee Maori-mantels, waarvan de afbeeldingen (op een tiende der ware grootte) aan deze regels zijn toegevoegd. Verschuur bracht de mantels mede van Nieuw Zeeland en schrijft over de Maori in zijn aardig boek Aux Antipodes (Parijs, 1891) op bladz. 214v.

Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.
Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.

Mantel der Maori van Nieuw-Zeeland.

Het zal den lezer niet ontgaan zijn, dat Fregear in het hierboven gedrukte citaat den verleden tijd gebruikt. De meeste Maori, zegt de schrijver der “Brieven uit Nieuw Zeeland” in de Nieuwe Courant, met uitzondering van de bewoners van King’s Country, hebben de Europeesche kleeding overgenomen. Toen wij in Wellington landden en den volgenden dag op verkenning uitgingen, zag ik verscheidene Maori, oude en jonge, maar allen in Europeesche kleederdracht.

In den vijfden brief, opgenomen in de courant van 23 Mei, geeft de schrijver de indrukken die hij te midden van Maori opdeed als volgt terug:

“De hedendaagsche Maori is—voor het oog tenminste—min of meer en soms geheel en al beschaafd. Varkensvleesch, waarvan het gebruik werd ingevoerd door de eerste blanken, heeft de plaats van menschenvleesch ingenomen. Openlijk hoort men nooit meer van hun vreeselijke feestmalen, maar op het Noordelijke Eiland, een gedeelte van het oude mooie land, King’s Country (Koningsland) genaamd, mogen blanken zich niet vestigen en niemand kan precies zeggen wat daar gebeurt.

De Maori zijn meestal forsch gebouwd en niet heel lang. Hun huid is donker-olijfkleurig. Zij hebben, mijns inziens, niets van het antipathieke der negers, en hoewel sommigen, vooral de oudere vrouwen, bepaald leelijk zijn, heb ik onder hen aantrekkelijke gezichten opgemerkt, met intelligente klassieke, haast Grieksche lijnen, prachtige donkere oogen en meestal fijne edele gelaatstrekken. Hun huizen zijn goed en naar een vast model gebouwd. Zij zijn laag en lang, met buitengewoon breede daken. Het huis, of liever het “frame work” (latwerk) is van torara (inlandsch hout), van binnen en van buiten behangen met droog riet. Aan den zonkant is een soort veranda, waarin de eenige deur en het raam, beide laag en smal, uitkomen. De vloer is gewoonlijk uit den grond gehold; schoorsteenen zijn onbekend. De rieten behangsels zijn met gekleurde teekeningen aan den binnenkant versierd en aan den buitenkant met vederen overdekt. Het houtsnijwerk van deur en veranda is hoogst merkwaardig en geeft blijk van een waar kunstenaarsoog en -hand. Toen ik in Wellington het Maori-museum bezocht en niet alleen het houtsnijwerk der hutten, maar ook de kunstige kano’s zag, was ik een en al bewondering en verbazing, want nergens heb ik zulk kunstwerk aanschouwd.«

Ten slotte nog de volgende regels uit bovengenoemden brief:

»In de nabijheid der steden zijn de Maori beschaafd en hun kinderen bezoeken de scholen, hoewel zij zich geheel van de Engelschen afscheiden en een volbloed Maori nooit voor een blanke werken zal. De Maori—hier kom ik aan een moeilijk punt—hebben hun land voor het grootste gedeelte aan de Engelschen afgestaan. Oogenschijnlijk bestaat er volkomen vrede tusschen inboorlingen en vreemdelingen, maar een zendeling, die al jarenlang onder de Maori werkzaam was, vertelde mij dat, wanneer de gebeden uit het »Commonbook of Prayer” der Engelsche Kerk opgezegd worden, de Maori met de grootste aandacht en ernst de woorden aanhooren en nazeggen—maar als de onervaren zendeling het gebed voor het behoud van den koning van Engeland uitspreekt, verlaten alle aanwezigen de kerk, of verhinderen hem voort te gaan. Zij erkennen maar één koning: hun eigen Maori-koning.

Sommige Maori nemen een groot aandeel in de politiek van het land, en een der grootste redenaars in het parlement van Nieuw-Zeeland is een Maori. Dokters, advocaten, schoolmeesters en vooral zendelingen hebben de Maori opgeleverd. Hun intellectueele gaven zijn volstrekt niet gering. De zendelingen zijn haast overal doorgedrongen en geheele dorpen zijn tot het christendom bekeerd. Toch is nog een groot gedeelte van de Maori-bevolking heidensch en barbaarsch. Ik heb King’s Country op het Noordelijk Eiland reeds genoemd, en niet alleen dáár, maar in menig eenzaam fjord of ingesloten vallei, vindt men nog ware Maori-Pa’s (dorpen) waar vuile, half-wilde menschen in matten gehuld, op den grond zitten, de pijp steeds in den mond, en..... ja, wie zal hun gedachten kennen?«

Het is te hopen, dat men deze Maori-Pa’s voorloopig late zooals ze zijn. Zoolang de beschaving aan deze barbaren niets beters kan brengen dan zij gewoonlijk aan zulke menschen geeft, moet zij zich maar achterbaks houden.

Joh. F. Snelleman.

Oostvoorne, 8–VI–’09.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings