← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

Het genot van den Javaan.

Reading edition

Ieder volk heeft zijn eigenaardige liefhebberijen, waarin het zijn genoegen zoekt; men zou zelfs van een onbekend volk den aard kunnen vaststellen naar de wijze, waarop het zich in zijn geheel of individueel vermaakt. De bewegelijke westerling vliegt met zijn rijwiel zelfs over onbegaanbare wegen, beklimt dikwijls voor de eer en een enkele maal voor zijn genoegen de toppen der hoogste bergen; met deze hoogten niet tevreden, stijgt hij met een luchtballon de lucht in en laat er zich op voorstaan, de grens bereikt te hebben, waar alle dierlijk leven ophoudt; ’t is hem een genot in de snelste spoortreinen te zitten; de vlugste stoombooten brengen hem niet spoedig genoeg om de aarde, vroeger onmetelijk groot, nu voor den waren globetrotter gereduceerd tot een gemakkelijk te overzienen bol.

Vergelijk daarbij den kalmen oosterling, laat mij liever zeggen den Javaan; hij moet wel met den stroom mee, maar stribbelt er toch zoo lang mogelijk tegen; het liefst vermijdt hij alles, waaraan gevaar verbonden is; een voetreis vindt hij het zekerste middel, om zich te verplaatsen, vermoeienis kent hij niet, evenmin de waarde van den tijd; wil hij zijn doel vlug bereiken, wel dan gaat hij boven op zijn paardje zitten, en het beestje brengt hem in twee derde van den tijd over, dien hij te voet zou noodig hebben; het non plus ultra van een genoegelijke reis vindt hij de sapie- of karbouwenkar, langzaam maar zeker de steilste helling op en even traag af. Bergen beklimmen? Onnoozele gedachte! Moet hij ze op, om er zijn brood te verdienen, geen berg is hem te hoog, geen pad te steil, maar voor je plezier te klauteren en de kans te loopen, met gespleten schedel in een ravijn terecht te komen, zie, dat is wel het dolste, waartoe een redelijk denkend mensch kan komen.

Reizen, de zee oversteken, zijn leven toevertrouwen aan het broze vaartuig op de onbetrouwbare zee, die, nu spiegelglad, straks bergen en dalen vormt om ervan te rillen en, alsof het een bonbon geldt, een schip met man en muis inslikt, neen, die liefhebberij laat hij liever aan anderen over.

Na volbrachten arbeid kalm thuis zitten uitrusten, zijn karbouwen bewonderen, naar zijn tortelduiven luisteren, als hij ze bezit, zich door moeder de vrouw de stram gewerkte ledematen laten masseeren, mein Liebchen, was willst du noch mehr? Kan men zich een aangenamer bestaan denken, dan rustig buiten het wereldsch gewoel te blijven?

Uit G. Stoll’s ”Kiekjes op Java”.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings