← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

Van varen en landen in de Stille Zuidzee.

Reading edition

De duitsche rijksmailstoomboot »München«, een schip van 4500 ton inhoud, was van Sydney in Australië gekomen, had Nieuw Guinea aangedaan, toen den Bismarckarchipel, vervolgens Ponape, het hoofdeiland van de Carolinen en naderde nu het eiland Saipan van de groep der Marianen met het buureilandje Tinian. Tinian heeft steile oevers, maar is van boven vlak als een tafelland, terwijl Saipan een hoogen vulkanischen top vertoont. Nadat het schip rondom half Saipan was heengevaren, kwam Garapan in het gezicht, de hoofdstad van het eiland en zetel van het duitsche bestuur.

Aan het strand in de schaduw van kokospalmen stond een lange rij kleine, bruine huisjes, daarnaast een groot wit gebouw, dat nog niet geheel voltooid was, het nieuwe gouvernementsgebouw. De haven van Garapan, door koraalriffen omringd, is alleen voor kleine schepen toegankelijk. Daar bij de nog bestaande onbekendheid met het vaarwater de uiterste voorzichtigheid geraden is, ankerde de postboot twee zeemijlen van land verwijderd in volle zee op koraalbodem, en wachtte de aankomst van een boot van het land af. Er ging een sterke branding, die het voor anker liggende schip in onaangename, rollende beweging bracht.

Daar kwam van achter het rif een boot te voorschijn. Nu eens op den rug van een golf geheven, dan in een golfdal verdwenen voor de blikken van de schepelingen van de »München«, naderde de kleine boot langzaam. Eindelijk was ze nabij. Twee door de zon verbrande blanken met groote spaansche strooien hoeden zaten erin. De Jacobsladder, een touwladder met houten sporten, werd neergelaten, en het tweetal klauterde aan boord, in blijde ontroering om de onverwachte aankomst van de postboot. Want dit was de eerste duitsche postboot, die sinds de inbezitneming door Duitschland er binnenliep, het eerste schip, dat na maanden berichten uit het vaderland bracht.

Nu moesten nog verscheiden kisten en de personen, die mee aan land wilden gaan, in de boot worden overgebracht. Ook dat gelukte, maar met moeite. Onder de naar wal gaande personen was ook professor Robert Koch en zijn assistent, de officier van den staf, dokter Ollwig, die van Nieuw-Guinea kwamen. Nadat hun malaria-expeditie was afgeloopen, hadden ze van Herbertshöhe uit, de hoofdplaats van Duitsch Nieuw-Guinea, de terugreis over Hongkong aangevangen. Dan was er Dr. Georg Wegener, de reiziger in China, berichtgever van een berlijnsch blad op weg van Australië naar China, om over de onlusten in China nieuws aan zijn blad te zenden, en de regeeringsdokter van Ponape, Dr. Girschner met zijn jonge vrouw. Op Ponape hadden ze namelijk met een zeilschoener bericht gekregen, dat op Saipan een boosaardige ziekte, waarschijnlijk lepra heerschte. Daar er op dat eiland niets anders dan een hospitaalbediende, maar geen dokter woonde, was Dr. Girschner naar Saipan gezonden, om onderzoek te doen naar de ziekte.

Het ging goed met de inscheping in de kleine boot, en de moeilijke vaart naar den wal begon. Hoog gingen de golven van den Grooten Oceaan, en om de riffen moest een wijde omweg worden gemaakt, zoodat er twee uur verliepen na de afvaart van het schip, eer allen behouden bij de brug in de haven van Garapan landden. Het was intusschen geheel donker geworden, en daar er in den nacht niet aan een terugkeer naar het schip kon worden gedacht, had de kaptein bepaald, dat de boot bij het aanbreken van den dag naar het schip zou teruggaan.

De districtscommandant Fritz, die met den hospitaalbediende en een politiebeambte op het eiland de duitsche regeering vertegenwoordigde, moest nu zien, voor de gasten een onderkomen te vinden, de post door te kijken, die door het schip was meegebracht, en zoo mogelijk te beantwoorden, en zijn correspondentie voor Europa gereed te maken. De hospitaalbediende was erin geslaagd, des avonds nog twintig door de bedoelde ziekte aangetaste personen bijeen te brengen, daar professor Koch zich voor de ziekte interesseerde. Bij het schijnsel van een lamp bekeek en onderzocht de groote geleerde iederen zieke, en het eindresultaat was, dat men hier te doen had met de in tropische landen zeer verspreide Framboesia tropica. Het logeeren van zulk een aantal gasten was moeilijk, want het huis van den commandant was klein, en het regeeringsgebouw was nog niet klaar. (Het was in 1900). Maar in een tropisch land behelpt men zich gemakkelijk in zulke omstandigheden, en zoo werden in de dorpsstraat eenige ruststoelen naast elkaar opgesteld, en wie geen ander onderkomen had gevonden, nam den vrijen hemel als zijn onderdak. En er werd in de zachte lucht van Saipan in de dorpsstraat beter geslapen dan later bleek, dat de aan boord gebleven passagiers hadden gedaan bij het ongehoorde rollen, dat het schip deed.

Bij het aanbreken van den dag ging men terug naar de »München«, en de reis ging naar Hongkong verder, waar de passagiers en de meesten van de blanke bemanning het schip verlieten. De manschappen zouden door kleurlingen worden vervangen, daar het schip de vaart tusschen Australië en China zou blijven waarnemen. Het nieuw aangemonsterde personeel vormde een ware staalkaart van onze natuurgenooten; er waren maleische matrozen, indische stokers of laskaren, chineesche stewards, en twee Zuidzee-eilanders op proef.

Weer lag de München, nu terugkomend van Hongkong, vóór Saipan voor anker bij het rif. De zee was onrustig, de barometer daalde. Er werd een boot uitgezet, om de post aan wal te brengen. Toen vroeg de scheepsdokter, of hij mee mocht varen; maar de kapitein ried het hem sterk af. Daar wees de dokter erop, dat ondanks het slechte weer toch ook de derde officier en de betaalmeester gingen, wat de kapitein deed opmerken, dat de »München« een rijkspostboot was, en dat de post aan land moest worden gebracht, terwijl de dokter niet, zooals de betaalmeester en de derde officier, ambtelijk aan wal behoefde te zijn. Doch de medicus stond erop en ging mee, nadat de kapitein alle verantwoordelijkheid van zich had afgeschoven.

Hij had den vorigen keer niets van Garapan gezien, en was nu verheugd, toen hij behouden er rondliep en getroffen werd door die idylle in de wereldzee. Dorp en omgeving waren wonderlijk schilderachtig en mooi. Maar de terugtocht zou leeren, dat de kapitein niet ten onrechte had gewaarschuwd. De zee was nog woeliger, en de derde officier kon denzelfden weg niet terug gaan tegen wind en zee. Dus moest de directe weg worden gekozen en dwars door het rif worden gekoerst door de smalle bootspassage.

Met den scheepsdokter waren ook Dr. Girschner en zijn vrouw aan boord, die terug wilden naar Ponape. In de tweede boot, door inboorlingen geroeid, zat de hospitaalbediende van Saipan met de post. Na eenigen tijd waren ze bij de bootspassage, een schuimende heksenketel, overal bruisende branding. Kloekmoedig gaf de derde officier zijn bevelen, en kloekmoedig roeiden de maleische matrozen. De boot werd als een stuk speelgoed heen en weer geworpen in het schuim, dat oogverblindend was, maar eindelijk was men er doorheen en kwam door de zeer hooge zee toch eindelijk bij het schip. Maar het aan boord gaan was een groote kunst bij de sprongen van wel twee meter, die de kleine boot maakte.

Men moest de ladder grijpen op een oogenblik, dat de boot zoowat haar hoogsten stand had bereikt en dan haastig aan boord klauteren. Het liep zonder ongelukken af, maar aan boord had men met zorg het forceeren van de bootspassage gezien en het ergste gevreesd. De postmeester van Saipan, die tegelijk de hospitaalbediende was, leverde aan boord de post af, maar het was al te donker, om hem terug te brengen, dus zou de postboot tot den volgenden morgen blijven en hem zoolang aan boord houden. Helaas, dien morgen was het weer nog slechter, en in de dichte regenwolken was een landing op Saipan onmogelijk, zoodat de postmeester met zijn paar helpers goedschiks of kwaadschiks mee moest varen naar Ponape. Dat werd naar den wal geseind, en op de terugreis van de »München« van Australië zou men hem binnen twee maanden weer van Ponape afhalen en naar Saipan terugbrengen. En zoo geschiedde.

Weer was de »München« op weg naar Saipan, na op Ponape den postmeester en de zijnen weer te hebben opgenomen en weer was bij de aankomst de barometer vallende, het weer slecht en de zee hoog en dreigend. Zelfs nam de wind zoo toe, dat men voor een taifoen moest vreezen. Vanaf het bovendek van het schip zag men tegen waterbergen op, zoo hoog, als niemand zich kan voorstellen, die ze niet heeft gezien. Als een gebergte met steeds veranderende toppen en kammen zoo torenden zich de watermassa’s. Het schip stuurde niet meer, het dreef. Daarbij was een deel der steenkolen verschoven, zoodat de boot dreigend helde. De scheepsdokter vroeg aan een der officieren, hoe het eigenlijk met Saipan was gesteld en of men er niet haast zijn moest en kreeg het ontmoedigende antwoord, dat men zoo voortgaande er zeker gauw op ongewenschte wijze op vast zou zitten. De situatie was ver van aangenaam; maar, als men goed bedacht, Saipan was met Tinian erbij niet zoo erg groot en de »München« zou best er voorbij kunnen drijven. Dan plegen de taifoens met verschillende snelheid te reizen, en als deze taifoen er vlug bij was, kon hij voorbij wezen, vóór het schip op Saipan was.

Maar heel best waren de vooruitzichten niet en de postmeester kwam met een bedrukt gezicht den kapitein raadplegen. Zou hij nu waarlijk weer niet naar zijn post kunnen terugkeeren? »Ja«, had de kapitein gezegd, »als het weer zoo blijft, kan ik u niet helpen, dan zal u met ons naar Sjanghaï moeten varen, want ik mag het niet wagen, dan Saipan aan te doen en op een koraalrif of op de rots van Saipan te worden geworpen«.

»En zoo vaar ik maar rond, en weet niet, wanneer ik met mijn helpers weer tehuis kom op Saipan«, zei de postmeester in wanhoop. De dokter troostte hem, zoo goed het ging, maar in stilte hoopte hij, dat in dit weer het heele Saipan maar niet in het gezicht zou komen.

Bij beurten gingen de officieren naar de machinekamer, om de menschen aan te zetten, maar er heerschte onder de indische stokers een lichte vorm van beri beri en ze hadden al van hun arbeidskracht erbij ingeboet. Maar ten slotte gelukte het toch, zooveel stoom te maken, dat het schip weer aan het roer gehoorzaamde en nu ging het over waterbergen en door waterdalen, en het passeerde den taifoen dichtbij het centrum van den storm. Een vol half uur lang waren lucht hemel en water niet te onderscheiden, want het was alles één schuim.

Voor het centrum zelf bleef men bewaard; daar is het volkomen windstil, en de zon kan er zelfs schijnen, maar de zee is er wonderlijk onregelmatig en loopt woest en wild dooreen, zoo dat alles erin kapot gaat. Nu ankerde de »München« den volgenden morgen op de reede van Saipan, die nu aan de windstille zij van het eiland lag. Met de landing ging het voorspoedig. De wederverschijning van den postmeester en de zijnen wekte groote vreugde op het eiland.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings