Een en ander over Shackleton’s expeditie.
Reading edition
Uit de berichten, die over de belangrijke zuidpoolexpeditie van luitenant Shackleton nog in de bladen zijn verschenen, zij nog meegedeeld, dat de bestijging van den Erebusvulkaan den 5den Maart 1907 volbracht werd door luitenant Adams, Sir Philip Brocklehurst, prof. Edgeworth David, A. Forbes Mackay, Eric Marshall en Marson. Tot op een hoogte van 1650 meter konden ze met de slede doordringen. Daarna droegen ze hun uitrusting en bereikten op den avond van den 7den Maart 2850 meter hoogte. Hier werden ze door een hevigen sneeuwstorm dertig uren opgehouden. Den 9den werd de tocht voortgezet en bereikten ze den ouden krater ter hoogte van 3350 meter. Deze werd onderzocht en er werden fumarolen ontdekt. De oude krater was met veldspaath, puimsteen en zwavel gevuld. De 4000 meter hooge top, waar zich de nieuwe, werkzame krater bevindt, die 8000 meter in middellijn wijd is en 240 meter diep, werd den 10den bereikt. Denzelfden dag werd met de afdaling begonnen en den 11den was men weer bij Kaap Royds.
Toen begonnen de stationswaarnemingen, die het geheele jaar 1908 door werden volgehouden. Bij Kaap Royds liggen eenige kleine zoetwatermeren, die een rijk leven vertoonden aan microscopische dieren, als infusoriën, raderdiertjes e.a. De raderdiertjes hebben een bijzonder taai leven, daar ze verscheiden jaren in het ijs der meren kunnen blijven leven. Ze kunnen niet alleen zeer lage en zeer hooge temperaturen verdragen, maar ook zeer sterke zoutoplossingen.
Op den bodem der meren werden veel fungusachtige planten gevonden, die door de raderdiertjes met graagte werden verslonden, zoodra de laatste ontdooid waren. In Juni 1908 was de Erebus sterk werkzaam, en den 14den Juni werden bij maanlicht verscheiden goede photografieën der uitbarstingen genomen. Den geheelen winter zag men veel mooie Zuiderlichten, die het meest aan den oostelijken hemel voorkwamen, zelden in de richting van de magnetische pool.
De motorsleden bleken voor tochten over landijs en de oppervlakte van het ijs van den Rossgletscher ongeschikt, en dus konden ze ook niet worden gebruikt voor den grooten opstoot naar de pool. Voor het zee-ijs daarentegen deed de Arrol-Johnstonmotor goede diensten, trots de lage temperaturen. Er werden van het winterkwartier uit veel sledevaarten in verschillende richtingen gedaan, de eerste in Augustus naar de ijsbarriere, en de tijd van den 22sten September tot den 13den October 1908 werd gebruikt voor het aanleggen van een depot ten behoeve van de ontworpen reis zuidwaarts op den Rossgletscher. Het werd aangelegd op 79 graden, 36 minuten Z.B. en 168 graden O.L.
De groote reis naar de Zuidpool, waaraan buiten Shackleton, Adams, Marshall en Wild in het begin ook Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley deelnamen, werd op 29 October begonnen. Voor het trekken der sleden werden vier pony’s meegenomen, nadat reeds in Maart 1908 vier van die belangrijke dieren gestorven waren, daar ze zand hadden gegeten. Levensmiddelen werden voor 91 dagen meegenomen. Den 7den November keerden Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley om, en op den 13den November werd het genoemde depot bereikt. De dagelijksche porties werden nu al verminderd.
De tocht was moeilijk door de zachte sneeuw, die afwisselde met de “sastrugi” of sneeuwruggen. Op 81 graden en 4 seconden werd een paard gedood en een depot van olie, beschuit en paardevleesch achtergelaten. Den 28sten November werd het tweede paard gedood en op 82 graden, 45 minuten Z.B. en 170 O.L. weer een depot aangelegd. Den 30sten November moest ook het derde paard zijn leven laten.
Den 2den December trof men het rotsgesteente; de Rossgletscher liep ten einde en men zag het naar het Noordoosten ombuigende randgebergte vóór zich. Over een gletscher van dat gebergte ging het van af den 5den December verder. De gletscher had gevaarlijke spleten, zoodat men den 6den December maar 550 meter verder kwam. Den 7den verloor men het laatste paard door een val in een gletscherspleet, en nu moest elk lid van den tocht zelf een slede trekken. Den 8sten December begon een nieuwe gletschertocht, die tot den 18den duurde, en waarbij alleen door voortdurend met touwen verbonden te blijven de deelnemers voor een val in een spleet werden behoed. De hier bereikte hoogte bedroeg 2000 meter. Op 85.10 graden werd weer een depot aangelegd en de laatste aanloop begon na nog een vermindering der dagporties. Den 26sten December stond men na overwinning van verscheiden ijsvallen op een plateau van 2700 meter hoogte, dat trapsgewijze tot 3150 meter steeg. Die ketens hielden den volgenden dag op, en Shackleton besloot, om de uitputting der medeleden door koude en ijle lucht, nog een laatste depot aan te leggen.
Van den 7den tot den 9den Januari werd men door sneeuwstormen in de tent en de slaapzakken vastgehouden, en den 9den werd ten slotte de hoogste breedte van 88.23 graden bereikt. Een groote vlakte breidde zich naar het Zuiden uit.
Tot de geologische vondsten van deze reis behoort de ontdekking van kolenlagen in het kalkgesteente en van sporen van groote vroegere vergletschering. Het aantal der overschreden bergketenen is acht, waarvan de toppen tot 3600 meter reiken. De Zuidpool zelf moet, naar Shackleton vermoedt, op een 3000 tot 3500 meter hoog plateau liggen.
De terugreis ging natuurlijk langs denzelfden weg. Gebrek aan levensmiddelen en uitputting verzwakten de leden meer en meer. Gelukkig werd men in het begin door de zuidenwinden wat geholpen, die men nu in den rug had, zoodat soms tot 46 kilometer per dag werd afgelegd. Den 27sten was Marshall aan het eind van zijn krachten en moest onder de hoede van Adams worden achtergelaten. Shackleton en Wild spoedden zich naar het winterkwartier vooruit en troffen de intusschen teruggekeerde “Nimrod”, van waar ze hulp voor hun kameraden kregen.
De afdeeling, die naar de magnetische pool opbrak, bestond uit David, Marson en Mackay. Zij bereikte de oostkust van Victorialand bij Butter Point op 77.40 Z.B., trok over het zee-ijs noordwaarts tot 75 graden en beklom het hoogland in het binnenland in de laagte tusschen den Mount Nansen en den Mount Larsen. De magnetische zuidpool lag op een hoogte van 2000 meter op 72.25 Z.B. en 154 O.L., terwijl de ligging naar de berekeningen van de Discovery-expeditie 72.51 Z.B. en 156.25 O.L. was aangegeven. Toen de afdeeling naar de kust was teruggekeerd, zag ze zich doordat het zee-ijs van daar middelerwijl was weggedreven, van de verbinding met kaap Royds afgesneden. Ze werd echter den 4den Februari 1909 door de “Nimrod” gevonden en aan boord genomen.