← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

In Achter-Indië.

Reading edition

De door Achter-Indië stroomende rivieren zijn daar, waar ze door nauwe en diepe kloven de indochineesche gebergten doorstroomen, wel hier en daar door ontdekkingsreizen gekruist; maar tusschen die plaatsen in is haar loop nog vaak geheel onbekend.

Zoo was de Saloeën in 1895 door prins Henri van Orleans aangedaan op de breedte van 26 graden en hij was over de rivier getrokken op 28 graden Noorderbreedte. Niemand echter had het gedeelte tusschen beide punten onderzocht. Die leemte aan te vullen, was het doel van een onderneming van den Engelschman Litton, die na zijn tocht van December 1905 overleden is.

Zijn medereiziger George Forrest heeft thans over den tocht geschreven in het Geographical Journal en aan den tekst een kaart toegevoegd. De tocht, in Yunnan begonnen, ging eerst noordwaarts tot Pienma op 26 graden N.B. Van daar trok men oostwaarts; de waterscheiding tusschen Irawady en Saloeën ging men over door een pas van 3200 meter hoogte en bij de chineesche stad Lutsjang werd de Saloeën bereikt.

De reizigers gingen langs den westelijken oever naar het Noorden, maar verlieten die richting om de moeilijkheid der proviandeering en om de vele twisten tusschen de verschillende dorpen van den stam der Lissu. Een brug, die niet anders was dan een touw, voerde over de Saloeën op 27.05 graden N.B. Van den oostelijken oever trok men over een hoogen pas naar de Mekong, die bij Jingpankai werd bereikt, en van daar werd de terugtocht naar de Saloeën ondernomen ter breedte van 26.45 graden N.B.

Op het pas onderzochte gedeelte is de Saloeën 80 tot 120 meter breed, zeer diep en overal afgebroken door stroomversnellingen. Het was in de droge periode en dus was de waterstand laag; in den regentijd is die veel hooger, en op een plek vond men de bewijzen, dat in de vorige maand Augustus het water tot twintig meter hooger had gestaan.

De Lissu, die op de genoemde breedten aan de Saloeën wonen, moeten aan de Thibetanen verwant zijn. Ze zijn van de Chineezen totaal onafhankelijk, maar zijn verzwakt door dorpstwisten. Elk dorp blijft geïsoleerd en heeft een eigen dialect. Hoe noordelijker men in het land der Lissu doordringt, des te wilder, barbaarscher en armer worden de menschen. Opvallend waren hun groote bogen en pijlen, waarmee ze op grooten afstand door dikke planken konden schieten en die vaak vergiftigd werden, terwijl ze zeer knappe schutters bleken. Van geregeld verkeer langs de Saloeën was geen sprake, slechts af en toe komen eens chineesche kooplieden naar de Lissu.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings