← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

De telegrafen der natuurvolken.

Reading edition

In haar voorbeeldelooze ontwikkeling is de telegrafie een kind gebleven van de electrische vonk, en daardoor is het te verklaren, dat wij haar altijd met de electriciteit in verband brengen. Dat behoeft echter niet. Zoo behooren ook tot het gebied der telegrafie de vele kunstige inrichtingen van optiek en acoustiek, waardoor al voor duizenden jaren de volkenreeksen hun gedachten hebben gereproduceerd en berichten hebben gewisseld over groote afstanden.

De vuurtorens van Grieken en Romeinen waren de voorloopers van de pruisische en fransche houttelegrafen, vóór zestig jaar in gebruik. De kunst van het geven van optische signalen stond in de oudheid op groote hoogte, zoo zelfs dat men tot de 18de eeuw niet van eigenlijken vooruitgang kan spreken.

Intusschen stonden die ouden, Perzen, Grieken, Romeinen, ook werkelijk op hoog standpunt in menig ander opzicht; maar vooral is het belangwekkend, dat wilden, natuurvolken, stammen uit Amerika, Afrika en Australië, de electriciteit niet hebben afgewacht, om over verre afstanden met elkaar in gemeenschap te treden en dat ze er al vroolijk op los telegrafeerden en telefoneerden, voordat de verstandige Europeanen hun weg kruisten. Die kunst hebben de wilde zonen van de steppen en de oerwouden uit zichzelf ontwikkeld en met de eenvoudigste hulpmiddelen hebben ze haar tot een hoogte gebracht, die voor hun omstandigheden voldoende was.

Wat de wilden elkaar te seinen hebben, zijn geen met cijfers doorspekte beurs- en handelsberichten, waarin een enkel verkeerd cijfer heel wat ongeluk kan veroorzaken. Maar voor wat volstrekt noodig is, om in de uitgestrekte wildernissen, met elkaar in verbinding te blijven en elkaar te helpen of te bestrijden, hebben ze doelmatige seinen uitgevonden. In Kongo en Kameroen gebruiken de inboorlingen voor berichten naar de verte trommels, zooals, naar onze lezers weten, J. J. Moret al eens naar de N. R. C. schreef. Het zijn stukken uitgeholden boomstam, aan weerszijden met antilopenvel overtrokken. Men heeft ze in soorten. Er zijn groote, dofklinkende trommels voor oorlogsberichten en kleinere spreektrommels, die enkel in vredestijd worden gebezigd. Met een bijzondere soort van trommel wordt de geboorte van een mensch aangekondigd en met weer een andere soort geeft men een sterfgeval aan. Uit den uit de verte aanklinkenden toon van een trommel kunnen dus de inboorlingen nauwkeurig onderscheiden, welk bericht onder weg is.

En de negers hebben de trommeltaal nog fijner ontwikkeld. Zeer bijzonder ontwikkelde trommelslagers verstaan de kunst, woorden te vormen, waardoor het mogelijk wordt, allerlei berichten over groote afstanden over te brengen. Zij komen uit de onderscheiden dorpen af en toe te zamen, om zich te oefenen en hun voorraad signalen te vergrooten en te vergelijken. Aan de Kongowatervallen verstaan de negers het, met de trommels onder elkander gesprekken te voeren als in de gewone taal, waarbij hun zeer fijn gehoor hun goed te pas komt. De hoofden kunnen, zonder van hun rustbank op te staan, met behulp van deze trommeltelefonie met hun buren zoo gemakkelijk onderhandelen, dat ze voortdurend op het nauwkeurigste van wat er in vrij wijden omtrek voorvalt, op de hoogte zijn.

Niet zelden komen ook de blanken in de noodzakelijkheid, zich te bedienen van de vèrspreekkunst van de negers. Zoo vertelt pater Von der Deken, hoe de inspecteur der Kongomaatschappij, als hij op een inspectiereis zich verlaatte, aan een trommelslager de opdracht gaf, de menschen op het station Basoko te vertellen, dat er vertraging was en hun te zeggen, den maaltijd te bewaren. De mededeeling werd dan van dorp tot dorp getrommeld en de inspecteur miste zijn maal niet.

Over een dergelijke werking van de spreektrommel bericht gouverneur Von Bennigsen uit de Stille Zuidzee, waar de trommeltaal eveneens in gebruik is. Op een dag kwam de tijding, dat op een eiland door een hoofd gewelddaden waren bedreven. Hij ging terstond aan boord van een regeeringsstoomboot, om recht te doen en nam een zwarten trommelslager mee. Terwijl het hoofd zich verscholen hield in het dichte struikgewas, lag de strafexpeditie vanwege de branding ongeveer vier kilometer van het strand verwijderd. Toen zond de trommelslager een vraag in de trommeltaal naar de jungle over, en dadelijk kwam er antwoord. Er volgde een levendig gesprek, waarvan het gevolg was de onderwerping van het hoofd en de betaling van een boete.

Nog eigenaardiger is de inrichting van de acoustische telegraaf, waarvan de argentijnsche reiziger Dr. José Bach op een onderzoekingstocht in het Amazonengebied verhaalt. Hij stiet daar op een Indianenstam, de Catoequinaroe’s, die op vier verschillende nederzettingen woonden. Elke van die 1.6 kilometer van elkander verwijderde nederzettingen bezat een inrichting, waardoor ze voortdurend in gemeenschap kon blijven met de andere. Het was ook een trommeltelegraaf, maar op andere physische grondslagen ingericht dan de afrikaansche. In den grond was een 1.1 meter diepe, cylindervormige kloof van 1.2 meter middellijn gegraven en tot op de helft met vastaangestampt, grof zand gevuld. Op de zandlaag stond in het midden een bijna een meter hooge, 40 centimeter dikke palmstam, die aan beide einden een 30 en 20 centimeters wijde holte had, onderling verbonden door een slechts 12 centimeter wijd kanaaltje. De onderste holte bevatte in vier lagen fijn zand, houtspaanders, beendersplinters en gestampt glimmer; de bovenste in drie lagen leder, hout en caoutchouc, terwijl de middelste nauwe opening ledig was.

Om den stam heen had men de kloof of sloot met stukken hout, ongelooid leer en verschillende soorten hars gevuld en ze ter hoogte van de oppervlakte van den bodem met een caoutchoucplaat afgedekt. Dit toestel, dat een soort van trommel voorstelde en dat door de Indianen cambarysoe werd genoemd, diende zoowel tot het geven als tot het ontvangen van signalen. Als men met den trommelstok, waarvan de knop met caoutchouc en leer was overtrokken, op den cambarysoe sloeg, plantte zich het geluid door den grond naar het gelijkvormige toestel van de volgende nederzetting voort en kon daar duidelijk worden waargenomen. Op zijn dringend verzoek kreeg de vreemdeling een proef te hooren van de werking. Het hoofd riep het volgende station door tweemaal kloppen aan, waarop als antwoord een dof geluid werd vernomen, afkomstig van een slag op het toestel aan het geroepen station. Daarop ontspon zich met behulp van afgesproken seinen een lang gesprek, waarvan de inhoud den vreemde onbekend bleef.

Het wonderlijke bij deze ontdekking is niet zoozeer, dat de van de beschaving zoo ver af staande wilden met de wetten der voortplanting van het geluid door den grond bekend waren, als wel dat de Indianen ook in staat waren, de technische middelen te vinden, om dit procédé in de praktijk voor hun doel te gebruiken. Intusschen is het ook niet volkomen onmogelijk, dat de cambarysoe een eeuwen lang geheim gehouden instrument is uit de tijden van het tot een zekere beschaving gekomen rijk der Inca’s in Peru.

Het geheim der trommelteekens wordt door de natuurvolken streng bewaard. In Kameroen is het den duitschen onderwijzer Betz na langdurige studie gelukt, erachter te komen. Daar de wanden van de daar gebruikte trommels verschillend van dikte zijn, krijgt men door het slaan tegen de kanten verschillende tonen. Betz heeft ongeveer 300 met de trommel weergegeven zinnen verklaard, en hij geeft toe, dat men door de trommeltaal kilometers ver over alle mogelijke dingen kan praten; er kunnen verhaaltjes worden verteld, nieuwtjes worden overgebracht en er wordt geroepen en gescholden in de boschwildernis, alles “op noten”.

Een optische vèrspreektaal heeft onder de wilden in Australië rooksignalen in haar dienst. Het gebruik van vuur- en rooksignalen is zeer oud, maar de rooktelegrafie van de Austraalnegers is zoo eigenaardig, dat ze afzonderlijk vermelding verdient. Het geheim dier taal wordt streng bewaard, en de ouden van den stam, de priesterlijke wachters van de stamgeheimen, zwijgen zelfs tegenover jongere leden van den stam over de beteekenis der afzonderlijke teekens. Maar in den laatsten tijd heeft men zooveel waarnemingen er over gedaan, dat het stelsel in hoofdzaak bekend is geworden.

De verschillende beteekenis der signalen wordt uitgedrukt door den vorm en de kleur der rookzuilen. De middelen, om die te voorschijn te roepen heeft de Australiër in de hem omringende plantenwereld. Een dikke zwarte rookzuil ontstaat, als een hoop brandhout bedekt wordt met groene bladeren of gras, en kan dienst doen als signaal voor verre afstanden. Bij windstilte kan de rook tot duizend meter hoog stijgen en wordt dan tot op 80 kilometers afstands gezien. De beteekenis is bij verschillende stammen verschillend, bijvoorbeeld: “een menigte gewapenden is in aantocht, om een man te dooden”, of “hier is veel water en wild; wij gaan een dansfeest geven”.

Is de rookzuil groot en bleek van kleur, waarvoor droog hout wordt gebruikt, dan kan het een doodstijding zijn of bij andere stammen een aankondiging van bezoek wezen. De inboorlingen verstaan het, aan de rookzuilen door kunstgrepen allerlei vormen te geven en hebben daardoor den woordenschat der rooktelegrafie sterk uitgebreid. Spiraalvormige teekens worden verkregen door de brandstof in een kring om een rechtop staanden stam op te stapelen of ook wel doordat twee mannen een vel in een bepaalde helling boven het vuur cirkelvormig laten draaien. Rookballen krijgt men door den opstijgenden rook op te vangen in zakken en dan van tijd tot tijd den zak van boven te openen, terwijl een tweede inboorling den zak een opwaartsche beweging geeft, zoodat de rook in den vorm van een bal ontwijkt.

De Australiërs hebben een heel woordenboek van rooksignalen, er zijn onafgebroken rookzuilen, rookguirlandes, evenwijdige zuilen van rook van verschillende kleuren, en daardoor en in verbinding met bepaalde herhalingen en schikkingen ontstaat een woordenrijke teekentaal.

De behoefte aan onderling verkeer is zoo oud als de wereld, en menschenvernuft heeft overal middelen en wegen gevonden, om er aan tegemoet te komen. Waar onze beschaving nog niet is doorgedrongen, daar vlammen de vuren op, in geheimzinnige taal van berg tot berg berichten overbrengend; hoornsignalen klinken door woestijnen en oerwouden; maar nergens zijn die middelen van onderling verkeer zoozeer tot de hoogte der kunst gestegen als in de trommeltaal en de optische taal met rooksignalen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings