Op de grenzen van Montenegro.
Reading edition
De rotsachtige inhammen aan de kusten van Dalmatië, de fjorden van het Zuiden, zijn gewoonlijk stil en verlaten; maar in de laatste maanden heerscht er druk en opgewekt leven. Men kan er alle talen en dialecten uit het groote Donaurijk te hooren krijgen. Allen, die daar zijn, dragen echter het kleed van den soldaat; allen zijn gewapend, gereed tot den krijg.
Dat moet wel, sedert October van het vorig jaar al is de spanning in Montenegro aan het groeien. Toen reeds bleven de buren van Oostenrijk uit de Zwarte Bergen, die anders Cattaro en de overige kuststeden van groente en gevogelte en andere levensmiddelen voorzien, plotseling weg van de markten. Alle Montenegrijnen, zelfs die in het verre Amerika woonden, spoedden zich naar het vaderland, dat al zijn zonen tot de tanden wapende. Oorlog! was de leus, en iederen dag verwachtte Oostenrijk een aanval met bestorming van Cattaro of Spizza, misschien wel met verovering van de Herzegowina.

Montenegrijnsche soldaten.
In die omstandigheden moest de Donau-monarchie wel op haar hoede zijn, en pas was dan ook de eerste sneeuw gevallen, of uit alle deelen van Oostenrijk kwamen de treinen aanrollen met soldaten en kanonnen. Indien ze gedacht hebben, dadelijk aan het vechten te kunnen gaan, dan is dat anders afgeloopen tot nu toe; maar de dienst die de krijgers er wachtte, was daarom nog niet een gemakkelijke. Men kon het meer of minder goed treffen. Sommigen kwamen in Herzegowina of in Krivoscië tusschen de ruwe Karstrotsen; anderen bleven beneden aan de mooie, blauwe zee onder het gebladerte van laurieren en citroenen.
De eersten waren tusschen de eenzame, verlaten rotsen niet te best af. Met een luitenant voorop gaat het klauterend tegen de steile bergpaden op, die in lange serpentines de helling bestijgen naar den een of anderen eenzamen post. Achter hen twee muildieren, die het proviand voor de eerstvolgende dagen meevoeren. De ijzeren deur van het wachthuis knarst in haar hengsels, en de afgelosten gaan heen. De nieuwelingen zitten er nu voor volle twee maanden, kunnen over de grijze rotsen naar Montenegro kijken of, als de zon schijnt, naar het Westen, waar een smal blauw streepje de zee aanwijst.
Loodrecht vallen de wanden neer van de rotskloof bij Milica, vele honderden meters diep naar het smalle rijpad, dat naar Grahova voert, het montenegrijnsche kamp. Prins Mirko heeft er nu en dan een revue gehouden, maar met de geestdrift wil het niet te best. De winter is koud; ijzig blaast de bora over de met sneeuw bedekte hoogten, en een half kilo meel per dag en per man is weinig, zelfs voor den met weinig tevreden Montenegrijn.
»Jullie hebt het beter,« plegen de montenegrijnsche soldaten tot de Oostenrijkers en Hongaren te zeggen, »je hebt een half kilo vleesch per dag en nog bovendien thee en wijn en warme kleeding! We hebben hier wat tabak en eieren meegebracht; koopt ze van ons, want onze vrouwen en kinderen zijn thuis koud en hongerig!« Zoo spreken de brave, eerlijke zonen der Zwarte Bergen, die al zoo lang op de voorposten hebben gestaan en waarvan nu velen naar huis zijn gegaan, moe van het omhangen en verlangend naar het werk in hun dorpen.
»Vrijwilligers op!« had het in October geklonken, en van de toestroomenden waren de besten gekozen voor de corpsen langs de grenzen. Tot hun grijze velduniform behooren ook de lichte sandalen, de opanken, deel der nationale dracht, en de bergstok. Tusschen de grijze rotsen zijn ze haast niet te herkennen. Al maanden staan de oostenrijksch-hongaarsche en de montenegrijnsche soldaten daar nu zoo vaderlandslievend tegenover elkander; ze hebben elkaar leeren kennen en achten. Gelukkig, dat alles erop schijnt te wijzen, dat de vrede bewaard zal blijven. Als Servië naar de vertoogen der mogendheden luistert, blijft het ook in Montenegro rustig.