← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

Albanië en de Albaneezen.

Reading edition

Onder de vele volksstammen, die Macedonië bewonen, en wier onderlinge twisten zooveel hebben bijgedragen tot de vreedzame omwenteling van dezen zomer in Turkije, nemen de Albaneezen de eerste plaats in. Wel is waar, worden ze in aantal overtroffen door de Serviërs, in beschaving door de Grieken, in gezag en invloed door de Turken; maar geen van deze naties biedt Europa zooveel moeilijkheden te overwinnen aan, als het wil trachten, hervormingen in te voeren en geen volk is moeilijker tot onderwerping te brengen dan de Albaneezen. In de kabinetten moge men al met vrij groote zekerheid het lot der anderen hebben beslist, het staat den mogendheden nog bij lange na niet duidelijk voor den geest, wat er van Albanië en zijn bewoner op den duur moet worden. Kort na den staatsgreep van Oostenrijk-Hongarije in zake Bosnië en Herzegowina heette het dat Albanië zich onafhankelijk ging verklaren. Maar het voorbeeld van Bulgarije en Kreta tot afscheiding van Turkije is niet door Albanië gevolgd. Integendeel. In een onlangs verschenen proclamatie hebben de Albaneezen na een te Monastir gehouden congres hun aanhankelijkheid aan Turkije betuigd. Ze hebben daarbij echter bij voorbaat verzet aangeteekend tegen elke schadeloosstelling, die aan Servië of Montenegro ten koste van Albaneesch grondgebied mocht worden toegekend.

Albanië is een groot land, bijna zoo groot als Beieren, dat ingesloten ligt tusschen een wal van bergen van gemiddeld 2000 M. hoogte en, als natuurlijke vesting beschouwd, veel ontoegankelijker is dan Zwitserland en noch naar de zijde der Adriatische Zee, noch naar den kant van Macedonië passen of toegangswegen heeft. Zoo min als de Grieken Albanië konden veroveren, zoo min is dat aan de Romeinen gelukt; de barbaarsche Serviërs en Bulgaren stieten vóór Albanië het hoofd en tegen de Turken hielden de Albaneezen tot op heden stand.

En zij hebben een zeker recht op hun bergachtig land, bewoond door het oudste volk van Europa. Zij zijn de oudste stam der Ariërs, en hun taal, die aan het Sanskriet verwant is, wijst hen duidelijk aan als zoodanig. Men herkent in hen het type der oude Grieken, zooals het voor ons in de marmeren beeldhouwwerken uit den bloeitijd bewaard is gebleven. Of men hen ziet in Konstantinopel als arbeiders of als kawassen van de consulaten, als soldaten van des sultans lijfwacht of als garde van koning George in het koningspaleis te Athene, dan wel in hun vaderlandsche bergen, overal treft hun hooge gestalte, hun krachtige lichaamsbouw, hun mannelijk en ernstig optreden.

Gezicht op Uskub.
Gezicht op Uskub.

Gezicht op Uskub.

Zij trekken veel naar den vreemde, omdat hun arm land hen niet allen voeden kan, maar als ze een kapitaaltje hebben overgespaard, keeren zij naar hun land terug. Vreemdelingen zien ze daar niet bijzonder graag. Wel wonen in hun steden rondom het albaneesche hoofdgebergte, in Janina, Ochrida, Uskub, Prizren, Ipek, Diacovar ook Grieken, Serviërs en Bulgaren, maar ze zijn ver in de minderheid, hebben er al van ouder tot ouder gewoond en spelen er een ondergeschikte rol.

Albaneesche soldaten.
Albaneesche soldaten.

Albaneesche soldaten.

Het gemakkelijkst komt men nog Albanië binnen over Monastir, dat, hoewel het buiten de albaneesche grenzen ligt, toch ook als militaire hoofdstad van Albanië moet worden beschouwd. Trouwens ieder Albanees is krijgsman van origine; allen zijn steeds gewapend en wel met een duchtig arsenaal van velerlei oorlogstuig. Daden van heldenmoed zijn schering en inslag van de geschiedenis der Albaneezen. Daar weten turksche bataljons van mee te spreken, ook daarvan, dat de albaneesche vrouwen dapper meevochten. Die krijgshaftige geest heerscht vooral in Noord-Albanië; Epirus en de streek rondom de mooie meren van Castoria en Prespa, waar de Zuid-Albaneezen of Tosken wonen, zijn vreedzamer van aard. Die bewoners van het Zuiden hebben veel grieksche woorden in hun taal opgenomen, en het komt vaak voor, dat de Albanees uit Epirus den stamgenoot uit Prizren of Diacovar niet verstaat. De grens tusschen de beide deelen van Albanië ligt in de buurt van Monastir en Ochrida.

Daar ligt ook het mooie Ochridameer als een albaneesch Lago Maggiore. Waren er in Albanië goede wegen en hôtels, was het niet het eenige land in Europa, waar nooit de fluit van een locomotief is gehoord, dan zou Ochrida het doel zijn van duizenden moderne toeristen, Maar voorloopig leiden, van Sentare, Albanië’s grootste haven en handelsstad aan de Adriatische Zee, alleen zandige paden voor rijdieren het binnenland in.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings