Een vorstenhuwelijk op Java.
Reading edition
Het was een aangename ontmoeting in de week van den 6den Maart in het bijblad van de Tour du Monde een beschrijving te lezen van de bruiloft in de vorstenfamilie van Djokjakarta en wel van de hand van een Franschman, die blijkbaar aan het fransche consulaat aldaar verbonden, de plechtigheid in het paleis had bijgewoond. Die belangstelling van een buitenlandsch tijdschrift voor onze koloniën aanvaarden we dankbaar, want de getuigenissen over Nederlandsch-Indië zijn lang niet talrijk genoeg, de interessantheid van het land in aanmerking genomen.
Toevallig verscheen ook in diezelfde week het tweede en laatste gedeelte van een uitvoerig artikel, dat de heer W. H. R. van Manen in het weekblad Globus deed verschijnen over het onderzoek van Suriname gedurende de laatste tien jaren. Onze talrijke expedities naar de West, die zoo duidelijk getuigen voor onze ontwakende belangstelling voor het onderzoek der koloniën, en waarbij de regeering zich ook niet onbetuigd houdt, passeeren daar de revue en maken dat koloniale werk in de wijde kringen bekend, die in Duitschland in populair wetenschappelijke lectuur op aardrijkskundig gebied belang stellen. Ook wat er op geologisch gebied in Suriname is gewerkt in den laatsten tijd en wat er door de reizen van het land en de bevolking is bekend geworden kan men in het belangwekkende artikel van den heer Van Manen lezen.
Maar nu wat de Franschman, Gaspard Long over de djokjasche bruiloft vertelt. Wij geven hem het woord.
Ofschoon het eiland Java sedert eeuwen aan Holland behoort, hebben de Javanen veel nationale gebruiken behouden. De huwelijksplechtigheid bij voorbeeld heeft in de hoogere klassen der inboorlingen nog al de staatsie van oude gebruiken. Het sultanaat Djokjakarta heeft tot sultan Hamangkoe Boewono, d. i. de sultan, die de wereld in zich draagt. Hij heeft onlangs zijn zoon uitgehuwelijkt, wiens voor ons hoogst ingewikkelde naam beteekent »de jonge vorst, die de stad omvat«, aan Hare Hoogheid, de edele Srikatinah.
De feesten duurden als in oude dagen een heelen tijd achtereen; maar daar ik aan de lezers overlaat, zich te verbeelden het op zijn Europeesch ingerichte bal en het vuurwerk aan het slot, wil ik iets vertellen van den trouwdag zelven.
Op dien dag dan bevond ik mij met een honderdtal andere genoodigden in de salons van den Resident, van waar we ons naar den Sultan zouden begeven. Het voorschrift is, dat elk bezoek aan het paleis alleen plaats hebbe door tusschenkomst van den Resident, zooals ook ieder uitgang van den vorst plaats heeft met de toestemming van dien ambtenaar. De eenige vertegenwoordiger van het corps diplomatique was de consul-generaal van Frankrijk in Nederlandsch-Indië, de hoogste in rang na den Resident. Naast hem stond een inlandsch vorst, twintig jaar oud, die in Batavia en in Nederland heeft gestudeerd en die zoo europeesch is, als het voor een Javaan ooit mogelijk is, het te worden. Hij was voor de plechtigheid gekleed in de uniform van kolonel van het nederlandsche leger.
We gingen op weg naar het paleis, de Resident in een rijtuig, door heeren te paard omringd; prins Pakoe Alam in een coupé, met gele zijde gecapitonneerd; de officieren en ambtenaren in auto’s en rijtuigen. De stoet rijdt langzaam naar het hof, behalve over een groot zandig plein, dat zich uitstrekt tusschen den buitenmuur en den hoofdingang van het paleis, en waar een laan wordt gevormd door palen, met hollandsche vlaggen versierd. Op het plein begroet ons een javaansch orkest en de inlandsche troepen presenteeren het geweer.
De sultan, die den Resident ontvangt op de trappen van de audiëntiezaal, draagt de nationale haardracht en een vlecht; hij heeft niet als de hovelingen het bovenlijf ontbloot, maar draagt een zijden buis met het lint van den commandeur van de orde van Oranje Nassau en een prachtigen sarong, met goud doorweven. De vorst geeft den Resident den arm. Ze nemen plaats in de leuningstoelen achter in de zaal. Rondom groepeeren zich de burgerlijke ambtenaren, de godsdienstige autoriteiten, de dominé en de pastoor, en de genoodigden.
We zijn in de audiëntiezaal. Dat is een vierkante ruimte, met marmeren vloer en een pyramidevormig dak, dat door enorme zuilen wordt gedragen van gebeeldhouwd en verguld teakhout. Het plafond is een aaneenschakeling van oploopend schilderwerk en gebeeldhouwde figuren, waar ik eivormige sieraden, slangen en bladeren in onderscheid. Het inlandsch orkest speelt een ouden marsch, terwijl de gongs een welkomstklank aangeven.

De bruidegom aan den arm van den Resident.
De bruidegom komt over het marmer kruipen, maakt vóór zijn vader de eerbiedsbeweging, die daarin bestaat, dat ze de gevouwen handen boven het voorhoofd brengen, en neemt plaats op den voor hem bestemden zetel. Het is een jonge man van vijf-en-twintig jaar van arisch type; hij is in groot toilet, met naakt bovenlijf, het lichaam ingesmeerd met geel blanketsel, het teeken van een hooge kaste op het voorhoofd, de wenkbrauwen met chineeschen inkt geteekend. Hij draagt een borstlap, die in den vorm van een halve maan uit drie afdeelingen bestaat, en een keten van briljanten, van wel een meter lang.
De priester en de vader van de bruid treden naar voren onder het maken van een reeks van buigingen en zetten zich naast den bruidegom. Ze spreken zacht in het Arabisch een gebed. Hun zetels zijn in een driehoek geplaatst, en niemand verstaat, wat ze zeggen. Als de vorst, naar ik vermoed, gezegd heeft, dat hij de eer aanvaardt, de echtgenoot te worden van de edele Srikatinah, roepen zijn volgers achter hem: »Amin«, en het geheele publiek herhaalt: »Amin, Amin«, onder begeleiding van het orkest en de salvo’s van het geweervuur, dat de buiten in gelid staande troepen herhalen, om aan de wereld kond te doen, dat de plechtigheid is voltrokken. De priesters trekken zich terug, en de prins gaat de hand van den sultan kussen. Er wordt thee gepresenteerd, en ieder keert naar huis terug.
In den namiddag heeft de ontmoeting der beide verloofden plaats. Gewoonlijk begeeft de bruidegom zich naar zijn bruid en logeert er veertien dagen, voordat ze naar de woning gaan, voor hen samen bestemd. Maar hier, gezien de hooge geboorte van den bruidegom, was het de bruid, die van haar ouders wegging, om naar het paleis te gaan, waar haar de sultan en zijn hof wachtten en ook de Resident en de ambtenaren.
De getrouwde prinsessen, die haar vergezellen, dragen blouses van zwart of blauw satijn, gesloten met diamanten agrafes. De andere prinsessen hebben hals en schouders ontbloot, en om de borst een gestreepte stof, die den lichtbruinen sarong ophoudt. Achter de stoelen der prinsessen van den bloede zijn de eeredames gehurkt, die een beteldoos in de hand houden.
De bruid komt langzaam nader in haar draagstoel van wit met goud, omringd door haar dienstvrouwen, die verschillende attributen dragen en kisten met kleederen. Bij den ingang van het paleis stapt ze uit en treedt binnen onder de muziek van het orkest. Ze heeft bloote armen en schouders, een takje jasmijn hangt in den nek, afvallend van een diadeem, waar vijf briljanten zich op draden wiegen, zoodat ze bij elke schrede heen en weer bewegen. Armbanden bedekken voor een deel haar armen. Ze is groot en slank, liet gelaat min of meer fané. Aan den voet van den troon gekomen, groet zij en hurkt neer. Er wordt tusschen de beide verloofden een bakje met lauw water neergezet. Ze staan op en werpen elkaar betelbladeren toe. De bruidegom knipt een draad door, om de aanhechting aan zijn familie te symbolizeeren, en de prinses wascht hem nederig de voeten ten teeken van onderwerping.
Daarna geven de echtgenooten elkander de hand en nemen plaats op een paradebed, waar de officiëele personen hun hulde zullen komen brengen.
De geschenken, bij gelegenheid van het huwelijk gegeven, roepen door hun pracht de oostersche sprookjes in herinnering. Het rijkste was dat van de planters uit de residentie, die in twee zilveren cassettes van prachtige bewerking 125 duizend francs in goud gaven. Het is waar, dat de gronden van hun concessies eigendom van den vorst zijn en dat ze dus in zekeren zin onder zijn suzereiniteit staan.