← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

Over een hoekje van Nieuw-Nederland.

Reading edition

Nu onze kolonisatie in Noord-Amerika in de 17de eeuw dit jaar sterk de aandacht tot zich zal trekken, daar het driehonderd jaar geleden is, dat Hudson de naar hem genoemde rivier opvoer, en groote feesten den gedenkdag zullen vieren, is het artikel van den heer R. P. J. Tutein Nolthenius in de Gids van Januari al dadelijk door actualiteit belangwekkend, maar het zou ook zonder dien glans der toevallige aansluiting bij het heden een zeer interessant artikel wezen.

Het behandelt een engelsch werk, waarin oude papieren en bescheiden zijn herdrukt, betrekking hebbende op een landbouwkolonie in de buurt van Nieuw-Amsterdam, het latere New-York. Na de oprichting der West-Indische Compagnie werden namelijk in het te kolonizeeren Noord-Amerika groote stukken land uitgegeven aan kapitalisten, die er een kolonie mochten stichten en er bestuursrechten mochten uitoefenen. Over de jaren 1630 tot 1643 nu loopen de thans uitgegeven papieren, de »Rensselaer Bowier manuscripts”, betrekking hebbend op de kolonie Rensselaerswyck, waarvan de amsterdamsche juwelier Kiliaen van Rensselaer, wonend aan de Keizersgracht tusschen Harte- en Wolvenstraat, »Patroon« was, zooals de landondernemers werden genoemd.

De ondernemer is nooit in zijn kolonie geweest, maar bestuurde van uit Amsterdam het geheel met angstvallige zorg, alles tot in kleinigheden regelend. Tot de kolonisten behoorden menschen van allerlei nationaliteit. Zoo waren in de eerste groep twee Noren, een Zweed, twee Nijkerkers, twee Soestenaars en een Amersfoorter; het volgend jaar gingen drie Noren, een Deen, een Pommeraan, twee Zeeuwen, een Fries en een Gelderschman.

Als vertegenwoordiger van den Patroon trad er op Arent van Corlaer, diens neef, die eerst heen ging als achttienjarig assistent van den vertegenwoordiger. Aardig is het, te lezen, dat die Arent zich zoo gezien maakte bij de Indianen, dat aan zijn geslachtsnaam dezelfde eer te beurt viel als aan Caesar, naar wien alle keizers zich noemen, want langen tijd werden alle gouverneurs van New-York door de Indianen met den titel »Corlaer« aangeduid. De documenten zijn in het Engelsch uitgegeven door den heer A. J. F. van Laer, delftsch ingenieur, thans oudheidkundige en archivaris aan de New-Yorksche Staatsbibliotheek. Deze hoorde er van in 1902, toen de schrijfster Ruth Putnam erover schreef in een amerikaansch blad, »The Biographer«, waar ze meedeelde, dat er diefstal was gepleegd met de belangrijke historische papieren.

Het is wel opmerkelijk, dat die schrijfster, die zoo goed onze historie kent, ook hier de helpende hand heeft geboden, want door haar bericht kwam de heer Van Laer de documenten op het spoor, die door misbruik van vertrouwen in verkeerde handen geraakt waren. Ze hadden te voren reeds een punt van onderzoek uitgemaakt voor onzen amsterdamschen archivaris Nicolaas de Roever, wien ze ter hand waren gesteld door den vice-admiraal, jhr. M. W. van Rensselaer-Bowier, wiens moeder als laatste nederlandsche van Rensselaer ze bezat. In »Oud-Holland« heeft de heer de Roever er nog de aandacht op gevestigd, maar andere werkzaamheden en zijn spoedig daarop gevolgde dood verhinderden de voltooiing van den arbeid.

Dat ze nu uitgegeven zijn, die copieën van brieven, contracten en andere op de kolonie Rensselaerswyck betrekking hebbende stukken, maakt het ons mogelijk, een aardig kijkje te krijgen in het uit zeer bescheiden begin zich tot een bloeiende kolonie ontwikkelende stuk land, dat grooter was dan de provincie Drente en zich langs de Hudson uitstrekte 45 kilometer ver, van New-York zoo ver verwijderd als Keulen van Rotterdam; een vruchtbaar, waterrijk land van bosschen en heuvels met een vreedzame inlandsche bevolking.

Omtrent de verhouding van de Patroons tot de Compagnie, van wie ze oorspronkelijk de gelegenheid hadden gekregen, om geld in landbouwondernemingen te steken, geven de documenten velerlei wetenswaardigs, waarop de heer Tutein Nolthenius niet nalaat de aandacht te vestigen, evenals op de latere historie der kolonie, die eindigde met den overgang van het land in engelsche handen tijdens het patroonschap van een der zoons van Kiliaen, Jeremias van Rensselaer.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings