← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

Spitsbergen.

Reading edition

Spitsbergen wordt bepaald een toeristenland, zoo sterk neemt jaar op jaar in den zomer het aantal bezoekers toe, die het vermaak der wintergenoegens daar in den zomer komen zoeken. Er worden bovendien zelfs in den winter jachtexpedities heen ondernomen, die te water en te land de pelsdieren achtervolgen, en daar men het ook ernstig gaat meenen met den bergbouw, waar reeds een begin mee is gemaakt, wordt het langzamerhand zeer wenschelijk, dat er een regeling plaats vinde van de volkenrechtelijke positie der tot nu toe niet aan eenige mogendheid toebehoorende eilandengroep.

Noorwegen heeft al bij sommige gelegenheden bij de andere mogendheden daar een balletje van opgeworpen, want dat land stelt veel belang in de toestanden, die op Spitsbergen heerschen, daar het grootste deel der industriëele ondernemingen van jacht, vischvangst en bergbouw wordt uitgeoefend door onderdanen van het jonge koninkrijk Noorwegen. Ook door zijn ligging schijnt Noorwegen in de eerste plaats geroepen, het oppertoezicht op Spitsbergen uit te oefenen, hoewel het land zich tot nu toe van alle mogendheden de minste opofferingen heeft getroost voor het onderzoek der groep, maar wel de resultaten van het werk der anderen, vooral van Zweden, zich heeft ten nutte gemaakt.

Door Zweden is dan ook ernstig bezwaar gemaakt tegen de opperhoogheid van Noorwegen over den Spitsbergen-archipel, en dus is het te verwachten, dat op de aanstaande conferentie van de bij Spitsbergen belang hebbende mogendheden Noorwegen slechts met het politietoezicht zal worden belast.

Het zou wel wenschelijk wezen, als dan meteen door de aanstaande conferentie een andere vraag wordt opgeworpen, die voor alle wetenschappelijke poolexpedities van groote beteekenis is. Men moest namelijk aan de conferentie de gelegenheid geven, aan het doelloos slachten van het wild door jachtexpedities in arctische streken een eind te maken. Aan zulk een moord in massa is waarschijnlijk het verongelukken van Dr. Mylius Erichsen en zijn beide tochtgenooten toe te schrijven, toen ze in Oost-Groenland waren, daar in die buurt door engelsche en amerikaansche jachtgezelschappen in de laatste jaren de walrussen en de muskusossen zoo sterk verminderd zijn, dat de Deensche expeditie onmogelijk genoeg hondenvoer kon krijgen.

In Augustus van het jaar 1908 is een engelsche jachtonderneming van den bekenden sportliefhebber C. V. H. Peel, waaraan ook enkele duitsche jagers deelnamen, van Frans-Jozefsland teruggekeerd, waar ze in weinige dagen niet minder dan 20 ijsberen, 39 zeehonden en een groot aantal poolvossen hadden neergelegd. Het onderzoek van het onbekende Noorden heeft bij zulke slachtingen al even weinig belang als de natuurwetenschap.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings