← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

De Sarasins op Ceylon.

Reading edition

Voor diegenen, die belang stellen in onze Oost en meer bepaald in het eiland Celebes, zijn de namen van de beide neven Paul en Fritz Sarasin geen onbekenden. Die beide Zwitsers uit Bazel hebben zes groote reizen door het eiland gedaan op eigen kosten, en aan hen hebben de Nederlanders groote verplichtingen voor de kennis van Celebes, zoowel uit aardrijkskundig als uit zoölogisch en botanisch oogpunt.

Voordat ze de Celebes-tochten ondernamen, die in 1893 begonnen en waarvan de laatste in 1902 plaats had, had hun weg hen reeds naar Ceylon geleid, waar ze veel onderzoekingen deden o.a. over het oude volk der Wedda’s, waarvan nog enkele overblijfselen op het mooie engelsche eiland voorkomen. Zooals ze over Ceylon een groot werk in drie deelen in het licht gaven, zoo deden ze dat ook over Celebes; maar weinig dachten ze, toen ze dat laatste voltooiden, dat het nog zou worden gevolgd door een aanvullingsdeel, dat toegevoegd zou worden aan hun Ceylon-arbeid.

Het gevondene op Celebes staat in direct verband met de verschijning dezer dagen van »Ergebnisse naturwissenschaftlicher Forschungen auf Ceylon,« namelijk van een vierde deel, aan het werk toegevoegd onder den titel »Die Steinzeit auf Ceylon,« Wiesbaden, Kreidel’s Verlag. Toen ze toch bij het volk der Toala’s op Zuid-Celebes bewijzen vonden voor het bestaan van een steentijdperk, dat dit volk moest hebben doorgemaakt, trof het hen, hoezeer het voor de hand lag, dat dan ook de Wedda’s van Ceylon zulk een periode in hun ontwikkeling moesten hebben gekend, daar de duidelijke sporen van hun onderlinge verwantschap aanwezig waren.

Een hol in het Nilgalagebied.
Een hol in het Nilgalagebied.

Een hol in het Nilgalagebied.

Nu hadden ze reeds in 1885 bij gelegenheid van hun vele tochten door het laagland van Ceylon hun aandacht aan de daar aanwezige holen geschonken, maar de sporen van een voorhistorische bevolking waren niet als zoodanig door hen herkend. Dat was voor een deel, doordat het onderzoek toen niet stelselmatig genoeg plaats had, en ook doordat het hun aan ervaring ontbrak en ze, verwachtend de steenen bijlen en messen te vinden, als hun uit Europa’s steentijd bekend waren, niet genoeg aandacht schonken aan de eigenaardige steenen instrumenten, welke de Wedda’s in hun oerperiode moeten hebben gebruikt.

Een hernieuwd onderzoek, verleden jaar ingesteld, heeft hun de bewijzen gegeven voor het bestaan van een steentijdperk der Wedda’s, voor hun autochthonie op Ceylon, zoodat nu wel niet weer de bewering zal opduiken in de litteratuur, dat de Wedda’s resten zouden zijn van een indisch kultuurvolk, namelijk van de Singhaleezen, een bewering, die de Sarasins ook reeds in hun vroeger verschenen werk over het eiland hadden bestreden met kracht van velerlei argumenten. In het Nilgalagebied in het oostelijke laagland van Ceylon hebben de reizigers vondsten gedaan in holen, waardoor onmiskenbaar gebleken is, dat de oude bewoners van die streek zich bedienden van steenen gereedschap, messen, priemen en schrappers, zelfs kleine steenen hamertjes, waarmee splinters van de groote steenen werden afgeslagen.

Het tevoren gedane onderzoek van de grotten der Toala’s in Lamontjong op Celebes had hun oogen voor de beteekenis van die voorwerpen geopend. Ze lagen onder de aarde, waarin de overblijfselen uit den singhaleeschen tijd werden aangetroffen. Door de ontdekking van een vóórsinghalesische steenperiode hebben zij dus uitgemaakt, dat de Wedda’s geen Singhaleezen waren, maar een autochthoon volk, want in de holen van het Weddaland werden de bedoelde voorwerpen gevonden.

Zij zijn op tien groote en prachtig uitgevoerde platen opgenomen in het nu verschenen werk, dat het onderzoek en zijn uitkomsten in het algemeen beschrijft, dan de kunstvoorwerpen van been, schelp en hout en de overblijfselen van dieren planten en menschen.

Als men leest, dat de voorwerpen in holen werden ontdekt, dan moet men daarbij niet denken aan diep in de aarde verscholen schuilplaatsen. Daar op Ceylon de kalksteenformatie ontbreekt, vindt men er niet de stevige, in de diepte voerende holen, die eigen zijn aan die steensoort. De juiste benaming voor die vindplaatsen in het ceylonsche gneissgebied zou eigenlijk moeten zijn afdaken, »abris sous roche.« Rotshuizen of galgé is de inlandsche naam, van gala, dat is steen of rots, en gé, dat beteekent hut of huis. Die rotshuizen ontstaan, doordat van de bergen neergekomen gneissplaten en gneissblokken zoo op den grond liggen, dat een naar achteren met een hoek toeloopend afdak ontstaat, of wel doordat twee zulke blokken van boven naar elkander overbuigen, waardoor een tentachtige ruimte in het leven wordt geroepen; door erosie en verweering van het gneiss kunnen natuurlijk ook zulke bewoonbare ruimten zijn ontstaan. Zulke schuilplaatsen zijn er op Ceylon in zeer groot aantal, sommige geworden tot groote, veel meters hooge, breede en diepe koepels. Het lag voor de hand, daar naar resten uit vroegere tijdperken te zoeken, daar ook nog tegenwoordig de Wedda’s dikwijls van die natuurlijke rotshuizen gebruik maken.

Rotshuis of galgé van Natragan op Ceylon.
Rotshuis of galgé van Natragan op Ceylon.

Rotshuis of galgé van Natragan op Ceylon.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings