← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

IJsbergen.

Reading edition

Er is niets gezonders en bekoorlijkers dan een oceaanreis van New-York naar Europa in den zomer, vooral als men een boot treft, die niet al te veel haast maakt, zoodat de longen van stadsmenschen de volkomen stofvrije, geurige zeelucht lang kunnen genieten, en de al evenzeer mishandelde zenuwen van de stedelingen kalmer, al kalmer kunnen worden. De lucht, de eenzaamheid en de stilte op zee, de vroolijke gezichten der medereizigers werken als krachtige geneesmiddelen. Het is merkwaardig, hoe snel men indommelt, als men languit in zijn dekstoel ligt, in gesprek met den buurman of de buurvrouw, of in gezelschap van een boek uit de scheepsbibliotheek of enkel kijkend naar de bewegelijkheid der zee, die bij mooi weer zoo glad en stil is als een dorpsvijver. Daarbij het gedempte, uit de diepte omhoog klinkende, doffe, gelijkmatige stampen der geweldige machines, rom di bom; rom di bom; rom di bom. Eer men het merkt, is men ingeslapen.

Veel menschen, de geblaseerden, vinden dat schrikkelijk vervelend; vooral de nerveuse Yankee komt in opstand tegen dit idyllische leven aan boord, dat hem dwingt, zijn geliefden galop door het leven een oogenblik te staken en daarvoor in de plaats rustig op het promenadedek heen en weer te loopen of zelfs wel stil te zitten. Hij kan met den besten wil niet tot draven komen; hoogstens kan hij shuttle-board op het dek spelen, een soort van kegelen met vlakke houten schijven, die de speler met lange stangen schuift in een met krijt op het dek geteekend vierkant, dat in kleine, van getallen voorziene velden is ingedeeld. Elken morgen teekent met jobsgeduld de scheepsjongen dat vierkant op het dek. Of de reiziger kan touwen ringen op een houten spies werpen, of kaart spelen in den rooksalon, of dam en domino, of brieven schrijven of pianospelen in de eetzaal. Meer kan hij echter met den besten wil niet doen.

De mensch met nog niet geheel zieke zenuwen krijgt door die eentonigheid juist den indruk van de bekoorlijkheid der vaart. Alleen het marconitoestel boven op het bootendek, gewoonlijk in de buurt van het officiershuisje, levert een klein beetje zenuwprikkeling voor een wereldstedeling. Daarom krabbelt hij ook al gauw tegen de steile scheepstrappen op, om zich door een beambte in de geheimen van het Marconisysteem te laten inwijden. Veel beteekent het nieuws meestal niet; het is dan bij voorbeeld, zooals een schrijver in de Gartenlaube dezer dagen schreef; »Wij staan in verbinding met de Lusitania van de Cunardlijn!” of: »De Keizer Wilhelm is binnen bereik op de vaart naar New-York. Aan boord alles wel. Van avond om zeven uur komt het schip voorbij, waarschijnlijk zeer dichtbij aan bakboord!” of: »De Baltic van de White Starlijn raadt voorzichtigheid aan, want een groote ijsberg drijft naar het Zuiden, van New-Foundland komend!”

Sapperloot, dat is nog eens iets; God zij dank, daarover kan men nog eens in opgewondenheid geraken! Vooral als de reiziger nog nooit zulk een monsterding heeft gezien. Maar of de ijsberg wel echt zal komen? Den volgenden morgen loopt de reiziger zenuwachtig aan bakboord rond en wacht op den ijsberg. Met den kijker zoekt hij geduldig aan den horizon. Maar hij ziet niets. Den tweeden officier houdt hij vast en zou van hem willen weten, of hij den ijsberg nog niet heeft gezien.

IJsberg, op een pantserschip gelijkend.
IJsberg, op een pantserschip gelijkend.

IJsberg, op een pantserschip gelijkend.

»Zeker, daarginds is hij immers!” Maar de stedeling met de zwakke stadsoogen kan hem niet vinden. Eindelijk heeft hij hem met de hulp van den officier gesnapt, juist toen het concert van de muziekvrienden op het dek begint. Anders is dat een genoegen voor hem, maar thans heeft hij enkel oog en zin voor den ijsberg. Snel komt het gevaarte naderbij. Vooreerst is de ijsberg niets bijzonders, eenvoudig iets wits, op een wolk gelijkend. Maar dan wordt het duidelijker, en na een geruimen tijd is hij dichtbij, een echte, drijvende berg van ijs. Hij verheft zich in stralende kleuren, helder wit of heldergroen in de zon, zachtblauw in de schaduw, op het groenachtig blauwe water, afstekend tegen den blauwen hemel, en hij fonkelt en glinstert in het licht, alsof hij met diamanten bezet was. Als een machtige koning van de zee ziet hij eruit, gehuld in met edelsteenen bezetten grootschen hermelijnen mantel. En vol majesteit als een koning beweegt hij zich.

Alle passagiers genieten van het heerlijke schouwspel onder uitroepen van bewondering. Mooi en vreedzaam tegelijk doet hij zich voor, en de gedachte heeft bijna iets melancholieks, dat zijn rijk zoo vergankelijk is. Spoedig zal hij op zijn tocht naar het Zuiden in den warmen Golfstroom aanlanden, en daar zal hij smelten en zich in water oplossen. Men kan zich daar eigenlijk niet over bedroeven, want zoo heel ongevaarlijk is hij niet. In donker of in den nevel kan hij gruwelijke onheilen aanrichten, als hij niet tijdig wordt bemerkt en met een stoomboot in botsing komt. Verscheiden van de groote transatlantische stoomers zijn aan zulke botsingen ternauwernood ontkomen. Het monster zou het grootste schip als een noot kraken. Wie weet, hoeveel rampen ter zee, die nooit opgelost werden, aan ijsbergen moeten worden toegeschreven!

En het gevaar is niet alleen bij botsingen te zoeken. De kapiteins weten zeer nauwkeurig, dat maar ongeveer een negende van een ijsberg boven water uitsteekt. Het andere deel strekt zich ver onder water uit, vaak vrij vlak als een ijsveld. Dan kan het de stoomboot overkomen, dat ze op dit onzichtbare veld vast komt te zitten, of zich een gat in den romp boort. Zelfs bij helder weer en op klaarlichten dag maakt een voorzichtige kapitein een grooten boog om den ijsberg heen, al ziet die er ook nog zoo onschuldig uit. Hij weet buitendien, dat er in den berg, vooral onder water, voortdurend veranderingen plaats hebben, en dat de gevaarten ook de neiging hebben, plotseling om te wippen en om zoo te zeggen, op hun hoofd te gaan staan, als het onderstel te licht is geworden.

Waar komen de ijsbergen vandaan? Natuurlijk uit de streken van het eeuwige ijs, van Groenland en de Noordpool. Het zijn immers niet anders dan geweldige brokken, die van een arctischen gletscher zijn afgebroken. Het moet een prachtig en indrukwekkend schouwspel zijn, als zulk een reuzenkind van ijs zich losscheurt van de gletschermoeder. Gewoonlijk drijven de ijsbergen in een zeer bepaalde richting met vasten koers; eerst gaan ze met den Labradorstroom langs de kust en langs New-Foundland, om dan verder zuidwaarts te gaan. Dikwijls stranden ze als schepen in de buurt van St.-John op New-Foundland; dat kost dan aan duizenden visschen het leven, die verpletterd worden door de massa onder water en later naar de oppervlakte drijven. Vaak ook blokkeeren de ijsbergen de haven van St.-John of komen er binnen.

Omvang en vorm van de ijsbergen zijn zeer verschillend; er zijn er, die aan kerken, andere die aan oorlogsschepen herinneren of aan heusche gebergten. Die, welke een reiziger in den Atlantischen Oceaan kans heeft, tegen te komen, zijn meestal tafelvormig met vrij rechte wanden, ongeveer als reuzenblokken marmer. Van gestrande ijsbergen heeft men wel eens den inhoud berekend, en komt dan tot cijfers van millioenen tonnen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings