← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

In Indië naar de Middeleeuwen verplaatst.

Reading edition

Engeland is nu vijftig jaar lang de rechtmatige bezitter van Voor-Indië; een halve eeuw geleden deed de machtige engelsche oost-indische Compagnie afstand van haar rechten ten behoeve der britsche regeering. Hoewel de officiëele engelsch-indische wereld den gewichtigen datum plechtig heeft gevierd, kan men niet zeggen, dat overal de herdenking naar wensch is afgeloopen, want de bengaalsche oproerlingen hebben den dag op hun manier herdacht, namelijk door ambtenaren te dooden of hun huizen met dynamiet te doen springen en door openbare tegen Engeland gerichte betoogingen.

Met zijn 300 millioen inwoners, onder wie 700 verschillende talen en dialecten worden gesproken en die een twintigtal onderscheiden godsdiensten belijden, blijft Indië steeds voor den volkenkundige en den philosofisch aangelegde het voorwerp van boeiende studie. Het is een wereld op zichzelf, en men kan er de stadia aantreffen van velerlei beschavingen, liggend tusschen de beide uitersten, de wildheid van de Karoemba’s uit de Nilgiribergen, die nog in het steentijdperk leven, en het hof van den ghikwar van Baroda, den souverein, die zijn juweelen verpandt, om de scholen voor hooger onderwijs, die hij in het leven heeft geroepen, in stand te houden.

Het geleide van den Sindhia van Gwalior.
Het geleide van den Sindhia van Gwalior.

Het geleide van den Sindhia van Gwalior.

Het vorstendom Gwalior is een der tusschenliggende schakels. Het is een der voornaamste leenstaten, die nog een schijn van onafhankelijkheid genieten. De bevolking is bijna drie millioen zielen sterk en bestaat zoo goed als uitsluitend uit dat oorlogszuchtige ras van de Mahratten, dat zegevierend streed tegen de mohammedaansche overheersching en een machtig rijk stichtte in het midden en het Zuiden van het schiereiland. Het zou inderdaad te zijnen voordeele het rijk van den Grooten Mogol weer hebben doen herleven, als niet Engeland met succes de verovering van geheel Indië had ondernomen.

De regeerende maharadja, de Sindhia van Gwalior, werd in 1877 geboren. Zijn vader maakte met de Engelschen gemeene zaak bij den opstand der Cipayers en werkte mee aan de volledige neerlaag van Nana Sahib, den dapperen Mahrat. De jonge vorst was even Engelschgezind als zijn vader en werd ter belooning voor zijn beproefd royalisme gemachtigd, om een legercorps van 4000 man onder de wapens te houden, die naar europeeschen trant zouden worden gedrild en deel zouden uitmaken van het inlandsche leger, de »Imperial Service Troops«. Het contingent van Gwalior is daarin het sterkste.

Buitendien recruteert de Sindhia onder zijn adel een klein legertje, zooals alle leenvorsten bezitten, dat enkel dient, om het prestige van het hof te vergrooten. Engeland zorgt er wel voor, dat die schimmen van legers niet meer worden dan paradetroepen; ze mogen geen kanonnen hebben, zelfs geen moderne geweren, en nauwelijks jachtwapens.

Maar wat die inlandsche legers in kracht en geoefendheid missen, dat winnen ze aan schoonheid en schilderachtigheid. Toeristen, die zich in Gwalior hebben opgehouden, nemen er een onvergetelijken indruk van mee, vooral als hun bezoek samenvalt met een tijdstip van feesten, als de Sindhia, wiens paleis een paar uur van de stad is verwijderd, zich erheen begeeft met groote staatsie, gezeten op een reusachtigen, prachtig opgetuigden olifant, onder geleide van gewapende krijgers en gevolgd door een rijke koets, waarin de familie en de gasten zijn gezeten.

Als die enorme dikhuiden geen deel hadden in de vertooning, zou men zich in de Middeleeuwen verplaatst kunnen wanen, den tijd der Kruistochten! De weelderig gedrapeerde krijgslieden in hun met juweelen en diamanten versierde mantels, die voetknechten in ijzeren wapenrusting of in maliënkolders, dat zijn de Middeleeuwen, overgebracht in de twintigste eeuw. Een historieschilder zou daar zijn motieven kunnen gaan zoeken.

Maar hij moet zich haasten, als hij nog tijdig in Gwalior wil werken. Dat oude Indië is ook al bezig te verdwijnen. De radja’s der jongere generaties worden in Engeland opgevoed en ze stellen er een eer in, up to date te wezen, zich zelfs ultra modern te toonen, en zoo deinzen ze er niet voor terug, hun heerlijke perzische en arabische hengsten te verkoopen, en hun stallen te veranderen in garages voor auto’s! En zoowel uit spaarzaamheid, als uit navolgingszucht vervangen ze de prachtige costumes van hun lijfwacht door het banale kaki van de troepen uit Calcutta.

In hun gevolg ziet men dan geen rijk opgetuigde olifanten meer met harnachementen vol goudborduursel en met banden van kostbare steenen om de kolossale pooten! Dat is alles ouderwetsch, vieux jeu! De radja uit de 20ste eeuw geeft de voorkeur aan het nieuwste model van 24 P. K.!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings