Hohenfinow en de Von Bethmann-Hollwegs.
Reading edition
In de mark Brandenburg niet ver van Potsdam ligt het landgoed van den nieuwen rijkskanselier, Theobald von Bethmann-Hollweg. Daar is het kasteel Hohenfinow, dat voor den hoogen ambtenaar is wat Varzin en Friedrichsruhe waren voor den eersten en wat Klein Flottbeck was voor den vierden kanselier, de plaats, waar ze hun staatszorgen kunnen vergeten. Evenals Bismarck en Bülow heeft ook Von Bethmann-Hollweg een echtgenoote naast zich, die de plichten van gastvrijheid en aangename huiselijkheid weet te vereenigen. Mevrouw de rijkskanselier, geboren Von Pfuel, zal daarin niet bij Bismarck’s Johanna, noch bij de vriendelijke mevrouw van Bülow achterstaan. Het mooie huis Hohenfinow met de ruime, statige vertrekken, de stallen en de renbaan is aan de Bethmanns gekomen, toen zijn vader, Felix van Bethmann-Hollweg in het huwelijk trad met Isabella von Rougemont, de eigenares van het landgoed.

Het kasteel Hohenfinow.
De oudere zoon van den grootvader van den kanselier, Theodor, was heer van Runowo en trouwde gravin Freda von Arnim-Boitzenburg. Maar oom en vader hebben niet de hooge plaats ingenomen, die den grootvader te beurt viel, die minister was, de koninklijk pruisische cultusminister, Moritz August von Bethmann-Hollweg. Hij is de eerste, die aan den naam Bethmann dien van Hollweg toevoegt. Hij heette eigenlijk August Hollweg, en zijn vader was een zwager van den keizerlijken staatsraad Simon Moritz von Bethmann, die hem na den dood van zijn vader opvoedde, in Göttingen liet studeeren en voor den begaafden jongen man het pad naar de hooge staatsambten effende.
Die keizerlijke staatsraad Simon Moritz was in zijn tijd een man van groote beteekenis. Hij stond in vriendschappelijke betrekking tot Alexander von Humboldt en Madame de Staël; het is bekend, dat vorst Metternich hem schreef als »Mon cher Bethmann« en de beroemde Ariadne van Dannecker werd zijn eigendom. Die ietwat ongelijksoortige bewijzen van aanzien stonden in verband met den invloed van het bekende bankiershuis der gebroeders Bethmann, dat in de achttiende eeuw een wereldberoemdheid genoot.
In 1416 wordt er al een Bethmann in Goslar genoemd, en in de zestiende eeuw komen er raadsheeren en kooplieden in de familie voor. Over het geheel is de familiegeschiedenis een interessant voorbeeld van een geslacht, waarin adel en burgerij, grondbezit, handel en kapitaalbezit als het ware hebben samengewerkt tot het vormen van hoogstaande en hoogontwikkelde menschen, die telkens weer hun eigen tijd eer aandoen.