← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

Een uitstapje naar de diamantvelden bij Lüderitzbucht.

Reading edition

Lüderitzbucht in Duitsch Zuidwest-Afrika lag nog in diepen slaap, toen om zes uur in den morgen de duitsche dokter B. Meltzer zich in de eerste grauwe morgenschemering naar buiten begaf. Hij had het plan een bezoek te brengen aan de diamantvelden. Er was volkomen stilte in de lucht, want de wind steekt nooit vóór even voor den middag op, en alleen van de baai af klonk het eentonige ruischen der nimmermoede branding.

Bij de “Schürftafel”.
Bij de “Schürftafel”.

Bij de “Schürftafel”.

De huizen van één verdieping in het plaatsje steken vreemd af tegen het blauw-groen van de lucht, waar een flauw licht in het Oosten de plaats der opgaande zon verraadt. De schreden van den dokter knarsten in het diepe zand, toen hij het station naderde, als men een loodsje met bedekking van gegolfd plaatijzer zoo mag noemen. Daar heerschte al veel levendigheid; men hoorde het fluiten en stoomen van een rangeerende locomotief, het geluid der tegen elkaar stootende buffers en het roepen der remmers. Op het perron zijn reeds de deelnemers aan den tocht bijeen; er worden begroetingen gewisseld, lachend en schertsend wenscht men elkander een goede vondst, waarna de trein komt en men in de compartimenten klautert.

Thans bemerkt men weer recht, in Afrika te zijn, want ofschoon de trein, die de eenige is voor den geheelen dag, voor de reis naar Keetmanshoop twee dagreizen noodig heeft, heeft men geen kussens in de wagens, of rijtuigen, waarin men zich eens vertreden kan en van restauratiewagens is natuurlijk in het geheel geen sprake. Twee kleine goederenwagens moeten voor alles dienen. De helft van zoo’n wagen heeft een rondloopende bank; de andere helft is voor de bagage bestemd. Een balk dwars voor de opengeschoven deuren aan elken kant moet beletten, dat de reizigers uit den wagen vallen, voilà tout.

Menschen, die wat ervaring in zake reizen hebben, nemen een vouwstoel mee of laten zich, als er plaats is, een bed opslaan in een der echte goederenwagens, waardoor ze voor weinig geld een eigen salonwagen hebben. Wat wil men meer! Veel vijven en zessen heeft men daarginds niet, en van eenige voogdijschap, door het treinpersoneel over de passagiers uitgeoefend, zooals in Europa, is daar geen sprake. Ieder richt zich zoo gemakkelijk mogelijk in, en of hij 25 of 100 kilo bagage heeft, dat doet er niets toe.

Terwijl de trein in wijde bochten de aanzienlijke stijgingen overwint, heeft de dokter tijd, om, met den kraag in de hoogte en stevig gehuld in zijn mantel, want het is koud op de hoogte, zijn medereizigers op te nemen. Het zijn meestal jonge, krachtig gebouwde menschen, gekleed zooals het doelmatigst is bij het rijden over klippen en door doornig struikgewas, een breed geranden, slappen hoed, een grijs of bruin pak van een touwachtige stof, rijbroek en rijlaarzen, en in de hand de onvermijdelijke zweep van nijlpaardeleer. Er was ook een dame bij het gezelschap. Tegenover haar zat een jonge Boerenvrouw met haar man, die naar hun farm teruggaan. Daar ze door een lid van het zendinggenootschap aan den trein werden gebracht, is het waarschijnlijk, dat ze den vorigen dag, een Zondag, hebben gebruikt, om den eeredienst bij te wonen.

Het doorzoeken der diamanthoudende aarde.
Het doorzoeken der diamanthoudende aarde.

Het doorzoeken der diamanthoudende aarde.

Intusschen is de zon opgegaan en plotseling wordt het warm. De trein is al aardig hoog geklommen en rijdt nu tusschen woeste klippen, waartusschen door men met springstoffen voor den weg plaats heeft moeten maken. Het zuidwestafrikaansche kustlandschap heeft het eigenaardige, dat de heuvelketens achter elkaar liggen en dat het de reizigers vermoeit, telkens weer nieuwe heuvels te zien verrijzen, die alle op elkander gelijken. Zoo gaat het 150 kilometer ver, tot op het hooge plateau, waar boomen en grassteppen zijn.

Het reisgezelschap naar de diamantvelden moest te Kolmans Kop uitstappen bij een loods van gegolfd plaatijzer. De grond is daar reeds diamanthoudend. Een reusachtige vlakte strekte zich aan weerskanten van den spoorweg uit, heel in de verte door klippen afgesloten. Men liep over een vrij vasten bodem, want in den nacht was er dauw gevallen, waardoor de bovenste laag van het grofkorrelige zand vochtig was. Tusschen het zand flikkert het van miniem kleine stukjes diamant, zoo klein, dat men ze niet kan aanvatten. De bovenste lagen van dit zand bestaan voor het grootste gedeelte uit edele steentjes, niet grooter dan een speldeknop, topazen, granaten en andere, die in den loop der jaren door het erdoor gevoerde fijne stof tot hun tegenwoordige kleinheid zijn afgeslepen. In deze vlakte vindt men diamanten reeds een duim onder de oppervlakte; als men het zand door de hand laat vloeien, herkent men terstond het glinsteren van het kostbare gesteente.

Hoe het er dieper in den grond uitziet, wie weet het! Een rationeele boring wordt thans beproefd op enkele aan de spoorwegmaatschappij behoorende gedeelten; maar men kan niets zekers vernemen over de resultaten.

Arbeiderskamp.
Arbeiderskamp.

Arbeiderskamp.

Het gezelschap verspreidde zich, omdat ieder op een hem of haar goed lijkende plaats ging zoeken, terwijl de dokter met twee metgezellen verder ging, om een paal en bord in den grond te slaan, waar ze wilden prospecteeren. Tegen betaling van 63 mark krijgt men namelijk van de Kolonialgesellschaft het recht, zich een kring van twee kilometer middellijn uit te zoeken, waar men dan, na opstelling van een aanwijzing, de zoogenaamde Schürftafel, mag zoeken naar diamanten voor den duur van een halfjaar. Blijken de gekozen plaatsen voordeelig, dan moet men voor het exploiteeren van een veld van vijftig vierkante meter 216 mark betalen. Als zij wil, kan echter de maatschappij in plaats van die som ook wel 2.25 procent eischen van de bruto opbrengst per jaar.

De onderneming is niet zoo heel eenvoudig. Daar namelijk de plaats van den paal minstens twee kilometer van dien van een buurman verwijderd moet zijn, moet er geducht opgepast, om een reeds geschonken claim niet over het hoofd te zien. De dokter met de twee gezellen verspreidden zich met een afstand van ongeveer 1 tot 1½ kilometer en gingen exploreeren. Van tijd tot tijd werd de omgeving eens met den kijker afgezocht; reeds meende men een geschikte plaats te hebben ontdekt, daar verkondigt een nauwelijks zichtbare witte vlek ter halver hoogte op een klip, dat ze reeds over vreemden grond liepen. Dus maar weer verder.

Het werd warmer en warmer, en de mantels, de proviand-tasschen en de paal met bord begonnen zwaar te drukken op de vermoeide leden. Maar ze wilden niet rusten, eer ten minste de helft van hun taak was afgeloopen. Daar is weer een veelbelovend dal met grof, blinkend kiezel en blauwgrijze grond, maar ook al weer in de verte de paal en het bord! Terwijl het drietal aan het beraadslagen was, of ze deze of wel die richting zouden inslaan, bemerkten ze in een laagte achter een paar rotsblokken een tent. Spoedig was men ter plaatse. Het waren drie Amerikanen, geoefende prospectors, die al in de Kaapkolonie hun knapheid hebben getoond, en die nu in opdracht van een grondbezitter uit Lüderitzbucht diens grond onderzochten.

De manier, waarop men daarbij te werk gaat, is hoogst eenvoudig; met een houweel wordt de grond losgemaakt, in een groote zeef wordt die van het fijne zand en stof bevrijd, dan doorgespoeld met water, dat per muildier uit Lüderitzbucht moet worden aangevoerd, en het grove kiezel wordt dan op een houten tafel doorzocht. De buit is nog niet bijzonder groot, ongeveer acht tot twaalf kleine diamanten per dag, dingetjes van de grootte eener erwt en van zeer verschillenden vorm en kleur. Enkele zoo regelmatig, alsof ze reeds geslepen waren, andere kantig en onregelmatig en nog weer andere schijnbaar van een grooteren diamant afgesprongen.

Op de vraag van den dokter kwam als antwoord, dat vóór hen alles al bezet was, en dat alleen aan den overkant van de klippenreeks nog kans bestond op niet bezette velden. Dus weer vooruit! Na drie kwartier van moeilijk klimmen was men aan de overzij, en daar was na zorgvuldig zoeken geen teeken van inbezitneming door anderen te zien. Vlug dus den eersten paal in den grond geslagen. Die staat er gelukkig. Een blik op het horloge, half elf, wat op het bord moet worden aangeteekend, zegt hun echter dadelijk, dat er maar een kwartiertje overschiet voor het ontbijt, als ze den trein nog willen halen.

Waar ze stonden, gingen ze languit op den grond liggen, rustten uit en versterkten zich met broodjes, een koude côtelet, hardgekookte eieren en een flesch Harzer Sauerbrunnen. Daarna werd de plek met de omgeving gephotografeerd, opdat geen ongeroepene den paal zou kunnen verzetten, en verder gaat het met veel lichter bagage langs de reeks klippen in een wijden boog weer naar het station.

Op den terugweg werden nog vier andere palen opgesteld. Toen de dokter bij den laatsten op mechanische wijze het zand tusschen de vingers liet doorvloeien, terwijl de anderen aan het photografeeren waren, blonk er plotseling hem iets in de oogen. Hij nam het blinkende voorwerp voorzichtig eruit en, hoera! het was een diamant. Als een flinke groote erwt, bijzonder regelmatig, deed de vondst zich voor en riep bij de begeleiders van den dokter kreten van bewondering op om de mooie heldere kleur. Dus hadden ze toch nog een vondst op dien dag! En daarna ging het met versnelden pas terug, want als ze den trein misten, moest er zeventien kilometer door het zand worden gebaggerd, en wat dat wil zeggen, weet alleen hij, die in Zuidwest-Afrika of aan het strand groote tochten te voet heeft gedaan.

De zon brandde, en de voeten zonken diep in het losse zand, dat kurkdroog was geworden. Eindelijk, eindelijk kwamen ze over een kleinen kam en zagen aan het eind der vóór hen liggende vlakte het kleine stationsgebouw, schijnbaar slechts tien minuten ver. Maar de lucht is in Zuid-Afrika zoo zuiver, dat men voortdurend de afstanden onderschat. Nog drie kwartier van moeilijk marcheeren door het zand was er noodig, eer de heeren het vurig verlangde doel bereikten. In de schaduw van het gebouwtje lagen reeds de anderen van het reisgezelschap. Onder de tien menschen werd de conversatie in niet minder dan drie verschillende talen gevoerd, Duitsch, Engelsch en Kaap-hollandsch. Er was dien dag niet veel gevonden in tegenstelling met den vorigen dag, toen bijna ieder deelnemer de een of andere mooie vondst had gedaan, eenige robijnen en een topaas, zoo groot als een hazelnoot. Den eenigen diamant had de dokter gevonden. Maar er waren in de voorafgegane weken in het geheel ongeveer 1200 diamanten buitgemaakt, en alles doet vermoeden, dat voor het Zuiden van de kolonie Duitsch Zuidwest-Afrika een nieuwe bron van inkomsten is gevonden. Mocht de wensch van dokter Meltzer vervuld worden, dat men met behulp der regeering tot een rationeele exploitatie overging!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings