← Table of contents
Op den Uitkijk, Jaargang 1909

De wandaden der tijgers in Hindostan.

Reading edition

Gedurende de eerste vier jaren van de twintigste eeuw hebben de tijgers in Voor-Indië niet minder dan vier duizend menschelijke wezens verslonden. Men vraagt zich af, hoe Engeland, dat er zich op verhoovaardigt, aan de andere volken het voorbeeld te geven in zake den vooruitgang, dat elk jaar weer nieuwe verbeteringen invoert in de wapens, waarvan de jagers op groot wild gebruik maken, dat bij uitnemendheid het land is van de sportmenschen, hoe Engeland er niet in is geslaagd, om zijn onderdanen in Voor-Indië te bevrijden van een verscheurend dier, dat Hindostan ieder jaar een schatting oplegt van duizend menschenlevens en van twintig duizend stuks vee.

De »Modern Review« van Calcutta zegt, dat het tijd wordt, om voor geen middel terug te deinzen, ten einde een roofdier uit te roeien, dat zooveel schade aanricht. Nooit was een oorlog op leven en dood tegen een diersoort gewettigder dan deze, als de tijger maar niet zoo sterk was en zoo slim, zoodat hij in den levensstrijd goed gewapend is.

In het Zuiden van Indië zijn tijgers van vier meter lengte geen zeldzaamheid en geloofwaardige getuigen verhalen, dat zoo’n dier met een vrij zware prooi in den bek met gemak over een twee meter hooge haag springt. En als zijn kracht en vlugheid hem nog niet genoeg beschermden, zou het dier in de jungles, het dichte struikgewas van Bengalen, overal een schuilplaats vinden. Ook in de provinciën van het midden zijn gedeelten, waar de stoutmoedigste jager niet kan doordringen. Op meer dan één plek van het schiereiland, zou men, wilde men de wilde dieren uitroeien, eerst het land moeten zuiveren van allen plantengroei. Maar het ontginnen van die reuzenterreinen, waarvan de verscheurende dieren bezit hebben genomen, zou nog niet voldoende wezen, om den tijger het lot te doen ondergaan, dat de wolf heeft ondergaan bij voorbeeld in Engeland.

Een uitroeiingsarbeid, die met een goeden uitslag is verricht in een matig uitgestrekt land, waar alle inwoners eenstemmig waren in den wensch het gevaarlijke dier te vervolgen, ontmoet bijna onoverkomelijke bezwaren over een onmetelijk terrein, waar de veroordeelde ook nog hier en daar kan rekenen op de onuitgesproken sympathie der bevolking. En dat is het geval met de tijgers uit Indië. De bengaalsche boer is er niet rouwig om, dat het groote roofdier een onweersprekelijken dienst bewijst aan den landbouw door het uitroeien van wilde zwijnen en herten. Het is waar, dat de helper zich soms verschrikkelijk duur voor zijn goede diensten laat betalen, want vroeg of spa komt er een tijd, dat de tijger in plaats van zich uitsluitend met groot wild te voeden, dat den oogst vernielt, jacht gaat maken op den mensch. Als hij eenmaal menschenvleesch heeft geproefd, schijnt hij er zeer verlekkerd op te wezen. Het calcutta’sche blad weet te vertellen van een tijger, die in Zuid-Indië tweehonderd menschen had verslonden en van een anderen in den Himalaya, die het er driehonderd had gedaan.

Hoe die smaak in menschenvleesch ontstaat, wordt door sommigen verklaard uit de omstandigheid, dat het dier, als het ouder wordt, minder vlug is en de herten niet meer kan snappen, terwijl anderen beweren, dat in tijden van buitengewone droogte de tijger, genoodzaakt, om al meer de vlakte te naderen, waar de menschen wonen, om er water te zoeken, gevaarlijker wordt, ook doordat hij uitgehongerd is. Maar hoe het ook zij, tegenover de vaststaande feiten, dat het aantal menschen, hetwelk hem ten offer valt, toenemende is, mag zeker de engelsche regeering wel al het mogelijke doen, om de bevolking in haar strijd tegen het gevaarlijke roofdier te helpen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings