Hudson-Fultonviering en onze Halve Maan.
Reading edition
Het zijn mooie en interessante jubilea, die de Engelsch sprekende naties dit jaar zullen vieren. Engeland heeft in 1909 zijn Darwinjaar, waar de heele wereld belang in stelt en Amerika viert het driehonderdste gedenkjaar en tegelijk het honderdste van gebeurtenissen, die eveneens hebben geklonken door alle beschaafde landen van de aarde. In het najaar van 1909 zal in New-York het luisterrijke feest worden gevierd ter herdenking van twee gebeurtenissen: het opvaren van de later naar hem genoemde Hudson-rivier bij Manhattan-eiland, het tegenwoordige New-York, met het schip de Halve Maan, door Henry Hudson op 9 September 1609, en het opvaren van dezelfde rivier, tweehonderd jaren later, door Robert Fulton, voor het eerst met een door stoom gedreven scheepje.
Op den 8en Januari 1609 sloten »de Bewindhebberen van de Oost-Indische Compagnie, van de Camer van Amsterdam« een nog aanwezig contract, met last aan »Henry Hudson, Engelschman«, om, op een hem te verstrekken »scheepken of jacht« een doortocht naar China op te sporen ten Noordoosten, bij Nova-Zembla heen. Van dien last heeft Hudson zich, naar te begrijpen was, niet kunnen kwijten. Op 4 April 1609 te Amsterdam met »de Halve Maan« onder zeil gegaan en geen doortocht vindende, wendde hij echter zijn koers naar het Westen, en voer op 9 September daaraanvolgende bij Manhattaneiland, het tegenwoordige New-York, den stroom op, die naar hem de Hudson-rivier genoemd werd.

TYPE VAN HET SCHIP “DE HALVE MAAN”
uit een profiel van Amsterdam, waarschijnlijk door J. Saenredam gegraveerd en in 1606 bij Willem Janzn. (Blaeu) uitgegeven, naar het eenig bekende exemplaar in het Rijks Prentenkabinet.
Kennisneming van de plannen tot feestviering in de Vereenigde Staten deed hier te lande het plan ontstaan om aan deze feesten deel te nemen, en de commissie, die zich voor dit doel vormde, kwam tot het besluit, die deelneming te doen bestaan in het doen binnenzeilen in September 1909 in New-York’s haven van een nabootsing van de Halve Maan, het schip, waarmede Hudson op 4 April 1609 uit Amsterdam onder zeil ging.
Dat scheepje wordt thans te Amsterdam gebouwd. Het was half December geheel onder een kap gebracht, waardoor het mogelijk is, den bouw voort te zetten in den winter met zijn dreigende sneeuw en regen en te zorgen, dat het model in Mei a.s. gereed komt. Maar weet men precies, hoe die Halve Maan er uitzag? Neen, afbeeldingen zijn er niet van bekend, maar toch mocht het met behulp van deskundige voorlichting, historie-prenten en technische litteratuur, en vooral dank zij het bekende (zeer nauwkeurige) reis-journaal van Robert Juet, Hudson’s loods, gelukken de waarheid zeer nabij te komen. Blijkens de door Juet vermelde bijzonderheden betreffende de masten en de tuigage, de tonnenmaat en de afmetingen van het schip was de »Halve Maan« een driemaster van 40 last (80 ton). Aan den fokkemast voerde zij fok en voormarszeil, aan den grooten mast groot zeil en groote marszeil, en aan den bezaansmast een latijnsch zeil, bevestigd niet aan een ra, maar aan de bezaansroe. Bovendien was de boegspriet voorzien van een zoogenaamde blinde, een klein vierkant zeiltje.
Omtrent den diepgang kon uit Juet’s opgaven alleen worden vastgesteld dat die minder was dan 8½ en meer dan 5 voet en de afmetingen moeten hiermede in verhouding zijn geweest. Naar de meening van den heer C. G. ’t Hooft, directeur van het Museum Fodor hier ter stede (een der weinigen die zich hier te lande toeleggen op de studie van den oud-Hollandschen scheepsbouw, die herhaaldelijk over de reconstructie der »Halve Maan« geraadpleegd is, en met de heeren C. W. Moes, dr. A. Bredius, W. Martin en D. Hudig benoemd werd tot »Foreign correspondent councillor« van het groote Amerikaansche comité), waren de afmetingen 60×14×6 amsterdamsche voeten.
De indeeling van het schip leverde geene bijzondere moeilijkheden op, omdat er tal van bekende voorbeelden uit het begin der 17e eeuw zijn, en men trouwens de détails van de samenstelling van oude schepen uitvoerig vermeld vindt in het standaardwerk van Nicolaes Witsen (Amsterdam, 1671) genaamd: »Aeloude en Hedendaagsche Scheeps-Bouw en Bestier«. Opklimmend uit het ruim, waar o.m. het logies der manschap gelegen is, komt men eerst op de zoogenaamde »overloop«, dat is het benedendek, waar de kanonnen opgesteld waren en daarna op het bovendek, het verdek. Aan het eind hiervan worden gebouwd de hut van den schipper en de stuurlui, die boven de verschansing omhoog steekt en de achterzijde van het vaartuig, een hooge spiegel, in dien tijd smal naar boven toeloopend en eenvoudig versierd met allerlei wapens.
De weelderige pracht der latere spiegels kwam eerst in de Ruyter’s tijd, toen de schepen trouwens ook kolossaler van afmeting werden.
De boeg krijgt een spitsen vorm als die der galjoenen.
Eindelijk bestond de bewapening waarschijnlijk uit zes kanonnen (Juet maakt o.m. melding van een zoogenaamd »falconnet«, een klein kanon, waarmede kogels van twee pond of minder konden afgeschoten worden), en de bemanning mag veilig geschat worden op 18 tot 20 man.
Op dezen notedop dobberden Hudson en de zijnen rond in de Noordelijke IJszee en zag hij den tweeden September 1609 Sandyhook voor zich oprijzen. Dien namiddag ankerde hij in de buitenhaven; den 12den voer hij de rivier op; den 19den bereikte hij het meest Noordelijke punt, den 23sten keerde hij terug naar de monding van den stroom, en den 4den October vertrok hij weder naar het vaderland. Zoo zal het—naar bereids gemeld werd—ook bij de herdenking gaan, met dat verschil dat de data, op raad van het Meteorologisch Instituut te New-York, eenigszins gewijzigd zijn. (De feestweek zal duren van 25 September tot 3 October).
Gedelegeerden uit ons land zullen de belangstelling van Nederland in de groote new-yorksche feestviering gaan betuigen en men hoopt, dat nederlandsche schepen er luister aan zullen bijzetten. De commissie bestaat uit de volgende heeren:
Eerevoorzitter der commissie is de vice-admiraal A. G. Ellis, adjudant i. b. d. van H. M. de Koningin; voorzitter mr. Æ. baron Mackay, minister van staat, te ’s-Gravenhage; 1e secretaris de heer J. W. P. van Hoogstraten, adjudant van H. M. de Koningin, te ’s Gravenhage; penningmeester mr. R. van Rees, te Amsterdam. Prins Hendrik is beschermheer.
Prettig is het, op te merken, hoe ingenomen men zich in Amerika toont met de wijze, waarop Nederland aan de feesten zal deelnemen. Er is ook inderdaad geen mooier manier te bedenken. De amerikaansche commissie heeft daarover dan ook niets dan lof. Zij schrijft o.a. in een brief aan onzen minister van Buitenlandsche Zaken, dat het schip de Amerikanen zal herinneren aan de bijzondere gebeurtenissen, welke wij herdenken, maar tevens zal het ons herinneren aan het bewonderenswaardige karakter van uw volk, dat de zee terugdreef, toen gij land noodig hadt om op te wonen; de zee, die gij tot uw hulp op vorderdet, toen gij de vijanden van uwe vrijheden wenschtet te verdrijven; en die u voerde naar alle deelen der aarde (letterlijk staat er: the four quarters of the earth) toen gij uw handel wildet uitbreiden.
»Wij stellen de herinnering aan het feit, dat de stad en de Staat New-York gesticht werden door het Hollandsche volk zeer hoog, en wij verheugen ons over ieder bewijs, dat gij even trotsch zijt op ons als uwe nakomelingen als wij op u als onze voorouders.«