Straatleven in het Oosten.
Reading edition
Spoorloos glijden de eeuwen en de duizendtallen van jaren aan het Oosten voorbij. Zooals de Heilige Schrift het doen en laten van de bevolking van Palestina, en zooals de Duizend-en-één nacht de verhoudingen en omstandigheden in Klein-Azië en Noord-Amerika schilderen, zoo ziet het er daar in veel opzichten nog heden uit. Misschien zijn de openbare gebouwen en de paleizen der grooten van aanzien veranderd, maar de leemen huizen, waar het volk in woont, zijn dezelfde gebleven als in den grijzen voortijd. Ook de kleeding van de lagere volksklasse in de steden en die van het landvolk is weinig gewijzigd, en het beeld, dat de straten opleveren, waar thans de reiziger belangstelling voor toont, verschilt, in het groot beschouwd, niet van dat uit verafgelegen eeuwen. Dezelfde godsdienstige stelregels en vooroordeelen, dezelfde rechtspraak en staatsinrichting vinden wij nog thans terug, en het klimaat met zijn gelijkmatige hitte heeft zeker niet weinig tot het te voorschijn roepen van het verschijnsel meegewerkt.

Een fellahkhind op een ezel.
Als het nieuwe doordringt, omdat de eischen van het verkeer en den vooruitgang het vorderen, gaat het schoorvoetend, en de bouw van spoorwegen en tramwegen en stoombooten, de invoering van gas- en electrisch licht hebben zoo min als die van moderne rijtuigen en automobielen of de aanleg van telefonen en waterleidingen het aanzien der oostersche steden wezenlijk veranderd. Slechts enkele straten hebben in den regel een europeesch karakter aangenomen. Daarnaast heerscht als te voren het oude, bonte volksleven. In Konstantinopel, in de klein-aziatische steden, in Egypte, overal merkt de toerist dat op.
Het is onbegrijpelijk, hoe rijk aan afwisseling het straatleven in een oostersche stad is, waar in de nauwe straatjes zich alles bont opeenhoopt. De ventende kooplieden laten ieder hun eigen kreet en roep hooren, en elk biedt zijn waren te koop aan op eigenaardig gevormde bladen of in manden van een apart, eigen soort; in de verte al hoort men de limonade- en ijsverkoopers met hun metalen bekers klepperen, om de aandacht te trekken; lekkernijen en voedingsmiddelen zijn in verschillende tijden van het jaar verschillend; maar een vast bestanddeel van het beeld der straten vormen ze zonder mankeeren.
Waar veel vreemdelingen komen, speelt ook de handel in prentbriefkaarten, vliegenwaaiers, wandelstokken een hoofdrol. Niet minder in het oog vallen de talrijke bedelaars. Behalve de in vuile lompen gehulde en soms aan afzichtelijke ziekten lijdende volwassenen zijn er de vele kinderen, die om bakschisch roepen en overal om de vreemden heen zwermen. De werkende inboorlingen dragen bijna alle een lang kleed, den vaak kleurigen kaftan, wijde, beneden gesloten broeken en den schilderachtigen tulband. De ambtenaren en de in moderne denkbeelden opgevoede jongelui zijn europeesch gekleed, maar dragen op het hoofd de roode fez, de tarboesj, zooals men in Egypte zegt. Die heeft langzamerhand de hoogte van den europeeschen hoed bereikt en wordt bij de vele hoedenmakers zorgvuldig telkens weer in den vorm geperst en opgestreken.
De vrouwen, die men op straat ontmoet, zijn in ruime, alles bedekkende gewaden gehuld en hebben meestal een kap over het hoofd. Het benedengedeelte van het gezicht is buitendien door een sluier verborgen, die des te dunner is, naarmate de rang der dame hooger is. In Egypte hangt de sluier aan een band van riet, die boven den neus is aangebracht. Alleen jodinnen, christelijke vrouwen en vrouwen van het land gaan met onbedekt gezicht rond.
Boeren drijven door de steden hun beladen kameelen en ezels in lange rijen, soms hun kudden geiten, die onderweg aan de huizen worden gemolken, op hoeken van straten en op pleinen vertoonen slangenbezweerders en goochelaars hun kunsten, of vertellers en straatmuzikanten houden er de menigte bezig. In de hoofdstraten zitten, waar hun maar plaats wordt gegund, de geldwisselaars aan hun met muntstukken beladen tafeltjes, welk geld in glazen kastjes is geborgen. Hier en daar ziet men een tafeltje, waar een schrijver zit te pennen, wat men hem dicteert ten gerieve van wie niet met pen of potlood kan omgaan. Tusschen alles door rijden dan de electrische trams of mooie, fraai bespannen rijtuigen, of een troep modern gekleede soldaten trekt met militaire muziek voorbij.

Straatmuzikant in Alexandrië.
In Konstantinopel en Klein-Azië houdt bij zonsondergang het leven van de straat op, en zoodra de muezzin vanaf den toren der moskeeën de geloovigen tot het avondgebed heeft opgeroepen, verdwijnt bij het vallen van den nacht alles in de huizen. Daar deze naar den straatkant veelal geen vensters hebben of dicht getraliede, en daar de straatverlichting meestal zeer gebrekkig is, doet alles zich als uitgestorven voor. Maar in Egypte is dat anders. Hier wordt in de avonduren het beeld, zoo mogelijk, nog levendiger. De talrijke café’s, barbierswinkels, vruchtenwinkels en banketbakkerijen, ontsteken tallooze groote lantarens, en lokken de menigte, die er plaats neemt en koffie drinkt uit de kleine kopjes zonder oor, terwijl het aantal der gevraagde waterpijpen vaak den voorraad overtreft. In de vastenmaand Ramadan, als de Mohammedaan overdag geen voedsel tot zich neemt, duurt de straatdrukte vaak tot de morgenuren.