Brieven uit de Oost.
Reading edition
In zijn brieven onder het opschrift »Van ons grooter Nederland« aan de Nieuwe Courant heeft Maurits Wagenvoort het over Ternate, waar hij drie weken heeft moeten doorbrengen, terwijl drie dagen genoeg zouden zijn geweest, om de weergalooze grootschheid van den vulkanenkrans, met Ternate en Tidore tot hoogste pieken, te genieten. Hij heeft er blijkbaar den tijd goed besteed, en vertelt o.a. »deze dagen schonken mij de gelegenheid, heerlijke morgen- of namiddagwandelingen te maken in de verwilderde nootmuscaat-bosschen, die met moeilijk-begaanbare paden tegen de helling van den vulkaan opklimmen; openden mij wel belangwekkende vista’s in dat bijzondere verleden, toen Ternate een der belangrijkste gouvernementen was onzer Compagnie, en dominee Valentijn wandelde in de prachtige laan schaduwboomen, welke nog heden het schilderachtige nu half ontmantelde kasteel aan den zeekant aan het oog onttrekt; veroorloofden mij vergelijkingen te maken tusschen de machtige sultans van Ternate, wier rijk zich uitstrekte tot in Nieuw-Guinea en de Philippijnen, en het vriendelijke mollah-tje, dat heden dien titel draagt. Nochtans, wat mij trof als een aangename verrassing was, op dit verre en verlaten eiland een exotische Hollandschheid te vinden, zooals ik nog nergens in onze koloniën had aangetroffen. Het verleden leefde hier voort in een kleurlingenbevolking met goed-Hollandsche namen, goedgesproken Hollandsche taal en wijl het opgeruimde menschen zijn, kon men in de avonduren niet door de straten van het stadje gaan, of bijna uit elk huis klonk het welluidend gezang van een Hollandsch lied, zoodat men zich verbeelden kon te wandelen in een vaderlandsch provinciestadje.«
Ook over Ambon verhaalt de schrijver interessante dingen met een anderen kijk op het werk der Oostindische Compagnie, dan we krijgen, als we enkel aan de hongi-tochten denken; hij maakt de opmerking, dat de nederlandsche natie, zoo min als eenige andere waarschijnlijk, van deze vulkanische rotsen in zee economisch iets weet te maken, dat zich bij den bloei van het verleden aansluit.
De menschen hebben hem een indruk van opgewekte vroolijkheid gegeven, en hij denkt aan het eiland terug als aan een idylle van een volk in moeilijk bereikbare bergdorpen, een bruin volk met trippelende voeten en zingende lippen.
Nederland zou voor dat volk meer kunnen doen, door voor betere aansluiting aan de overige eilanden te zorgen door middel van de telegraaf; ook door op de opvoeding van de telgen van den sultan van Ternate toe te zien, die noch lezen noch schrijven kunnen, en ten slotte wijst hij op de beschaving van de op Ambon geboren Chineezen, »van wie vele familiën sinds eeuwen op dit eiland zijn gevestigd. Zij spreken, ook de jongere vrouwen, Hollandsch met een zuiverheid welke verwondering baart, wijl Nederlandsche ooren er niet aan gewend zijn. Dit trof mij reeds in Menado, in de Minahassa, waar ik Chineezen aantrof, die menig Nederlander les hadden kunnen geven in een goede uitspraak onzer taal. Ik vroeg vanwaar zij geboortig waren; zij antwoordden mij: »Wij zijn Amboneezen«. Welnu, het is pijnlijk dergelijke menschen op de bekrompen wijze behandeld te zien, waartoe geest en letter onzer voor de Chineezen in onze koloniën geldende wetten aanleiding geven«.