Rijker dan velen dachten.
Reading edition
Dat zijn wij in zake musea, waar ethnographica worden aangetroffen, voorwerpen, die uit volkenkundig oogpunt belangrijk zijn en uit verschillende einden der wereld zijn bijeengebracht. Immers weinigen zullen hebben vermoed, dat er alleen in ons land wel een veertiental verzamelingen zijn, waar ethnographisch materiaal van onzen Oost-Indischen Archipel wordt bewaard. Toch is dat het geval, en wij laten hier achtereenvolgens de namen der veertien grootere en kleinere verzamelingen volgen.
Het zijn vooreerst het leidsche Ethnographische Museum; het Museum voor land- en volkenkunde in Rotterdam en de Ethnografische verzameling in de Diergaarde aldaar; de collectie voorwerpen uit Oost-Indië in Artis en de verzameling uit de laatste parijsche tentoonstelling, beide te Amsterdam; de verzameling der voormalige Indische Instelling, te Delft; het Koloniaal Museum, te Haarlem; de collectie van den heer Van der Meulen, te Bergum; de verzameling in het Geschiedkundig Overijselsch Museum; de collecties van den hoofdcursus, te Kampen en die van de Theologische School, aldaar; het museum in het Missiehuis van het H. Hart, te Tilburg; de wapencollectie op Bronbeek; de verzameling van het R. K. Gymnasium en H. B. school te Nijmegen. Dat zijn er goed geteld, veertien.
Iemand, die uit Berlijn aan de N. R. C. schrijft, gaf dit lijstje en maakt de opmerking, dat er op de kleintjes moet gelet, want dat er bij dit alles meer belangrijks is, dan men vermoedt. Tal van wetenschappelijke verrassingen, onbeschreven nieuws, merkwaardigheden op textiel gebied, mooie proeven van sierkunst wachten hem, die zich de moeite geeft, de kleinere verzamelingen in ons land te gaan onderzoeken. En volgens dien schrijver is het goed, het oog gericht te houden op die kleinere collecties, omdat de grootere alle aan gebrek aan ruimte lijden en niet zelden hun schatten bij gebrek aan gelegenheid, om ze te vertoonen, achterbaks houden in kisten en ontoegankelijke laden of geheele zalen als pakkamers gesloten moeten houden. Hij heeft deze ervaring dezer dagen opgedaan in het groote Museum voor Land- en Volkenkunde te Berlijn, dat nu, na 22 jaar, veel te klein is geworden, zooveel, dat het haast niet te gelooven is, zoodat het dan ook door een nieuw gebouw zal worden vervangen.
In de overvolle zalen kan men den weg bijna niet vinden; de geheele derde verdieping is voor het publiek gesloten, en de tweede verdieping staat veel te vol. Dat alles zal beter worden in de toekomst, die aan het nieuwe gebouw zal behooren, maar voor hoe lang zal dat betere gelden? De ruimte is, men zou zeggen, uit den aard der zaak altijd te gering, want er komt steeds bij en er gaat zoo goed als niets af. Op dit oogenblik reizen nog zes personen voor het Museum, om in Oost en West uitsluitend voor die instelling te verzamelen.
In kleinere musea zullen de voorwerpen beter tot hun recht kunnen komen, en men zal het materiaal beter kunnen beheerschen, al blijven er natuurlijk altijd onmiskenbare lichtzijden verbonden aan de groote inrichtingen, waar niet al te veel aan ontbreekt.