Plasmolen’s schoon.
Reading edition
Lang is het reeds geleden, maar nog kan ik doen leven, al de beelden en gewaarwordingen, die me bestormden en overweldigden, toen ik voor het eerst door het bosch van den Jansberg ging, komende van Groesbeek in de maand Augustus, om een colléga, wonende aan den Plasmolen, te bezoeken, en wanneer ik thans een opgetogen vriend toonen kan al ’t mooi van wat ik langzaam aan heb liefgekregen, voel ik al de blijheid weer van toen. Zijn verwondering en vreugd over al dat nergens nog geziene, maakt alles weer voor je nieuw, doet je goed en streelt, als vleitaal de jonge moeder over haar kind.
’t Mooie Hôtel “De Plasmolen”, dat in zijn blankheid oprijst aan het water, staat daar als blijk van erkenning van ’t schoon der natuur, doet soms denken aan een tempel waar ’s zomers komen om te rusten, vermoeiden van het leven, ter aanbidding van de godheid, die een oord zegent met zooveel schoon. Want zeker zeg ik niet te veel, als ik beweer dat ’t schoon van de streek oorzaak is van den meer dan buitengewonen groei van ’t Hôtel natuurlijk niet gerekend buiten de krachtige leiding der heeren van der Grinten en Cremer, de pachters van ’t Hôtel, die mede hun aandeel hebben aan de ontwikkeling van ’t kleine primitieve Hôtel de Plasmolen tot het modern ingerichte Hôtel van nu, dat iedere toets doorstaat.
Nergens vond ik een natuur die nog zoo onbedorven is gebleven van de steeds voorwaarts dringende cultuur, die helaas, zooveel van ’t echte zuivere schoon bederft; geen vereeniging ter bevordering van ’t vreemdelingenverkeer drukte op deze streek haar stempel; nog kwam geen bouw van villa’s dissonanten brengen in de harmonie van ’t geheel; nog ongeschonden of verminkt, leeft daar een leven als niet van onze eeuw, droomt nog een poëzie, vreemd aan onze dagen, ontroerend soms en angstig, voor hen die uit den gang van ’t jachtende leven komen. In ’t bosch fluisteren nog stemmen uit lang vervlogen dagen; de weelderige groei van boomen en planten draagt nog een oerkarakter, zooals men nergens anders vindt.

Boschpartij in den omtrek van den Plasmolen.
Trotsche eiken met hun grilligen groei, soms zwaar getooid en bekropen door klimop en kamperfoelie, verrijzen naast beuken en berken, terwijl varens en paardenstaart, die een hoogte van twee meter hier bereiken, braamstruik en woudroos, een wildernis formeeren, die soms denken doet aan verhalen van Aimard, en verwonderd zou men bijna niet zijn, een Indiaan te zien, jagend op het een of ander wild. ’t Sterk heuvelachtig terrein biedt soms panorama’s van uren uitgestrektheid, waarin ’t bewegen van de menschen, ons eerst de kleinheid daarvan voelen doet, voert dan weer in valleien van een plechtig somber schoon. Veelal zijn de heuvelen begroeid met dichte rijzende stammen van dennen, waaronder een klaar zilverachtig licht. Het schijnen soms sprookjes-paleizen in roerende rust, tempels van eenvoud, tempels van God met gewijde harmonieën, als ruischend de wind speelt met de toppen der boomen. Dan weer is ’t een meer, geheimzinnig zich verliezend in ’t dichte geboomte, als wilde ’t zich verbergen voor onbeschaamden blik, gevoed door kabbelende beekjes, zoo helder als kristal, zacht zingend voorwaarts huppelend als spelende knapen. Hier spreekt eerst de stem van de stilte; het schijnt alles overtogen met een waas van mystiek. Geen geluiden van ’t groote leven dringen tot hier door; ’t al ademt een geest die tot mijmeren ons noopt, opvoert tot een hooger schoon, door zoo plechtige stilte en roerende rust, voorwaar dus een oord voor hem, die te rusten begeert van ’t nerveus bewegen eener groote stad, kalmte zoekt voor zijn geest.
En hoezeer is deze streek veelzijdig en afwisselend! De historische Mookerhei, die zich uitstrekt achter het hotel, roept de herinnering aan Mauve in ons op en is schilderachtig en rijk. Hier stijgt zingend de leeuwerik omhoog, vliegt krijschend de kievit boven het hoofd van den wandelaar, genieten de schonkige koeien een ongekende ruimte. Hier teekent zich de zandweg tegen ’t donkere groen van een dennengroep; hier is de rust van een ander karakter, zingt de fee van het natuurschoon een anderen zang. Ginds staan de huizen van ’t landvolk te droomen als neergesmeten langs de wegen, die zwaar zijn doorploegd van ’t spoor van de karren, en stil rijst boven de daken, schitterend in ’t blauw van de lucht, lieflijk de kerk van het dorp; ’t is of de hand van een kunstenaar, bedreven en los, hier alles plaats gaf.
Onder aan den boschrand, waarvan de lijnen muziek zijn, zich verliezend in blauwende verten, zich oplossend in het Reichswald, strekken zich de vennen uit.
Groote plassen, waarin de trotsche woudreus, als bewust van zijn pracht, zijn eigen schoonheid te bewonderen staat, geheel zijn rijkdom van takken en blad bevende teekent, tegen een schitterende lucht, kunnen, als de regen neerdrupt uit zwaar zwarte wolken, stemmen tot den plechtigsten ernst.

Het hotel de Plasmolen.
’t Is bijna met vrees, dat ik gewaag van ’t hier levende schoon, angstig als ik ben, dat het niet veilig meer zal zijn, en dat het gemeengoed worden gaat, zoodat de hand van profanen die heiligheid schendt.
Maar wie in de goede gezindheid tot dit mooie oord nadert, die zal zich niet bedrogen zien en hij kan vertrouwen, in het gastvrije hotel »De Plasmolen« zich thuis te zullen voelen.
Leo Niehorster.