1190–1313.
Reading edition
(1) Hendrik VI.
Hij was nu heerscher over de “Beide Siciliën” en eveneens over Noord-Italië, waar hij door een verstandige toegevendheid gepaard aan strengheid de republieken in toom hield. Toskane gaf hij aan zijn broeder Philips en andere Duitsche hertogen kregen Umbrië en Romagna. Hij deed geen moeite zich te mengen in de aangelegenheden van den Paus en van Rome. Zooals gewoonlijk, bestonden er twisten tusschen den Paus en den adel. Juist in dezen tijd had een oligarchische partij met een Podestà aan het hoofd de macht in handen, die echter weldra plaats zou moeten maken voor een republikeinschen Senaat en een Prefect. Het was Hendrik volkomen onverschillig, welke partij de overhand had, want de Paus had beide in zijn macht.
(2) Paus Innocentius III.
Overeenkomstig de belofte, die de keurvorsten aan Hendrik VI hadden afgelegd, moest zijn zoontje Frederik hem opvolgen en inderdaad werd hij onder regentschap van zijn moeder koning van Duitschland en Italië, waaronder het rijk van de “Beide Siciliën” begrepen was; bovendien was hij door zijn titel “Koning der Romeinen” reeds aangewezen als Keizer. Maar in Duitschland maakten zich Hendrik’s broeder en een pretendent van de macht meester en werden beide tot koning gekroond. En voordat het kind vier jaar oud was geworden, stierf zijn moeder Constantia, nadat zij den Paus als voogd over hem had aangewezen, dien zij tevens tot regent over de “Beide Siciliën” (het koninkrijk Napels en Sicilië) had benoemd. Men kan wel vragen, welk recht zij had om dit te doen (zooals wij ook gevraagd hebben, met welk recht Mathilde het hertogdom Toskane aan de kerk naliet), maar een dergelijke daad behoeft ons niet te verbazen bij een vrouw, die men gedwongen had een geenzins gelukkig huwelijk te sluiten, toen zij haar leven reeds aan den godsdienst had gewijd en wellicht reeds non was (vgl. p. 367). Bovendien, hoe onwettig de daad misschien ook was, zij werd erkend en was derhalve een feit van historische beteekenis geworden. En het is niet gemakkelijk te bewijzen, dat de gevolgen de daad niet rechtvaardigden.
Een andere overwinning van Innocentius werd door een nog schandelijker kruistocht behaald en door middelen, die nog afschuwelijker waren dan de plundering van Constantinopel. De geschiedenis van de uitroeiing der Albigenzen en de verwoesting van een groot gedeelte van Zuid-Frankrijk zou te veel ruimte innemen, indien het uitvoerig verteld werd; het staat echter niet in rechtstreeksch verband met ons onderwerp en de korte opmerkingen, die hierover gemaakt kunnen worden, zullen in een later hoofdstuk volgen, zoodat die hier het verhaal niet behoeven te onderbreken.
In één opzicht echter faalden de plannen van Innocentius. Niet alleen Rome, waar, zooals gewoonlijk, tusschen het volk en den adel twisten heerschten, maar ook vele steden van Noord- en Midden-Italië waren, sommige meer andere minder openlijk, in opstand tegen het Duitsche gezag. Innocentius wakkerde deze ontevredenheid aan, daar hij hoopte bij die steden zelf de plaats van den Keizer te zullen innemen. Doch hierin bedroog hij zich. Al mochten ook keizers en koningen hun kronen uit de handen van den opvolger van den H. Petrus ontvangen, steden, die zoo hevig gestreden hadden om hun rechten te verwerven, waren niet van plan hun dienstbaarheid aan een Duitschen Keizer te verwisselen met de onderdanigheid aan den Paus te Rome. De bond der Welfen, die in 1197 door de steden van Toskane gesloten werd, weigerde het werktuig te worden van een eerzuchtigen priester, hoezeer hij hun ook mocht verzekeren, dat zij denzelfden vijand, den Duitschen Keizer, haatten.
(3) Frederik II.
Reeds twee jaren, voordat deze slag geleverd werd, hadden de Duitsche edelen Frederik uitgenoodigd de Alpen over te steken. Dit deed hij, en in 1215 werd hij te Aken als Koning gekroond. Als kind was hij, eveneens te Aken tot “Koning der Romeinen” uitgeroepen en thans werd deze titel, waardoor hij tevens als Keizer werd aangewezen, plechtig bevestigd door een groot Concilie, dat in het Lateraan gehouden werd en waarbij meer dan 1500 prelaten en vele edelen aanwezig waren. Maar ofschoon aldus erkend werd, dat hij Otto in diens waardigheden was opgevolgd, werd hij toch door Innocentius niet uitgenoodigd om als Keizer gekroond te worden. De sluwe en eerzuchtige Paus achtte het blijkbaar veiliger om deze plechtigheid nog uit te stellen, misschien wegens het feit, dat Otto nog in leven was.

53. Assisi.
Op zijn tocht van Palermo naar Duitschland had Frederik Rome bezocht en Paus Innocentius, dien hij toen voor het eerst ontmoette. De edele en impulsieve jongeling, niet ouder dan achttien jaar, schijnt zeer vriendelijk jegens zijn vroegeren voogd geweest te zijn en gaf blijk van zijn innige dankbaarheid, daar hij de rechten van den Paus op het gebied, waar de Kerk aanspraak op maakte, bevestigde, en hem verzekerde een kruistocht te zullen ondernemen en ook zelfs beloofde zijn zuidelijke koninkrijken af te staan als een leen van het Pausdom onder het bestuur van zijn jongen zoon Hendrik, zoodra hij de keizerskroon zou ontvangen. Doch gelukkig is deze laatste belofte nooit vervuld. Reeds voor den dood van Innocentius, die in 1216 plaats vond, had Frederik berouw van zijn belofte en herriep die, en weldra zou hij zich een even heftigen tegenstander van het Pausdom toonen als Otto was geweest. En Frederik was niet de eenige, die zoo snel van front veranderde. Een algemeene beweging was begonnen, die bestemd was ten slotte het geheele gebouw der wereldlijke macht van het Pausdom omver te werpen en het eerst zou Innocentius’ geweldige Toren van Babel plotseling ineen storten, daar deze slechts gegrondvest was op den bijgeloovigen eerbied voor een verouderde instelling, die haar grootheid reeds lang verloren had.
Hoe de Kerk een tijdlang een deel van hare vroegere zedelijke hoogte en haar zedelijken invloed herwon, niet door toedoen van de Pausen en kardinalen, maar omdat in nederiger harten het gevoel van Christelijke liefde en verachting der wereldsche dingen weder opleefde, zooals St. Franciscus het door zijn daden bewees en St. Dominicus dit preekte, zullen wij weldra zien.
In 1220 besloot Frederik zijn zuidelijke gewesten weder te bezoeken, en liet in Duitschland als “onderkoning” zijn zoon Hendrik achter, die nu een jongen van tien jaren was en dien hij te Frankfurt tot Koning der Romeinen had laten kiezen. Daarna hield hij zich gedurende dertig jaren bijna uitsluitend bezig met Sicilië en Italië. In Noord-Italië bestond zijn gezag voornamelijk slechts in naam, want vele van de steden, die door den Welfschen bond en den buitengewonen groei van den handel steeds machtiger waren geworden, genoten volkomen vrijheid, behalve wanneer zij zoo nu en dan bang werden gemaakt door de aanwezigheid van keizerlijke troepen. Bovendien had zijn Noord-Italiaansch gebied weinig bekoring voor hem; het was vooral het zuiden, in het bijzonder Sicilië en Apulië, dat hij als zijn vaderland en zijn eigenlijk koninkrijk beschouwde. En hij had ook nog andere redenen om terug te keeren. Tijdens zijn afwezigheid in het noorden hadden er onlusten plaats gehad op Sicilië. Zijn Mohammedaansche soldaten waren aanmatigend opgetreden en de Christenen waren verontwaardigd. Hij vond het noodzakelijk de orde te herstellen en bracht dit op krachtdadige wijze tot stand door al zijn Saraceensche troepen van Sicilië te verwijderen en hun dicht bij Pompei een woonplaats aan te wijzen, welke plaats sinds dien tijd bekend was als Nocera dei Pagani en voor hem een onschatbaar steunpunt werd.
Innocentius was in 1208 opgevolgd door Honorius III, die Frederik in den beginne vijandig gezind was; maar toen deze te Rome kwam, haalde hij dien zachtaardigen Paus door rijkelijke concessies en beloften van kruistochten en andere middelen over om hem als Keizer te kronen, een plechtigheid, waartoe hij des te gemakkelijker besloot, omdat de onttroonde Otto onlangs was gestorven. De kroning van Frederik en zijn koningin, Constantia van Arragon vond in 1220 plaats. Twee jaren later—het jaar van de geweldige aardbeving, die op Kerstdag den dood van vele duizenden in Noord-Italië ten gevolge had—stierf de gemalin van Frederik en de Paus, die steeds een heftig voorstander van kruistochten was, overreedde hem toen Jolanthe de Brienne, de zuster van den Franschen patriarch van Jeruzalem, Jean de Brienne (den lateren Keizer van het Oosten), te trouwen. Toch toonde Frederik geen grooten lust om zijn belofte gestand te doen en zich als kruisvaarder te onderscheiden. Ofschoon hij later als een vurige en wreede vervolger van ketters optrad, was hij niet alleen verdraagzaam jegens ongeloovigen, maar bewonderde hen zelfs; inderdaad was hij waarschijnlijk, om geen sterker uitdrukking te gebruiken, een even goed Muzelman als Christen. Zoo gingen de jaren voorbij; Honorius stierf in 1226 en de belofte bleef nog steeds onvervuld. Maar de volgende Paus, Gregorius IX, ofschoon meer dan tachtig jaar oud, drong zoo krachtig bij Frederik aan, dat hij genoodzaakt was toe te geven, een groot leger van Kruisvaarders, voornamelijk Duitschers, verzamelde, en van Brindisi wegzeilde. Een hevige epidemie brak evenwel onder zijn volgelingen uit, die verschrikkelijk te lijden hadden van de Apulische hondsdagen en hij gaf haastig bevel, dat de vloot den steven zou wenden en liet de bemanning te Otranto aan wal zetten.
Hierop sprak de heftige, oude Paus den banvloek over hem uit en kondigde een Encycliek af, waarin hij hem als verrader en lafaard brandmerkte. Maar de jonge Keizer, niet minder heftig van aard, beantwoordde dezen zendbrief met een moed en oprechtheid, die, zooals Villari zegt, Luther zelf tot eer zouden gestrekt hebben. Zijn beroemd Manifest was het eerste, werkelijk belangrijk en plechtig protest van de hoogste civiele macht tegen de aanmatigende overheersching van de Kerk en den Paus, waarvoor Innocentius met zulk een gunstig gevolg had gewerkt. “Het was gericht tot alle Vorsten en Volkeren van het Keizerrijk en herinnerde hen aan het lot van den ongelukkigen Raimond, Graaf van Toulouse, en Koning Jan van Engeland (Jan zonder Land), terwijl het bovendien zonder eenig medelijden een levendige beschrijving gaf van het zedelijk verval der Kerk en de wereldlijke eerzucht der Pausen. De Keizer van het Christendom verklaarde sympathie te gevoelen voor de zienswijze der ketters ten opzichte van de onchristelijke neigingen van het Pausdom.” (Gregorovius). Het Manifest werd in het openbaar op het Kapitool te Rome voorgelezen onder groote geestdrift van een menigte toehoorders. Er ontstond een oploop en Gregorovius vluchtte naar Viterbo en daarna naar Perugia, vanwaar hij banbliksems tegen zijn tegenstanders slingerde.
De zoon van Frederik, Hendrik, die sinds het jaar 1220 was opgetreden als onderkoning in Duitschland, verwekte nu een opstand, stelde zich in verbinding met de Lombardische steden en den Paus, en liet zich tot Koning uitroepen. Nadat Frederik de pogingen van zijn zoon had verijdeld door den Paus hulp te zenden, haastte hij zich over de Alpen; het gelukte hem den opstandeling te overweldigen en gevangen te nemen; daarna (1235) werd Hendrik naar Apulië gestuurd, waar hij het overige van zijn leven in de gevangenis doorbracht, een lot, dat, zooals wij zullen zien, ook een ander van Frederik’s zonen trof.

54. S. Gimignano.
Zooals ook het geval was met grooten Theoderik, werden de laatste jaren van Frederik niet alleen door rampen, maar ook door sombere verdenkingen en wreede, onrechtvaardige daden bewolkt. Het lot van zijn secretaris en raadsman Pier delle Vigne van Capua, die langen tijd zijn vertrouwen had genoten, is reeds verteld. Het schijnt, dat Frederik hem te Cremona liet gevangen nemen en misschien ook blind liet maken, en dat Pier te Pisa zelfmoord heeft gepleegd. In hetzelfde jaar trok Frederik, door rampen gebroken, zich naar zijn geliefd Apulië terug en een paar maanden later (1250) stierf hij, na een korte ziekte, op een van zijn kasteelen (Castel Fiorentino, dicht bij Lucera), volgens sommigen omringd door zijn trouwe Saracenen, volgens anderen (zooals ook Gregorovius gelooft) “gekleed in het gewaad van een Cisterciënser monnik, nadat zijn oprechte vriend, de aartsbisschop van Palermo, hem absolutie had gegeven”.
(4) Manfred en Karel van Anjou.
Een onwettige zoon van Frederik, Manfred, Prins van Taranto, was door zijn vader’s laatsten wil aangewezen als onderkoning van Zuid-Italië onder de souvereiniteit van zijn half-broeder Koenraad. Na den dood van Koenraad ondersteunde Manfred, die toen twee en twintig jaar oud was, eerst zeer oprecht den jongen erfgenaam, Conradino, en verzocht Innocentius hetzelfde te doen. Maar Innocentius eischte volledige en openlijke onderwerping aan het pauselijk gezag en Manfred gaf de voorkeur aan openlijke vijandschap; geholpen door zijn trouwe Saracenen gelukte het hem de pauselijke huurlingen bij Foggia (in Apulië) te verslaan. Vijf dagen daarna stierf Paus Innocentius te Napels.
De nieuwe Paus, Alexander IV (1254–61), werd in den beginne zeer belemmerd in zijn bewegingen door den stand van zaken te Rome, waar onder leiding van een Bologneezer Podestà, Brancaleone geheeten, een republikeinsche regeeringsvorm tot stand was gekomen met volksvergadering en gilden (Arti), zooals in de steden van Noord-Italië; derhalve werd te Rome een tijdlang de zaak van Manfred, als tegenstander van het Pausdom, begunstigd. Ondanks herhaalde pauselijke excommunicaties, waarvoor het Christendom langzamerhand onrustbarend onverschillig werd, begon de partij van Manfred door deze omstandigheden zoo machtig te worden, dat hij het beter vond de teugels der regeering uit de handen van een zwak kind te nemen, vooral toen hij het (valsche) gerucht van Konradijn’s dood vernam; bovendien waren er in Duitschland pretendenten opgetreden, zooals Richard van Cornwall en Alfonso van Kastilië; Manfred volgde dus het voorbeeld van Koning Roger en nam de koningskroon aan in de kathedraal van Palermo (1258).
Manfred had nu niet slechts den Paus tegen zich en de Welfen, maar ook de legitimisten onder de Ghibellijnen, d.w.z. zij die de rechten van Konradijn wilden handhaven. In het zuiden hield hij zich staande door de hulp van zijn Duitsche troepen en zijn trouwe Saracenen; doch dit vermeerderde zijn populariteit niet en hij verergerde den wrok door nieuwe contingenten van Mohammedaansche huurlingen uit Afrika in te voeren.
Maar zijn gelukster ging nu tanen. Paus Alexander stierf in 1261 en de kardinalen kozen, na maanden lang geaarzeld te hebben, den zoon van een schoenmaker van Troyes, die geklommen was tot de waardigheid van patriarch van Jeruzalem. De verkiezing van dezen Franschen Paus, Urbanus IV, had weldra belangrijke gevolgen. Toen hij zag, dat Hendrik III van Engeland door zijn edelen werd bezig gehouden, bood hij de kroon van Sicilië, die door Innocentius reeds aan den jongen Engelschen prins was gegeven, Karel van Anjou, den broeder van Lodewijk IX (den Heilige) van Frankrijk, aan. En dit aanbod werd, ongelukkig genoeg, aanvaard.
Karel, Graaf van Anjou en door zijn gemalin ook Graaf van Provence, had zich met zijn koninklijken broeder bij den zevenden kruistocht onderscheiden en was onlangs door de Romeinen tot Senator gekozen. Door zijn eerzuchtigen, vermetelen, gewetenloozen en wreeden aard en zijn buitengewoon geluk vond hij weldra gelegenheid, zooals wij zullen zien, om rampen over Italië en Sicilië te brengen. Dit bracht hij voornamelijk tot stand door de hulp van het Pausdom. Toen de Fransche Paus was gestorven (1265), werd een Provençaal, een onderdaan en bewonderaar van Karel, gekozen. Deze Paus, Clemens IV, kon den broeder van Karel, den Franschen Koning, gemakkelijk overreden, toe te staan, dat er in Frankrijk een kruistocht gepreekt werd tegen Manfred en zoo werd er een groot leger geworven door middel van de bijdragen der vromen en door pauselijke aflaten. Manfred, van zijn kant, verzamelde te Capua zijn Duitsche en Saraceensche strijdkrachten, die hoonend de aankomst van den Franschen avonturier afwachten, terwijl een vloot van Siciliaansche en Pisaansche schepen langs de kusten kruiste om te verhinderen, dat de indringer een landing zou doen.
De val van Manfred had natuurlijk een krachtige herleving van de Welfsche heerschappij in de noordelijke steden ten gevolge. Florence verjoeg de ambtenaren van Manfred en de Welfsche regeeringsvorm werd op een hechten grondslag gevestigd.
(5) Konradijn en Karel van Anjou.
Het heerschzuchtige en wreede optreden van Karel verwekte al spoedig wrok en opstand, zoowel in Sicilië, waar hij zich bijzonder gehaat maakte door ondragelijke afpersingen en zijn plan om Napels in plaats van Palermo tot hoofdstad van zijn koninkrijk te maken, als ook in het noorden, waar de Ghibellijnen, aangevoerd door Pisa en Siena, weder krachtig begonnen te worden en hun blikken richtten naar Duitschland, want de jonge Duitsche koning, Konradijn, die nu veertien jaar oud was, scheen neiging te gevoelen zijn krijgskans tegen den Franschen overweldiger te beproeven.
Het was een vreemde stand van zaken, een goed voorbeeld van de ingewikkeldheid der Italiaansche geschiedenis. Hier zien wij, hoe de helft van de bewoners van Italië zich tot een Duitschen jongeling richt om hen te helpen, daar zij zuchten onder de zweep van den Franschen tyran, die hun is opgedrongen door den Paus, den hoogsten beschermer van hun zedelijke en geestelijke welvaart; wij zien, hoe de Paus dezen vreemden overweldiger aanhitst en tegelijkertijd krachtig de zaak van de republikeinsche vrijheid begunstigt, om zich bondgenooten te verschaffen tegen het “addergebroed” van Duitsche vorsten; wij zien, dat sommige van de zoogenaamde republieken de zaak van de vrijheid ontrouw worden alleen om zich te wreken op politieke mededingers, een verbond sluiten met het Pausdom en op verzoek van den Paus zich verlagen om Karel van Anjou als heer en meester te erkennen, ja zelfs hem tot Podestà kiezen, zooals Florence deed, tot haar eeuwige schande.

55. S. Zeno (Maggiore), Verona.
(6) Karel van Anjou en de Siciliaansche Vesper.
Een maand later stierf Paus Clemens, die het niet meer gewaagd had naar Rome terug te keeren, te Viterbo. Hij had, naar aanleiding van de bloedige en ruwe daad van Karel, op geenerlei wijze zijn afgrijzen te kennen gegeven. Integendeel, hij juichte over de verdelging van het gehate “addergebroed” van de Hohenstaufen. Maar het begon hem zonder twijfel wel duidelijk te worden, dat Karel zijn meester was, dat hij een boozen geest had opgeroepen, dien hij niet kon bezweren. En dat Karel de macht volkomen in handen had, blijkt wel uit het feit, dat ongeveer drie jaren lang geen Paus werd gekozen, daar de Kardinalen verlamd waren door de onbeschaamdheid van de Fransche prelaten en beambten. En hij was ook niet tevreden met de heerschappij over de Beide Siciliën, Rome en het grootste deel van Italië. Hij droomde van een veel grooter rijk. Nadat hij zijn broeder, Lodewijk den Heilige, had overreed een kruistocht te ondernemen tegen Tunis (waar Lodewijk aan de pest stierf) trachtte hij zijn heerschappij in diens gebied te vestigen en uit te te breiden. Daarna richtte hij zijn blikken naar het oosten en verloofde zijn dochter met den zoon en erfgenaam van den verbannen Latijnschen Keizer van Byzantium, Boudewijn van Courtenay, die hem de provincie Thessalonica aanbood, wanneer hij den troon weder zou hebben bestegen; op die wijze hoopte Karel een dynastie te grondvesten, die over het vereenigde Keizerrijk van het Oosten en het Westen zou heerschen. Maar Boudewijn, die door Michael Palaeologus werd verdreven, bracht de rest van zijn leven door met hulp te vragen aan de vorsten van Europa en aldus werd de hoop van Karel de bodem ingeslagen.
In 1271 eindelijk waagden de kardinalen het te Viterbo bijeen te komen om een Paus te kiezen; maar de Fransche prelaten trachtten dit voortdurend te verhinderen, totdat ten slotte het volk van Viterbo het dak van het gebouw, waarin de kardinalen waren opgesloten afbrak, om hun beslissing te bespoedigen. Terwijl dit alles gebeurde, verscheen Karel, die juist van Tunis was teruggekeerd, op het tooneel. Ook Guy de Montfort die nu zijn stadhouder in Toskane was, kwam met hem. Hij was de kleinzoon van den verschrikkelijken Simon de Montfort, die de Albigenzen heeft uitgeroeid. Zijn vader, Earl Simon of Leicester was gedood (1265) in den slag van Evesham en zijn lijk was smadelijk behandeld.
In het noorden van Italië nam de invloed van Rudolf en de Ghibellijnsche edelen snel toe. In Milaan kregen de Visconti de overhand; in Verona de Scaligeri; bijna overal werd de haat tegen Karel en de Franschen heviger, behalve in Florence, waar de handel van de Arti (gilden) door zijn politiek begunstigd werd. De storm kwam met vaart opzetten; maar het was uit het zuiden, dat de noodlottige vlaag zou komen.
Voordat Konradijn zijn hoofd op het blok legde, wierp hij, naar men vertelt, zijn handschoen onder de menigte. Deze handschoen werd gebracht aan Pedro van Arragon, een Spaanschen prins, die met de dochter van Manfred, Constantia, gehuwd was en later (1276) Koning van Arragon en Catalonië werd; hij had Valencia en Majorca reeds op de Mooren veroverd en zich aldus een vrijen toegang tot Sicilië verschaft. Aangespoord door zijn gemalin, gaf hij gehoor aan de smeekbeden der Sicilianen, die tot wanhoop waren gedreven door de tyrannie van Karel en zijn Fransche ambtenaren en aan de raadgevingen van Giovanni da Procida, een geleerden geneeskundige, die na den slag bij Tagliacozzo naar Spanje was gevlucht en reeds tien jaar lang Pedro had aangezet om zijn rechten op de kroon van de Beide Siciliën, als erfgenaam van Manfred, te laten gelden. En nu wachtte Pedro op het gunstige oogenblik, dat weldra kwam.
(7) Van den Siciliaanschen Vesper tot den vrede van Caltabellotta.
(8) Rome van 1285 tot 1303. Bonifacius VIII.
In hetzelfde jaar (1285), waarin Karel van Anjou en Pedro van Arragon overleden, stierf de Fransche Paus Martinus IV aan het overmatig gebruik van paling en vernaccia-wijn. De vredelievende, maar jichtige oude kardinaal, die hem opvolgde, Honorius IV, was een broeder van den Senator van Rome, Pandulf, uit het doorluchtige geslacht van de Savelli. De beide broeders, de een in het Lateraan en de ander op het Capitool, oefenden een weldadigen invloed uit, en beteugelden gedurende twee jaren de woede van de partijen der Orsini en Colonna, ofschoon beide zoo hevig door de jicht waren aangetast, dat de Senator niet meer kon loopen en de Paus van een mechanische uitvinding moest gebruik maken om de Hostie op te heffen. Na den dood van Honorius was er tien maanden lang geen Paus, hetgeen niet slechts het gevolg was van de verbittering der partijen maar ook van de pest, die zes kardinalen ten grave sleepte. Eindelijk werd Nicolaas IV, de bisschop van Palestrina (den burcht der Orsini) gekozen; deze was vroeger een vriend geweest van den Paus der Orsini, Nicolaas III (“den zoon van de berin”). Naar aanleiding van deze benoeming brak de veete tusschen de twee families der Orsini en der Colonna’s met vernieuwde heftigheid uit; zij noemden zich Welfen en Ghibellijnen, maar deze namen beteekenden slechts, dat degenen, die zoo heetten, doodvijanden waren en dat beide partijen er naar streefden den kardinaalshoed en de pauselijke tiara te bemachtigen.

56. De paleizen Loredan en Farsetti, Venetië.
De eenvoudige, oude monnik (hij was twee en zeventig jaar oud) stond verstomd en weigerde op het voorstel in te gaan. Toen begaf zich een groote menigte van edelen en prelaten en andere personen, onder aanvoering van Koning Karel en zijn zoon Karel Martel, naar de grot en ten slotte liet Pietro da Morronne zich mede voeren, terwijl de koning en zijn zoon den ezel, waarop hij gekleed in zijn eenvoudig kluizenaarsgewaad was gezeten, bij de teugels leidden. In een kerk dicht bij Aquila, blijkbaar de S. Maria di Collemaggio (plaat 49), die zijn graftombe bevat, werd hij gewijd; de kerk was geheel vol en omringd, naar men vertelt, door 200.000 menschen.
Nadat Bonifacius aldus den armen, ouden Celestinus uit den weg had geruimd en zich in het veilig bezit bevond van de geestelijke souvereiniteit over het koninkrijk van Karel, dien hij als zijn leenman beschouwde, wenschte hij vurig ook het Siciliaansche koninkrijk als pauselijk leen te bemachtigen en zijn mijter met de dubbele kroon van de Beide Siciliën te versieren. Wij hebben reeds gezien, hoe hij Koning Jacob van Arragon en zijn vrome moeder Constantia overreedde een schandelijk verdrag met Karel te sluiten en hoe hij de langdurigen en wreeden oorlog aanstichtte en aanwakkerde tusschen Jacob en zijn broeder Frederik, dien de Sicilianen als hun koning hadden aangenomen.
(9) Hendrik VII van Luxemburg.

Het is eenigzins bevreemdend, dat Clemens, ofschoon hij in andere opzichten blijkbaar het willige werktuig van Koning Philips was, hardnekkig zou hebben weerstand geboden aan het verlangen van dien monarch om voor zichzelf of voor zijn broeder Karel van Valois de keizerskroon te verwerven. Misschien gevoelde de koning inderdaad weinig lust om te vechten voor een ijdelen titel, omdat hij den onafhankelijken en vijandigen geest van de Italianen kende en zich herinnerde, hoe slecht het in Italië met Karel was afgeloopen; wellicht bedacht Clemens, dat met een Franschen Keizer het Pausdom zijn volkomen ondergang zou te gemoet gaan. Hoe dit ook zij, hij begunstigde eerst in het geheim en steunde daarna openlijk de aanspraken van Hendrik VII, die tot Duitsch koning was gekozen en ook tot Koning der Romeinen, waardoor hij niet alleen als Keizer van Duitschland werd beschouwd, maar ook als aangewezen Keizer, die recht had op de wettige bekrachtiging van zijn titel door het Romeinsche volk en den Paus.
Toch was in den beginne de geestdrift groot. Venetië, Genua en Florence, waar het republikeinsche gevoel zeer sterk ontwikkeld was, gromden en lieten hun tanden zien, maar Cremona, Padua, Brescia, Pisa, Verona, Mantua en andere Ghibellijnsche steden en Signorie zonden gezanten om hem leenmanschap te beloven en onder groot gejuich en gejubel werd Hendrik (Januari 1311) in de S. Ambrogio te Milaan met de IJzeren Kroon gekroond.
Evenwel was deze vreugde van korten duur. Als Pacificator had hij de Milaneesche Visconti uit de ballingschap teruggeroepen, in de hoop hen te verzoenen met hun gelukkige Welfsche mededingers, de partij Della Torre; maar de goed-gemeende tusschenkomst had een uitbarsting ten gevolge, die hem wel zal ontsteld hebben. Een oproer brak uit en na veel bloedvergieten werden de Torriani verdreven. Daarop stonden Cremona, Brescia, en andere steden op en trotseerden Hendrik; deze was nu genoodzaakt zijn taak als rex pacificus op te geven; hij plunderde Cremona en liet de muren slechten; Brescia dwong hij te capituleeren na een beleg van vier maanden, waarbij aan beide kanten de afschuwelijkste wreedheden werden bedreven.
Een heel jaar was nu voorbijgegaan en nog steeds bevond zich Hendrik op een grooten afstand van Rome. In October 1311 trok hij met zijn troepen de vijandig gezinde stad Genua binnen, waar hij eenigen tijd bleef wegens de ziekte en den dood van zijn gemalin. In Maart 1312 werd hij te Pisa verwelkomd, dat, zooals gewoonlijk, aan de zijde van keizersgezinden stond uit haat tegen Florence. Te Pisa vernam hij, dat te Rome de Colonna’s en andere imperialisten, die reeds gezanten gezonden hadden om hem (en ook Paus Clemens) uit te noodigen, ijverig bezig waren voor zijn kroning, maar dat de Orsini daarentegen Koning Robert van Napels naar Rome geroepen hadden en dat de Florentijnen alles deden, wat in hun macht was, om hem tegen te werken; zij kochten het Fransche hof en den Paus om en brachten een verbond van de Welfsche steden tot stand om Koning Robert te helpen in alle pogingen, die hij in het werk zou stellen om den barbaarschen Duitschen vijand van Italië, lo straniero, il Tedesco, il barbaro nemico d’ Italia e della sua libertà, te verdrijven. Hendrik hoorde ook, dat Robert in antwoord op dit verzoek en deze uitnoodigingen zijn broeder Jan had gestuurd met troepen om zich te Rome met de Orsini te verbinden en dat zij het Vaticaan, den Engelenburg en het Trastevere hadden bezet.
Nadat Hendrik uit Rome was vertrokken, had het volk de overhand gekregen in een worsteling met den adel en wederom een republikeinschen regeeringsvorm ingesteld. Zij noodigden hem nu uit terug te komen en de keizerlijke waardigheid uit hun handen te aanvaarden, terwijl zij hiermede te kennen wilden geven, dat zij alleen het recht hadden die te verleenen. Hendrik was geneigd de uitnoodiging aan te nemen. Hij verlangde er ook zeer naar Koning Robert voor zijn onbeschaamdheid te straffen en met die bedoeling had hij reeds een verbond gesloten met Frederik van Sicilië, een daad, die den Paus zoo woedend maakte, dat hij, hoewel te laat, den banvloek over den Keizer uitsprak.
Hendrik verzamelde een sterk landleger, dat gesteund zou worden door ongeveer 150 oorlogs-galeien, die door Genua, Pisa en Sicilië waren geleverd; toen brak hij nog eens naar het zuiden op. Het was wederom midden in den zomer en zijn manschappen hadden vreeselijk te lijden van de hitte en de moeraskoorts. Hij had Buonconvento, ongeveer dertig kilometer ten zuiden van Siena bijna bereikt, toen hij plotseling stierf, waarschijnlijk aan een aanval van malaria of aan een bloedvergiftiging, ofschoon men vertelde en algemeen geloofde, dat het noodlottige vergift hem in de heilige hostie of op een andere wijze door een Dominicaner priester was toegediend. Zijn lichaam werd naar Pisa gebracht en in de kathedraal bijgezet. Later werd het verplaatst naar den Campo Santo (zie plaat 51 en verklaring).
Met den dood van Hendrik van Luxemburg eindigde voor altijd het middeleeuwsche Duitsch-Italiaansche Romeinsche Keizerrijk, om een juisten naam voor deze eenigszins fictieve zaak te gebruiken. Wel trokken er nog andere Keizers met verschillende staatkundige bedoelingen de Alpen over, maar geen ander kwam, zooals hij, om als een opvolger van Augustus het Romeinsche Keizerrijk te herstellen op zijn ouden grondslag, den wil van het Romeinsche volk. Met den dood van Bonifacius VIII en de verplaatsing van den pauselijken stoel van Rome naar Avignon eindigde ook het Italiaansche Pausdom van de Middeleeuwen.
Maar die zoogenaamde Middeleeuwen kwamen niet zoo plotseling tot een einde. Het was een overgangstijd, zooals de tooverachtige schemering tusschen het eerste ochtendgrauw en het eerste goud van de zon, of misschien kunnen wij, met terzijdestelling van bedriegelijke zonne-vergelijkingen, op de litteratuur en de kunst wijzen, die in dit geval ten minste een juist beeld van dien tijd geven en waardoor de verschillende trappen van de ontwikkeling van hetgeen gewoonlijk de Renaissance of de Rinascimento wordt genoemd, het best worden aangeduid.
De tijd van Bonifacius VIII en van Hendrik VII was ook de tijd van Dante en in de Italiaansche letterkunde schijnt de geweldige figuur van Dante de geheele ruimte tusschen het einde van de Middeleeuwen en het begin van de nieuwe wetenschap te vullen. Van verschillend standpunt beschouwd is hij voor ons de eenige groote dichter van de middeleeuwsche litteratuur en de eerste groote moderne dichter. Hij staat alleen. Voor hem waren er wel een paar zwakke zangers, die in de nieuwe Italiaansche taal de zoete en bevallige rijmen der liefde zongen, maar, om weder tot een zonne-vergelijking terug te keeren, zij waren als morgensterren, die verbleeken voor het licht van de zon. En na zijn dood staan wij, als het ware, voor een plotselingen afgrond; want, ofschoon de levens van Dante en Petrarca gedurende zeventien jaren samenvallen, bestaat er tusschen hen beiden zulk een onoverkomelijke kloof, dat zij tot twee geheel verschillende eeuwen schijnen te behooren. Zoo wordt hier een merkwaardig rustpunt in de geschiedenis van het Italiaansche volk aangegeven. Het is waar, dat velen “de Middeleeuwen” tot een aanmerkelijk lateren datum uitbreiden. Sommigen strekken dit tijdperk uit tot de inneming van Constantinopel door de Turken in 1453 of zelfs tot de ontdekking van Amerika in 1492. Maar wij kunnen met recht het groote gedicht van Dante, dat tusschen 1301 en 1320 geschreven is, als den waren grenssteen beschouwen tusschen middeleeuwsch en modern Italië, of misschien juister het Italië van de Renaissance. Wat de kunst betreft (beeldhouwkunst en schilderkunst) geldt hetzelfde, ofschoon de verschillende trappen van den overgangstijd niet altijd samenvallen met de ontwikkelingstrappen der Italiaansche litteratuur. De herleving der beeldhouwkunst ging, om redenen, die wij later zullen vermelden, aan die van de schilderkunst vooraf, maar, in het algemeen gesproken, kunnen wij de Pisani en Giotto toch wel tijdgenooten van Dante noemen, en, zooals hij zelf, staan ook deze kunstenaars daar bijna zonder voorgangers en volgt daarop een tijdperk, zooals er komt tusschen de wilde bloemen van het voorjaar en die van den zomer, een tamelijk lange en dorre tijd, die niet veel merkwaardigs voortbracht behalve Orcagna en de Gaddi; doch daarna komt de groote opbloei van kunst in de dagen van della Quercia, Brunelleschi, Ghiberti, Donatello en Fra Angelico. Bij het begin van dezen overgangstijd en ongeveer bij het einde van Dante’s leven heb ik besloten dit overzicht van de geschiedenis van Italië in de Middeleeuwen, een overzicht, dat ruim duizend jaar heeft omvat, te eindigen.

Italië ten tijde van Dante
C. 1300
De grenzen staan natuurlijk niet geheel vast. Zij veranderden waarschijnlijk voortdurend. Corsica en Sardinië stonden lang onder Saraceensche heerschappij, maar werden door Pisa en Genua bevrijd (omstreeks 1016). Na den slag bij Meloria (1284) verdreven de Genueezen de Pisanen. Ofschoon de Pausen zich het recht aanmatigden om de investituur aan verschillende vorsten te schenken, (Frederik II, de Anjou’s, en de vorsten van Arragon), moeten de eilanden toch in het algemeen beschouwd worden als te behooren tot de noordelijke republikeinsche Staten en Signorie.