300–800.
Reading edition
Men kan aannemen, dat de klassieke Romeinsche kunst, ofschoon haar geest nog vele jaren bleef leven en men geen nauwkeurigen datum kan geven voor haar verdwijnen, is uitgestorven tusschen den tijd van de Antonini en dien van Constantijn den Groote (c. 160–300). Misschien wordt de beste illustratie van het bijna ongeloofelijke verschil tusschen deze twee tijdperken ten opzichte van de kunst gegeven door den triomfboog van Constantijn (zie fig. 2). De boog dateert, hetzij hij door Constantijn hersteld is of niet, zeker uit den tijd van de Antonini, misschien van Trajanus (c. 110) en is een mooi voorbeeld van laat-klassieke bouwkunst; maar een blik op de reliëfs—die van Trajanus en de Antonini naast die van Constantijn—zal beter dan woorden aantoonen, niet alleen wat de beeldhouwers van Constantijn’s tijd beteekenden, maar ook hoe de Romeinen alle gevoel voor kunst moesten verloren hebben, wanneer zij zonder zichzelf te minachten èn naar deze èn naar gene afbeeldingen konden kijken.

30. S. Miniato, Florence.
Hier begon zich nu het nieuwe principe te toonen. Wij hebben gewezen op de villa van Diocletianus te Spalato en de S. Costanza te Rome als overblijfselen van de klassieke kunst, en dit is juist, wat betreft den edelen vorm en verhouding; maar zij kunnen nog beter dienen als voorbeelden van den ouden bouwvorm bezield door een nieuwen geest; want te midden van de droevige ontaarding van de klassieke sculptuur en architectuur en de algemeene plundering van antieke monumenten voor de oprichting of versiering van nieuwer gebouwen, een wijze van handelen, die met de meest gevoellooze barbaarschheid plaats vond, begon men toch in te zien, dat in de bouwkunst (zooals misschien in alles) schoonheid en nut innig samenhangen, ofschoon men dien samenhang niet altijd duidelijk kan aanwijzen. In dit geval was het de zuil, die wederom iets te doen kreeg. In Diocletianus’ villa (c. 300) vinden wij zuilen, die werkelijk bogen dragen, zooals bij den “Dom van de Rots” (de kerk van het Heilige Graf), die misschien door Constantijn te Jeruzalem gebouwd is, terwijl bij het Romeinsche Mausoleum van Constantijn’s dochter (later de kerk van S. Costanza) een zware bovenbouw van muur en koepel gedragen wordt door bogen, die rusten op korte, horizontale stukken, elk liggende op twee zuilen, zooals men op de schets kan zien. Dit is misschien het eerste bekende voorbeeld van vrije zuilen, die het geheele gewicht van een grooten bovenbouw dragen, zooals dat ook in de oude Christelijke basilieken is; een tweede belangrijk punt is het feit, dat het korte gekoppelde kapiteel een duidelijke aankondiging is van het tweede kapiteel of pulvino van een anderen stijl, den Byzantijnschen, die weldra in het oostelijke Rijk en in sommige deelen van Italië overheerschend zou worden. Laten wij nu deze twee nieuwe bouwstijlen, dien van de Christelijke basilieken en dien van de Byzantijnsche gebouwen behandelen.
Basilieken.
De oorsprong van de Christelijke basiliek is onbekend. Het woord beteekent in het Grieksch een koninklijk gebouw. In het oude Rome werd het gebruikt voor een zaal om rechtszittingen of vergaderingen te houden; de grootste was de Basilica van Constantijn (eindelijk gebouwd door zijn mededinger Maxentius), wier geweldige ruïne bekend is aan ieder, die Rome heeft bezocht. Beroemd is ook de Basilica te Trier, die oorspronkelijk een rechtzaal of een hal was. Maar de theorie, dat ooit een dergelijk openbaar gebouw aan de Christenen zou zijn afgestaan, of dat zij of de architecten van Constantijn de eerste kerken zouden gebouwd hebben naar het voorbeeld van dergelijke gebouwen, wordt over het algemeen niet meer aanvaard, en het gewone Romeinsche huis met zijn atrium en zuilengangen, of een schola wordt nu als het prototype beschouwd; en de naam wordt verklaard als het “Huis des Konings” d.w.z., “Huis des Heeren”, wat ook het woord “kerk” (kyriakon) beteekent.

S. Costanza fuori, Rome.
Niet lang geleden werd een kleine Christelijke kerk van basiliekvorm, de S. Maria Antiqua, aan het licht gebracht te midden van de geweldige ruïnen aan de noordzijde van den Palatinus. Men gelooft, dat het oorspronkelijk de bibliotheek van den Tempel van Augustus is geweest en het is zeer wel mogelijk, dat het een van de eerste kerken in Rome was en als voorbeeld voor de oudste Christelijke basilieken heeft gediend. Men kan duidelijk zien hoe de zuilenrijen en de aula veranderd zijn in schip en apsis. De muren zijn versierd met Byzantijnsche frescos uit lateren tijd, die snel verkleuren.
De eenige stad van Italië, die Rome misschien in basilieken overtreft, is Ravenna, dat gedurende drie eeuwen, als hoofdstad van het Westersche Keizerrijk, van het Oost-Gotische koninkrijk, en van het Exarchaat, in staatkundige en geestelijke aangelegenheden Rome’s mededingster was. Deze schitterende basilieken van Ravenna (van c. 500–600) zijn vroeger reeds beschreven. Zij verschillen in dit opzicht van de basilieken te Rome, dat zij, zooals de latere basilieken van Grado en Torcello, Byzantijnschen invloed vertoonen in de détails, zooals de pulvino (zie fig. 17 en 23 en pag. 238) en de buitengewoon prachtige en oorspronkelijke sculptuur van de wit-marmeren kapiteelen.
Byzantijnsche Bouwkunst.
Toen wij de regeering van Justinianus I behandeld hebben, is er melding gemaakt van de vele gebouwen, die door hem zijn opgericht en in het bijzonder is zijn groote kathedraal van S. Sofia te Constantinopel genoemd en de S. Vitale te Ravenna. Men zal zich herinneren dat deze kerken, prachtige voorbeelden van den ouden Byzantijnsche stijl, van het zgn. centrale type zijn, d.w.z. niet gebouwd volgens het ontwerp van een Romeinsche basilica.
In verband met deze Byzantijnsche kerken heeft de koepel een groote beteekenis. Hij is het voornaamste kenmerk, en hetzij de koepel is ontstaan in navolging van de geweldige Romeinsche Thermae, hetzij hij of uit het Oosten is gekomen, het is, als het ware, een herschepping van de Byzantijnsche bouwmeesters, misschien van Athemius van Tralles, in Klein-Azië, die de S. Sofia voor Justinianus heeft gebouwd. Hoe dit is geschied, vereischt eenige verklaring.
De Romeinsche koepel was een monoliet, zooals de reusachtige steen, die het mausoleum van Theoderik dekt, of bestond uit een massa cement, die op een tijdelijk geraamte werd samengevoegd en op een rond bouwwerk rustte, zooals een deksel op een pot, zonder zijdelingschen druk. Dit systeem was zeer lastig en kostbaar en de Byzantijnsche bouwmeesters bedachten andere methoden. Zij construeerden een koepel van terra-cotta buizen, spiraalsgewijze samengevoegd en bedekt met pleister; deze nu was veel lichter dan de Romeinsche koepel. Maar er waren zware pijlers noodig, daar de samengestelde bouw een sterkeren zijdelingschen druk uitoefende. En er was nog een andere moeilijkheid. De ruimte, die door een koepel bedekt moest worden, was meestal vierkant of veelhoekig. Hoe moet men een ronden koepel op een vierkante basis zetten? Wanneer men de hoeken van het vierkant zoo opvult dat men een ronde basis vormt, is de draagkracht zeer zwak. De oplossing van deze moeilijkheid door middel van pendentieven is een van de belangrijkste feiten in de Byzantijnsche bouwkunst.
Een andere merkwaardigheid van den Byzantijnschen stijl is de vorm van het kapiteel, dat niet langer concaaf blijft, daar de zuil een geweldig gewicht moet dragen, maar convex is en niet meer diep uitgesneden, zooals het Corinthische kapiteel, maar in ondiep relief gebeeldhouwd is. De versiering van het kapiteel is dikwijls bijzonder fraai, hoewel conventioneel, b.v. blad- en bloem-ornamenten, mandewerk of een fijn diep ingeboorde bewerking, die op kant lijkt. En eindelijk werd, om den boog hooger en lichter te maken, het Byzantijnsche kapiteel gekroond door de pulvino (een tweede, “boven-kapiteel”).
Nog een andere merkwaardigheid is het gebruik van gekleurd-marmeren dunne platen, waarmede de Byzantijnsche gebouwen, die niet zelden van baksteen waren, dikwijls in- en uitwendig werden versierd; aldus kon men zeer rijke en schitterende effecten bereiken.
Mozaïek.
Er bestaan zeer fraaie voorbeelden van oud-Romeinschen steen- en glasmozaïek, zooals het Nijl-landschap in een vloer te Palestrina en de “Alexander-slag” te Pompeii; maar de kunst om muren en apsiden met groote mozaïek-werken te versieren schijnt onder de Christenen te Rome tegelijk met de oprichting van de eerste basilieken te zijn ontstaan en van Italië naar Constantinopel te zijn overgeplant, waar zij zich weer verder ontwikkeld heeft. Wij zullen ons beperken tot een paar voorbeelden van mozaïeken te Rome en te Ravenna; want de zuiver-Byzantijnsche mozaïeken, die eens in grooten getale aanwezig waren, zijn bijna alle vernield door de beeldenstormers, Kruisvaarders en Turken, terwijl de nog bestaande, in de S. Sofia of andere moskeeën, meerendeels verborgen zijn door bepleistering. Maar wij zullen den Byzantijnschen stijl in eenige Italiaansche mozaïeken kunnen nagaan.

Kapiteelen in de S. Vitale.
De eerste groote mozaïeken van het Christelijke Rome zijn natuurlijk uit den tijd van Constantijn, want voor den “Vrede” hadden de Christenen geen groote kerken. Bovendien schijnt de herleving van het glasmozaïek uit deze periode te dateeren. De oudste zijn waarschijnlijk die van S. Constanza (c. 320). Dit gebouw was bedoeld als mausoleum, niet als kerk, en het feit, dat Constantijn een ongedoopte heiden was tot zijn laatste uren, maakt het duidelijk, waarom deze mozaïeken,—die gedeeltelijk bewaard, gedeeltelijk bekend zijn uit oude teekeningen,—bijna geheel decoratief en niet Christelijk zijn, nl. voorstellingen van den oogst, wijnrank-ornamenten, vogels, Cupidootjes, alles zeer fijn afgewerkt. Een ander schitterend mozaïek (c. 370) kan men zien in de S. Pudenziana, een kerk, die, naar men zeide, gebouwd was op een terrein, behoorend aan Pudent, den gastheer van den H. Petrus, en gewijd aan zijn dochter Pudentia. Hier hebben wij (fig. 24) zooals op vele andere apsis-mozaïeken, een groote symbolische voorstelling. De Zaligmaker, een zeer eerwaardige figuur met breeden baard en lang haar, dat over zijn schouders valt, troont te midden van de Apostelen voor de muren en torens van het Nieuwe Jeruzalem; op den achtergrond verheft zich de Calvariënberg met het triumfeerende Kruis, waar omheen de dier-gestalten van de Evangelisten zweven. In deze groote apocalyptische voorstellingen is Christus meestal de midden-figuur en Hij wordt omringd door engelen en allerlei symbolische afbeeldingen, den zeven-armigen kandelaar, de rivieren van het Paradijs, het Lam op den troon, de twaalf Apostolische schapen, gewoonlijk komende uit gebouwen, die Jeruzalem en Bethlehem voorstellen, de Evangelische dieren en de Hand van God, die uit een wolk te voorschijn treedt. Op den boog van de apsis en de muren van het schip zijn veelal Bijbelsche voorstellingen of personen. Andere prachtige, oude mozaïeken waren die van de S. Paulo fuori (fig. 4), die kort nadat de kerk voltooid was, door Honorius werden aangebracht (c. 420); maar hiervan hebben wij nu slechts reconstructies, daar de origineele vernield zijn door den brand van 1823.

31. Tombe van Beatrice, Moeder van Gravin Matilda, Pisa.
Het laatste Romeinsche mozaïek van groote waardigheid en schoonheid, in ouden stijl, kan men zien in de apsis van S.S. Cosma e Damiano. Het is van c. 530. In het midden staat de majestueuze figuur van den Zaligmaker op een glanzende wolk, omringd door den H. Petrus, den H. Paulus en de twee martelaren. Op den voorgrond zijn de vier rivieren van het Paradijs, het Lam en Schapen. Merkwaardig is het gelaat van Christus, dat in de oude kunst (b.v. in sommige Ravenna-mozaïeken) gewoonlijk jong en baardeloos is, maar in de S. Pudenziana hebben wij, misschien voor het eerst, den baard, het lange haar en de oudere en ernstiger uitdrukking opgemerkt, en hier is dat nog meer ontwikkeld en bijna gelijk aan de voorstelling van de latere Italiaansche kunst.
Na de komst van de Longobarden kreeg de Byzantijnsche stijl de overhand te Rome, waar een tijdlang een nauwere aansluiting met het oostelijke Keizerrijk werd gezocht als een middel om de Longobardische invasie te keeren. Maar tegen het midden van de achtste eeuw was Rome feitelijk weer onafhankelijk en kwamen de Romeinsche kunstenaars in de gunst. Doch de kunst was zeer gedaald, ofschoon de Scholae de traditie van den edelen stijl nog eenigszins schijnen bewaard te hebben. Een goed voorbeeld daarvan is het Triclinium-mozaïek van Paus Leo III, waarvan een gedeelte gegeven is op p. 216. Hier vinden wij wel een eerwaardige Christus-figuur, met vollen baard, en eerwaardige Apostelen; ook de zittende H. Petrus is plechtig, maar in de knielende figuren van Leo en Karel ligt niet weinig middeleeuwsche groteske deftigheid.
De prachtige Ravenna-mozaïeken dateeren uit de periode c. 440–560. De oudste zijn in het mausoleum van Galla Placidia (zie p. 79); zij zijn in zuiver Romeinschen stijl en bijzonder mooi door hun donkerblauwen achtergrond.
Merkwaardig is het mozaïek, waarop Christus als jonge herder, baardeloos, doch met lang haar, gezeten te midden van Zijn kudde, is afgebeeld. Ongeveer tien jaar ouder zijn de mozaïeken van het Baptisterium (fig. 10), een Romeinsch badhuis, dat Bisschop Neon omstreeks 450 “bekeerd” heeft. In het midden van den koepel ziet men den Doop, een fijne schildering op gouden grond; daar rondom bewegen zich de Apostelen, op een helderblauwen achtergrond. De mozaïeken van het Santo Spirito Baptisterium, een Romeinsch badhuis veranderd voor Theoderik’s Arianen, toont hetzelfde motief, maar de Apostelen zijn eerwaardiger, en Christus is een jongeling.
Ook in de S. Vitale behoeft men slechts zijn blikken te wenden van de mozaïeken van Justinianus (fig. 17) met hun schitterende pracht van juweelen, diademen en hofkleedij naar de oudere mozaïeken van de apsis, waar de Zaligmaker in kalme schoonheid en waardigheid op den wereldbol troont te midden van de in het wit gekleede engelen, om plotseling te gevoelen, dat men in een hooger sfeer gevoerd wordt. Het laatste van deze Ravenna-mozaïeken, in de S. Apollinare in Classe, stelt een apocalyptisch visioen van de Transfiguratie voor. In het midden staat een Kruis, niet als symbool van boetedoening door smartelijk lijden en bloedigen doodstrijd, maar van overwinning en vreugde. Bij het Kruis ziet men de drie apostelen op den berg Tabor, aangeduid door schapen; daarna rijen van andere schapen, en bloeiende weilanden, waar zich de groote figuur van S. Apollinare verheft. Dit mozaïek is dikwijls hersteld, maar het is zeer edel van conceptie en verdient een plaats onder de schoonste van de Romeinsche school.
Grootschheid en kleurenpracht, die de Byzantijnsche mozaïeken kenmerken, kunnen natuurlijk worden aangewend voor werkelijk artistieke en niet zuiver decoratieve doeleinden (zooals bij de latere Venetiaansche schilders), maar wanneer de liefde voor de waarheid ontbreekt, moet dit uitloopen op ijdel vertoon en leidt het slechts tot mechanische productie en zinnelooze herhaling. Tijdens Justinianus’ regeering begon de vroeg-Byzantijnsche stijl in de mozaïeken zijn invloed uit te oefenen op Italië, dat door de herovering in een ellendigen toestand was gebracht, en waarschijnlijk was daar, behalve in eenige gilden (scholae te Rome), alle kunstzin verdwenen. Maar deze Byzantijnsche invloed heeft, behalve te Ravenna en in eenige kerken te Rome (b.v. S. Agnese fuori) zeer weinig sporen achtergelaten. De Longobardische oorlogen en overheersching zullen wel de oorzaak zijn van het verdwijnen van vele kunstschatten, die door de kroniekschrijvers worden vermeld, en toen (c. 730) het edict van Keizer Leo over den beeldenstorm vele Byzantijnsche kunstenaars naar Italië dreef, was blijkbaar de kunst van muur-mozaïek in Rome ongeveer uitgestorven. Hier vinden wij na 800 zeer weinig mozaïekwerken en zij vertoonen een achteruitgang, die steeds grooter wordt. Maar in sommige Italiaansche steden, die langer onder Byzantijnsche heerschappij bleven, behield de Oostersche invloed niet alleen in de mozaïek-kunst, maar ook in het metaalwerk (brons, zilver, goud en email) zijn kracht. Te Venetië, dat de voornaamste haven werd voor den Oosterschen handel, ontstond een krachtige herleving van het Byzantijnsche mozaïek, vooral in verband met den herbouw van de St. Marcus in Byzantijnschen stijl na den brand van 976. De oudste van de vele en prachtige mozaïeken van die kerk zijn van deze periode, en na de inneming van Constantinopel door de Latijnen in 1204 veroorzaakte de nieuwe stroom van Byzantijnsche kunstenaars wederom een herleving, waarvan de gevolgen zich over meer dan drie eeuwen, tot de dagen van Tintoretto uitbreidden. Met het oog op deze Venetiaansche mozaïeken moet men niet vergeten, dat, ofschoon de stoot door de Byzantijnsche kunst gegeven is, de stijl toch door het Italiaansche genie zeer is veredeld.
Ook in Zuid-Italië en Sicilië was gedurende de periode 1000–1200 (den tijd van de Noormannen) blijkbaar een belangrijke school van Byzantijnsche kunstenaars, want wij vinden prachtige Byzantijnsche mozaïeken in de groote kerken en paleizen van Normandische en Saraceensche architectuur (b.v. in Salerno, Palermo, Cefalù, Monreale etc).
Romeinsch-Longobardische Bouwkunst (Vroeg-Romaansch)
Evenals in de geschiedenis van het oude Griekenland, hebben wij ook in de geschiedenis van Italië, tijdens de Longobardische overheersching (c. 568–774), een Donker Tijdperk; en dit Donkere Tijdperk strekt zich nog verder uit, al is het niet zoo hopeloos duister als de drie eeuwen, die op de Dorische volksverhuizing volgden. In Italië, evenals in Griekenland, was het gevolg van de verovering door een noordelijk volk een lange en doodsche periode, die gevolgd werd door een schitterend opleven van de kunst, hetgeen misschien te danken is aan de vermenging van de frissche manlijke, zij het ook wat barbaarsche kracht van het Noorden met de zuidelijke, eenigszins verwijfde gevoeligheid voor schoonheid van vorm en kleur.
Doch met groote zekerheid kunnen wij het werk van Romeinsche handwerkslieden aanwijzen in Noord-Italië gedurende de heerschappij der Longobarden, eerst aan het hof van Agilulf en Theodelinda, die talrijke mooie kerken bouwden, en later in vele deelen van het Longobardische koninkrijk.
De Longobarden waren oorspronkelijk een woest volk,—zoo woest, dat Narses zijn Longobardische bondgenooten naar huis moest sturen wegens hun barbaarschheden,—en in de eerste vijf jaren van hun Italiaansche overheersching, tijdens de regeering van Alboin en Clefi en de daarop volgende anarchie (575–85) zal de beschaving onder deze gens nefandissima et sceleratissima wel erg geleden hebben. Maar de nakomelingen van deze noordelijke barbaren begonnen reeds ten tijde van Agilulf en Theodelinda (590) met verbazing de afbeeldingen van hun woeste voorvaderen te beschouwen, en geestdrift te gevoelen voor de kunst en beschaving van het land, dat zij hadden veroverd. Te Pavia, Cremona, Bergamo, Perledo, en andere plaatsen in het Como-district richtte Theodelinda kerken en kasteelen op, en te Monza herbouwde zij het zomerpaleis van Theoderik, versierde het met frescos en verbond daaraan een schoone basilica, waarin zich 70 ampullae met heilige olie, een schatkamer en een merkwaardige lunette bevond (zie hoofdst. I).

32. Ingang van het Baptisterium, Volterra.
De eerste Longobardische basiliek, die door de kroniekschrijvers wordt vermeld, is gebouwd bij Bergamo door Theodelinda’s eersten echtgenoot, Koning Autharis. Over de vele bouwwerken van Theodelinda is reeds gesproken. Van haar Monza-basiliek, een gebouw met achthoekig centrum, zijn nog slechts eenige oude ronde en achtzijdige zuilen over met kapiteelen, waarop Longobardische vogels en andere dieren zijn afgebeeld; van haar eigen paleis bestaan nog slechts een paar twijfelachtige overblijfselen. De kathedraal van Padua geeft misschien de oudste (dikwijls herstelde) Longobardische façade, met blinde galerijen en eenvoudige ronde vensters. (De groote Romaansche vensters in den vorm van een wiel of rozet zijn van later tijd.) De oude kerk van S. Salvatore te Brescia, die nu een deel van het Museum uitmaakt, heeft eenige bijzonder fraaie witmarmeren kapiteelen met lofwerk, en ook andere, die de Longobardische, groteske kenmerken vertoonen. De laatste zijn uit den tijd van Desiderius; de eerste zijn misschien Romeinsch of Byzantijnsch werk, dat men zich toegeëigend heeft; maar zij kunnen ook “Comacijnsch” d. i. Romeinsch-Longobardisch zijn. Te Lucca, in de S. Frediane (oorspronkelijk gebouwd door een Ierschen bisschop c. 570), zijn eenige zeer mooie oude of Romeinsch-Longobardische zuilen en een apside-colonnade met architraven in plaats van bogen, die misschien Romeinsch-Longobardisch is. Te Pavia werd de beroemde S. Pietro in Ciel d’oro, wellicht opgericht door Agilulf of Theodelinda, herbouwd of hersteld door Liutprand, die, zooals reeds verhaald is, het gebeente van St. Augustinus daarheen bracht. Van het oorspronkelijke gebouw zijn een paar kapiteelen en een gedeelte van den voorgevel nog over. Andere kerken, die overblijfselen bezitten van vroeg Romeinsch-Longobardische bouwkunst zijn de oude, doch onlangs herbouwde basilica van S. Abbondio bij Como, de S. Giusto en S. Martino (fig. 41 te Lucca, de kapel van de S. Maria della Valle te Cividale (c. 750), de S. Fedele te Como, en de S. Ambrogio te Milaan, wier atrium oorspronkelijk van c. 790 is.

Longobardisch werk in de basiliek van S. Abbondio bij Como.
Andere kerken, zooals de hier afgebeelde, zijn zeer zeker Longobardisch, ofschoon zij het barbaarsche karakter missen. Het uitwendige is voornamelijk in later Romaanschen stijl en toont daarvan vele kenmerken, zooals de diep inliggende vensters, de arcades van baksteen en marmer, en het zigzag-ornament dat zo gewoon is in de Noordsche architectuur. De prachtige voorgevel, met het fraaie rozet-raam (fig. 25), dateert grootendeels van een reconstructie van omstreeks 1040; maar de schoone inspringende portalen zijn ongetwijfeld voor een deel oud Romeinsch-Longobardisch. De andere basiliek, de S. Maria Maggiore, was de oudste van de twee en de zetel van den bisschop tot 650, doch er is niet veel over van het oude gebouw, dat omstreeks 800 geheel herbouwd is. De façade is ongeveer uit denzelfden tijd als die van de S. Pietro.

S. Pietro, Toscanella. S. Ambrogio, Milaan.
Opmerking verdient de pilaar boven den zuil van het schip; dit is een belangrijk kenmerk van de Noordsche architectuur,—de schacht van het gewelf. Dergelijke schachten zijn oude overblijfselen van de opstanden in de houten kerken van het Noorden. De Longobarden brachten die in de zevende eeuw naar Italië en zij zijn nog over in de S. Ambrogio te Milaan en de S. Michele te Pavia.