Note 15 — 300–800.
Reading edition
Wij hebben gezien, hoe de latere, ontaarde klassiek Romeinsche architectuur nieuw leven en nieuwe vormen ontwikkelde door het aanvaarden van dergelijke vondsten als de boog-dragende zuil, den koepel en den pendentief. Maar wij hebben ook gezien, hoe in de drie eeuwen (300–600), waarin, de basiliek-stijl en de Byzantijnsche vormen van de Romeinsche bouwkunst hun hoogtepunt bereikten, de oude bezielende geest van de inheemsche15 kunst voortleefde, elk oogenblik gereed om andere vormen aan te nemen, wanneer de vereischte voorwaarden zich voordeden; want er is reden om aan te nemen, dat te Rome, in al de onstuimige jaren van barbaarsche en Byzantijnsche invallen, ondanks alle belegeringen, hongersnood en pest, niettegenstaande een tijdlang alle inwoners de stad verlaten hadden, toch de gilden in stand zijn gebleven, die zekere kunsten en handwerken van geslacht op geslacht hebben overgeleverd. Wij hooren van “scholen” in Rome, zooals de schola Graeca, door Paus Hadrianus I in 782 gesticht en de scholae Francorum, scholae Saxonum en dergelijke. Het is onbekend, of dit godsdienstige of kunstenaars-vereenigingen waren, zooals nu ook in Rome bestaan, voor buitenlandsche studenten, of dat het gilden waren van kooplieden, geleerden, toonkunstenaars enz., waarvan de kroniekschrijvers vermelden, dat zij in de 7e en 8e eeuw te Rome bestonden en die er waarschijnlijk reeds vroeger waren. Dat er gilden van architecten bestonden, kunnen wij afleiden uit het feit, dat er hier en daar prachtige voorbeelden van architectuur en sculptuur bestaan, die zeker noch Byzantijnsch noch Longobardisch zijn en die schijnen te dateeren uit den tijd, dien wij het Donkere Tijdperk hebben genoemd, toen in Italië, te oordeelen naar alle andere overblijfselen, de kunst zeer diep gezonken was. Men kan niet ontkennen, dat die “specimina” zeldzaam zijn en van twijfelachtige afkomst en tijd; maar zij wekken toch het vermoeden, dat dank zij de gilden het geslacht van de inheemsche kunstenaars niet geheel uitgestorven was; en het lijkt niet onwaarschijnlijk, dat handwerkslieden van deze gilden hun weg vonden naar de Gotische en Byzantijnsche hoven te Ravenna, naar de steden van Zuid-Italië en het noordelijk Exarchaat, en ook naar de eilanden van Venetië, daar in al die plaatsen sporen van hen schijnen te bestaan.16