← Table of contents
Italië in de Middeleeuwen

tot c. 1200.

Reading edition

47. Tombe van Frederik II, Palermo.
47. Tombe van Frederik II, Palermo.

47. Tombe van Frederik II, Palermo.

Behalve de zeesteden, waarbij Venetië natuurlijk een belangrijke plaats innam en later onze aandacht zal vragen, verdienen nog de Lombardische en Toskaansche steden, en ook Rome, nadere beschouwing.

De pogingen van het Romeinsche volk om de Republiek te herstellen, zijn beschreven in het Historisch Overzicht. Dat deze pogingen, ofschoon zij een tijdlang met gunstigen uitslag bekroond werden, ten slotte schipbreuk leden, is zeer goed te begrijpen, wanneer wij denken aan de eindelooze botsingen tusschen de Pausen en de edelen, en wanneer wij ons ook rekenschap geven van het feit, dat de stad Rome zelf, ofschoon er groote rijkdom was onder de feudale aanzienlijken, zoowel onder de leeken als onder de geestelijken, toch niet zulk een handel bezat als die, waarop de nieuwe republieken gegrondvest waren. Rome was geen zeestad met een haven en een sterke vloot. Het was ook geen middelpunt van een productieve landstreek. Evenmin bezat het een talrijke en vermogende klasse van burgers, die handel dreven. De bevolking bestond bijna geheel uit het gepeupel en de aristocratie, die op veel grooter afstand van elkander stonden dan de plebejers en patriciërs van vroeger dagen, en tusschen hen bestond slechts een niet talrijke middenstand, de leden van de militaire scholae (stads-militie), die zekere staatkundige rechten hadden, bezitters mochten zijn van onbezwaard land, en wier eenige groote eerzucht was tot de klasse der nobiliteit te worden toegelaten.

De geschiedenis van de botsing tusschen de verbonden republieken en Frederik Barbarossa is reeds elders verteld. Wij zullen dus eenige bladzijden besteden aan de inwendige historie van de twee belangrijkste steden van den Lombardischen Bond, Venetië en Milaan, terwijl wij er ons niet om zullen bekommeren de feiten nauwkeurig in de omlijsting van oorlogen en politieke gebeurtenissen te passen.

Venetië (800–1200).

Munt van Venetië c. 860.
Munt van Venetië c. 860.

Munt van Venetië c. 860.

Omstreeks 828 werd het gewaande lijk van den H. Marcus naar Venetië gebracht, wanneer men het verhaal van de vrome dieven mag gelooven; en het werd gered uit de handen der goddelooze Saracenen, die het aan een onderzoek wilden onderwerpen door het aan den mast te binden en met varkensvleesch te bedekken. Een kapel (memoria) werd op den Broglio opgericht om de reliquie te ontvangen.

In 976 verwoestte een groote brand deze gedenk-kapel, en ook, ten minste gedeeltelijk, het hertogelijk paleis. Dit gebeurde gedurende de korte regeering van den Doge Pietro Orseolo I, die, zooals in een vroeger hoofdstuk is verteld, door St. Romualdus van Ravenna werd overreed om kluizenaar te worden en Venetië in het geheim te verlaten (zie p. 304). Men zegt, dat Orseolo een verzoek naar Constantinopel heeft gestuurd om bekwame bouwmeesters te zenden en zijn geheele vermogen heeft verbruikt om de kapel te herbouwen of misschien om den bouw van de veel grooter kerk te beginnen, die op dezelfde plaats langzamerhand verrees.

Dat Venetië reeds in deze vroegste tijden, niettegenstaande den merkwaardigen groei van zijn handel en zijn macht ter zee en niettegenstaande den schijnbaar stevigen vorm van regeering, blootgesteld was aan dergelijke gevaren, als die waarvan alle andere Italiaansche republieken te lijden hadden, blijkt uit de vele en ernstige intriges en ongeregeldheden, waarover wij berichten hebben in verband met de verkiezingen van de Doges, en de talrijke veeten en partijtwisten, die voortdurend in de stad heerschten. Om dit nader toe te lichten kunnen wij vermelden, dat tijdens de regeering van Memo, een zwakken en slechten man, die in 991, van moord verdacht, is afgezet, de invloedrijke familie van de Caloprini er bijna in slaagde hun geboortestad op te offeren aan de wraak, die zij wilden nemen op hun staatkundige mededingers, de Morosini; de Caloprini zochten hun toevlucht aan het hof van Otto II en overreedden hem met een sterke vloot en een groot leger op te trekken tegen Venetië, waar hun partijgenooten bereid waren om de belegeraars door verraad te helpen. Maar, gelukkig voor Venetië, werd het plan verijdeld door den dood van Otto.

Memo werd opgevolgd door een van de grootste van de Doges, Pietro Orseolo II, onder wiens regeering Venetië een aanvang maakte met die veroveringen, waardoor het zulk een belangrijke macht werd aan de Middellandsche zee; want hij onderwierp de Kroaten en de Adriatische zeeroovers en annexeerde Dalmatië. Sinds dien tijd werd door den Venetiaanschen Doge de titel “Doge van Dalmatië” gevoerd, en maakte Venetië zelf er aanspraak op heerscher van de Adriatische zee te zijn; het recht op deze heerschappij werd ook zinnebeeldig voorgesteld door een feest, de Sensa geheeten, waarbij de schepen van den Staat uitzeilden naar de open zee en de Doge door den Bisschop met zout water werd besprenkeld. Dit feest ontwikkelde zich in later tijden tot de schilderachtige plechtigheid van den Sposalizio, de bruiloft van Venetië met de Adriatische zee, een plechtigheid, die stand hield tot het jaar 1797, ongeveer achthonderd jaar, nadat de Sensa was ingesteld. Orseolo II wekte een groote bewondering op in het overgevoelige gemoed van Otto III. Men zal zich herinneren, dat deze vrome, overspannen vorst het plan (dat nooit verwezenlijkt zou worden) koesterde om zich uit de wereld terug te trekken, zooals de eerste Doge Orseolo had gedaan, en dat hij een tijdlang in het klooster van Classe, bij Ravenna, leefde, waar St. Romualdus tevergeefs trachtte hem te overreden zich voor altijd aan het kloosterleven te wijden. Gedurende zijn verblijf te Ravenna (omstreeks 1000) heeft Otto, “in slaafsche kleederen vermomd”, naar men vertelt, Venetië bezocht en tranen van ontroering kwamen hem in de oogen, toen hij den luister van de onlangs herbouwde kathedraal en het hertogelijk paleis aanschouwde. Maar ondanks deze tranen schijnt Doge Orseolo toch de Venetiaansche vloot niet beloofd te hebben (of in ieder geval niet geleend te hebben), die Otto zoo gaarne had willen gebruiken om zekere plannen van niet zeer godsdienstige strekking te volvoeren.

48. Karel van Anjou, Rome.
48. Karel van Anjou, Rome.

48. Karel van Anjou, Rome.

Omstreeks het jaar 1032 waren er reeds zoovele Doges afgezet, in ongenade gevallen of zelfs gedood, dikwijls wegens het vermoeden, dat zij er naar streefden een erfelijk despotisme te grondvesten, dat de Arengo wetten liet aannemen, die blijkbaar waren bedoeld als stappen in democratische richting, doch een tegengestelde uitwerking bleken te hebben. Tot dusverre had de Doge een bijna absolute macht bezeten, ofschoon hij door de stemmen van het volk werd gekozen en afgezet. Aldus was de Venetiaansche staat een republiek met een president, aan wien koninklijke macht was opgedragen; en toen dit een gevaarlijke proef bleek te zijn, beperkte de Arengo, in plaats van (zooals de koningen der Noormannen op Sicilië hadden gedaan) te werken in de richting van een regeeringsvorm met volksvertegenwoordiging, de macht van den Doge door hem twee consiglieri (raadslieden) te geven en hem te dwingen andere voorname en verdienstelijke burgers uit te noodigen om hem in zaken van groot gewicht met hun raad bij te staan. Deze particuliere raadslieden en deze kamer van de Pregadi (“uitgenoodigden”) maakten het absolutisme van de Doges onschadelijk, maar tevens was dit de kern, waaraan de Venetiaansche oligarchische tyrannie en de Raad van Tienen, die zulk een beruchten naam heeft, hun ontstaan te danken hebben.

Vijftig jaren later (1082–84) werd door Venetië, als bondgenoot van Alexius, den Keizer van het Oosten, de oorlog ondernomen tegen Robert Guiscard en werd de ongelukkige zeeslag bij Durazzo (zie p. 360) geleverd, waarin de vloot van de Venetianen werd vernield en die tengevolge had, dat Doge Selvo werd afgezet. Maar deze ramp kwamen de Venetianen weldra te boven. De dood van Robert Guiscard in 1085 was de oorzaak, dat de Noormannen van het oostelijk gedeelte der Adriatische zee wegtrokken, en daarna nam de Venetiaansche Doge zijn titel van Hertog van Dalmatië weder aan. Na dien tijd begon de macht van de Venetianen in het oostelijk deel van de Middellandsche zee zich snel te ontwikkelen.

In 1172 vond er weder een verandering in de staatsregeling plaats. Het gezag van den Doge werd nogmaals beperkt, maar voor den tweeden keer werd de macht van de edelen vergroot door een maatregel, die zooals het volk geloofde, een democratische strekking had, doch inderdaad een tegengestelde uitwerking bleek te hebben. De sestieri (zes wijken van de stad) kregen in naam het recht den grooten jaarlijkschen Raad te kiezen; maar ofschoon dit lichaam voor de eerste maal gekozen werd door de twaalf, die de zes wijken benoemd hadden, benoemde de Raad na het eerste jaar zelf de twaalf kiezers. Er werd ook door den Raad een commissie uit zijn leden afgevaardigd om den Doge te kiezen. Aldus werd het volk ten opzichte van zijn kiesrecht bedrogen.

In 1177 had te Venetië de dramatische ontmoeting plaats van Frederik Barbarossa en Paus Alexander III. Dit is reeds beschreven in het Historisch Overzicht (p. 337). Tijdens den derden kruistocht (1189–92), waarbij Frederik Barbarossa het leven verloren heeft, zonden de Venetianen, waarschijnlijk weder met het oog op hun handelsbelangen en misschien ook om andere redenen, een sterke vloot naar het oosten, waar zij zich onderscheidden bij het ontzet van Tyrus en de belegering van Akkon (Acre).

Milaan.

Ondanks den gunstigen uitslag van dezen strijd bevond Aribert zich toch in een zeer moeilijken toestand als tegenstander van de aristocratische partij, waartoe hij behoorde als een verdediger van de onafhankelijke Milaneesche Kerk en van het huwelijk der geestelijken. De hervormers van Cluny en Hildebrand, die de partij van het Pausdom en het coelibaat vertegenwoordigden, waren op de hand van het volk van Milaan, evenals Aribert, maar zij waren bittere vijanden van de autonomie der Milaneesche Kerk van St. Ambrosius, waarvan hij, evenals de adel, een vurig voorstander was. Eindelijk trok hij zich uit het openbare leven terug en stierf kort daarna (1045). Na zijn dood hadden er hevige gevechten plaats, daar het volk voor zijn politieke vrijheid en religieuze slavernij streed, terwijl de adel, die krachtig opkwam voor de onafhankelijkheid van zijn Kerk en gehuwde geestelijken, zelfs bereid was zijn staatkundige vrijheid aan den vreemden vijand te verraden. Ten slotte kreeg de partij van den Paus en het volk de overhand; de gehuwde priesters werden uit de kerken gejaagd en hun echtgenooten in het openbaar door de vrouwen van de stad gehoond en beleedigd. Een diaken van de Kerk van Rome, Erlembald, maakte zich meester van het hoogere gezag en regeerde een tijdlang over Milaan met een Raad van Dertig, terwijl hij zich zulk een ijverig voorstander van de pauselijke partij betoonde, dat hij door den Paus vereerd werd met den titel van il Gonfaloniere della Chiesa. Doch er waren nog vele, die aan hun Ambrosiaansche Kerk verknocht waren, en toen Erlembald bij een oproer was gedood, besloten de Milaneezen zich voor een nieuwen aartsbisschop te wenden tot Hendrik IV, en niet tot Gregorius; wegens die daad werd Milaan door den banbliksem van den Paus getroffen.

Niet lang daarna hooren wij voor het eerst van Consuls te Milaan. Het schijnt wel alsof de Milaneezen besloten hadden hun godsdiensttwisten ter zijde te zetten ter wille van hun republikeinsche vrijheid. Ongeveer zestig of zeventig jaren lang wordt er weinig vermeld, een feit, dat men zonder twijfel moet toeschrijven aan betrekkelijk vreedzame en welvarende toestanden. Omstreeks 1154 wordt deze rust afgebroken door de geweldige botsing van Frederik Barbarossa met de Lombardische steden en, zooals wij reeds weten, was Milaan het middelpunt, de Carroccio als het ware, waar om heen zich de strijd ontwikkelde. Den uitslag van dien strijd en de lotgevallen van Milaan hebben wij reeds beschreven.

Florence (tot 1200)

La bellissima e famosissima figlia di Roma, Fiorenza.

Dante.

In verband met Florence, dat later in het bijzonder onze aandacht zal vragen, is er betrekkelijk weinig van algemeen belang te vermelden gedurende deze vier eeuwen en dit onderwerp wordt dan ook, niet alleen door den Taciteïschen Machiavelli, maar zelfs door Sismondi in zijn uitvoerig werk van zestien deelen kort afgehandeld. Er zijn echter verschillende bijzonderheden, die alleen door het feit, dat zij betrekking hebben op de “schoonste dochter van Rome”, een sterke bekoring uitoefenen op allen, die de Italiaansche kunst en de Italiaansche literatuur liefhebben. Wij zullen hier in het kort de vroegste lotgevallen van de stad beschrijven en dan eenige van deze details geven, zonder ons bij het laatste al te zeer om den historischen samenhang te bekommeren.

49. S. Maria di Collemaggio, Aquila.
49. S. Maria di Collemaggio, Aquila.

49. S. Maria di Collemaggio, Aquila.

Maar, om terug te keeren tot vroegere tijden, men zal zich herinneren, hoe, omstreeks het jaar 405 Florence, evenals Fiesole, werd belegerd door Radegast en zijn geweldig leger van barbaren uit het noorden en hoe Stilicho aanrukte om de stad te ontzetten en de belegeraars versloeg (zie p. 69). Villani schrijft de redding toe aan de uitwerking van de gebeden van den eersten, grooten bisschop van Florence, St. Zenobius; de meesten van hen, die Florence bezocht hebben, zullen de legenden, die met hem in verband staan, wel kennen. Ongeveer honderd en vijftig jaren later, heeft Totila, zegt men, de stad geplunderd en alles verwoest, behalve het Baptisterium, een daad, waarvan Dante ten onrechte Attila beschuldigt. Nadat wederom eenige eeuwen waren verloopen, bracht Karel de Groote een bezoek aan de stad; hij stichtte, zooals de overlevering en een inscriptie op den voorgevel verzekeren, de kleine basiliek van de Santi Apostoli, die hij door den Aartsbisschop Turpin in tegenwoordigheid van Orlando en andere van zijn paladijnen liet inwijden(!).

Over de gebeurtenissen gedurende de heerschappij van de Karolingers en de woelige tijden van den zoogenaamden regno d’ Italia indipendente kan weinig met zekerheid vermeld worden. Dat de stad nu zeer welvarend was, blijkt wel uit de herhaalde bezoeken, die de Keizers, zooals de Otto’s, er brachten, en ook uit het feit, dat vele prachtige Romaansche bouwwerken door de kroniekschrijvers genoemd worden. Onder deze moeten wij in het bijzonder op de S. Miniato de aandacht vestigen, die volgens Machiavelli door Hendrik II in 1002 gesticht is. Zij is van al deze Romaansche kerken, die nog in Florence over zijn, het eenige ongeschonden voorbeeld.

Ten tijde van Otto II en Otto III werd Florence (tot 1001 of misschien tot 1006) bestuurd door den beroemden Markies Ugo van Brandenburg, il gran barone, zooals hij door Dante wordt genoemd, den voorvader van vijf adelijke Florentijnsche geslachten, wiens graftombe, gebeeldhouwd door Mino da Fiesole, men in de Badía (de Abdij-kerk, gesticht door zijn moeder, Gravin Willa, in 978) kan zien. Zijn opvolger, Markies Bonifacius, die zijn macht uitbreidde als Hertog van Ferrara, Modena en Mantua, was de vader van de bekende Gravin Mathilde, van wie wij reeds zooveel gehoord hebben.

Omstreeks 1063, tijdens de regeering van Gravin Beatrice en haar tweeden gemaal, Godfried van Lotharingen, kwam de stemming van het volk tot een uitbarsting, die door haar heftigheid en hardnekkigheid bewees, hoe onafhankelijk en onhandelbaar de Florentijnen werden. Keizer Hendrik IV, die zooals wij gezien hebben, met de Pausen over de verkiezing en de investituur van de bisschoppen streed en die vele van zijn eigen bisschoppen had benoemd, trachtte den Florentijnen een bisschop, Mezzabarba geheeten, op te dringen; zijn vijanden beschuldigden er hem zelfs van den bisschopsstaf aan dien man verkocht te hebben. Ongeveer vijf jaren lang heerschten er voortdurende onlusten. De Paus zond tevergeefs Pietro Damiano om den vrede te herstellen. Ten slotte verscheen een kampioen, een dweepzieke monnik, die aanbood zich aan den vuurproef te onderwerpen en, gelukkiger dan de arme Savonarola, daar ongedeerd afkwam. Daarop werd hij tot bisschop gekozen en moest Mezzabarba verdwijnen.

In 1114, een jaar voor den dood van Mathilde, verzochten de Pisanen (die later zoo gehaat waren in Florence, dat Dante op hen schimpt als “vossen vol bedrog” en als “de schande van het schoone land waar men si hoort”) de Florentijnen, of zij hun land tegen Lucca wilden beschermen, terwijl zij op hun expeditie naar de Balearische eilanden waren. Dit deden de Florentijnen en de Pisanen schonken hun uit dankbaarheid de twee prachtige porfieren zuilen, die bij den oostelijken ingang van het Baptisterium en de bronzen deuren van Ghiberti staan. Het lijkt wel een uiting van lage wraak, dat de Florentijnen juist aan deze zuilen de kettingen uit de haven van Pisa hebben opgehangen, die de Genueezen op de Pisanen veroverd hadden. In onze dagen evenwel is dit onrecht hersteld, en thans hangen de kettingen in den Campo Santo te Pisa.

Ten opzichte van haar bekende nalatenschap schijnt Mathilde zich als particuliere eigenares een recht te hebben aangematigd, waarop zelfs de machtigste van de feudale monarchen ternauwernood aanspraak zou durven maken. Het was haar bedoeling aan de Kerk, en wel aan den Paus als vertegenwoordiger van de Kerk, niet alleen haar allodiale bezittingen na te laten, maar ook het geheele Toskaansche gebied, dat voornamelijk uit leengoederen bestond, die volgens het feudale stelsel aan het Keizerrijk vervielen. Deze nalatenschap bracht veel ellende met zich mede, maar voor Florence was het indirect een zegen, daar de poging om het gebied van de stad bij ontstentenis van een rechtmatigen opvolger willekeurig weg te schenken voor de stad een prikkel werd om te streven naar republikeinsche vrijheid.

De republikeinsche regeeringsvorm, die langzamerhand werd ingevoerd, zal bij latere gelegenheden onze aandacht trekken. Het zal hier voldoende zijn er op te wijzen, dat het eenige krachtige bolwerk van de volkspartij bestond in de Kooplieden-gilden (Arti), waardoor de middenstand, die vooral veel invloed had door den handel en de ambachten, zich vereenigde tegen den adel. Een feit, dat het zelfvertrouwen van de burgers verhoogde en hun besef gaf van hun eigen kracht, was de inneming en verwoesting van Fiesole, dat, ofschoon het geen sterke vesting meer was, den burgers van de jonge republiek een doorn in het oog was geworden.

Munt van Florence, c. 1200.
Munt van Florence, c. 1200.

Munt van Florence, c. 1200.

Notes in this chapter

Note 1 · Met het Pausdom, een staatkundige macht, die om zoo te zeggen over “tooverwapens” beschikte, kan uit de Grieksche geschiedenis niets vergeleNote 2 · Sommigen hebben getracht de Italiaansche republiek in verband te brengen met het Romeinsche municipium, anderen met het volkselement in het Note 3 · Amalfi, dat nu een visschersdorp is, gelegen tusschen de steile rotsen, die de Baai van Salerno insluiten, was in die dagen een stad van 50.Note 4 · De Saracenen hadden tot nog toe Sardinië, Corsica, de Balearen en een groot gedeelte van Spanje en Noord-Afrika in hun macht gehad. Zij haddNote 5 · Na de verovering van Sardinië en Corsica versloegen de Pisanen de Saracenen bij Tunis en in 1063 vernielden zij een sterke vloot van de MuzeNote 6 · Zij leenden b.v. dikwijls schepen aan Frederik I en Hendrik VI. De gunst van den Keizer bekrachtigde wel is waar vele van hun rechten en hieNote 7 · Het schijnt, dat Ravenna zich op een afstand hield en imperialistisch gezind was. Het stond onder keizerlijke Podestà en later onder de PoleNote 8 · Na den dood van Gravin Mathilde in 1115 verwierf Siena de onafhankelijkheid en kort daarna nam het, tenzij de stad reeds lang geleden daartoNote 9 · Geheel herbouwd en met Grieksche mozaïeken voorzien door Doge Selvo in 1073 en op een andere plaats gebouwd in 1322.Note 10 · Dit paleis is in 976 afgebrand en herbouwd in 1025, en daarna is het dikwijls veranderd.Note 11 · Een geschenk van Leo, den keizer van het Oosten. De tegenwoordige kerk, die omstreeks 1470 op dezelfde plaats is gebouwd, ten oosten van hetNote 12 · Zie p. 374, noot. De liefde van Selvo voor Byzantijnsche bouwkunst en mozaïekwerk werd ongetwijfeld aangewakkerd door zijn echtgenoote, een Note 13 · Naar aanleiding hiervan wijs ik op een bijzonder bruikbaar boekje op dit gebied: “De Heiligen in de Kunst” door M. E. Tabor [Vertaler].Note 14 · Het aantal lichamen van heiligen, die genoemd worden in verband met de geschiedenis van Venetië, is verbazingwekkend. Wij lezen b.v. van hetNote 15 · Voor bijzonderheden zie men Ruskin’s St. Mark’s Rest en ook Venice, in Mediaeval Towns. Een vreemde toelichting op de verklaringen van de scNote 16 · De Schrijver vindt het onnoodig aan te teekenen, waar dit vers bij Byron voorkomt. Bedoeld wordt: Childe Harold’s Pilgrimage IV. 12 “Oh, forNote 17 · De blindheid van Dandolo is een van de raadsels in de geschiedenis. De kroniekschrijvers verschillen hopeloos op dit punt. Een van hen, die Note 18 · Goten, Longobarden, Franken, Saksers, Hohenstaufen, de Visconti, Sforza’s, Lodewijk XII, Frans I, Karel V, Philips van Spanje, OostenrijkersNote 19 · In navolging van de S. Vitale te Ravenna. Er zijn verscheidene Romaansche kerken (Simpliciano, Sepolcro en andere), die door de latere ramp Note 20 · Ook door de Engelschen in 1138 nagevolgd. Bij Montaperti in 1260 boden de Florentijnsche Welfen het laatst wanhopig weerstand rondom hun CarNote 21 · Dante was overtuigd dat hij van Romeinsche afkomst was. Het is waarschijnlijk, dat zijn geslacht (Alighieri) afstamde van de Romeinsche FranNote 22 · Blijkbaar gebouwd op de plaats van den tempel, misschien door St. Ambrosius, die zooals bekend is, in 394 de S. Lorenzo gesticht heeft of doNote 23 · Paradiso XVI, 145. Men zie ook Inferno XXVIII, 107, waar Dante het beroemd geworden gezegde van Mosca dei Lamberti aanhaalt: “Cosa fatta capNote 24 · Ond’ ella (Fiorenza) toglie ancora e terza e nona, Paradiso XV, 98.Note 25 · Paradiso XV en XVI.Note 26 · Disviluppato dal mondo fellace. Par. XV, 146.Note 27 · Inferno X, 36, come avesse lo inferno in gran dispitto.Note 28 · Omstreeks dezen tijd stelden de Florentijnen, in plaats van Consuls, als hun hoogsten magistraat een Podestà aan (een “Macht” of “AutoriteitNote 29 · Een treffend voorbeeld van deze wijze van bouwen wordt gegeven door de vijftig (thans dertien) torens van het kleine stadje S. Gimignano. ZiNote 30 · De republikeinsche regeeringsvorm vond natuurlijk geen gelegenheid om zich te ontwikkelen tijdens het militaire despotisme van de Goten, ByzNote 31 · Wij hebben reeds gezien (Deel III, hoofdst. III), hoe Venetië in vroege tijden reeds voordeel trok van zijn natuurlijke ligging om een bond Note 32 · In het voorbijgaan dient er de aandacht op gevestigd te worden, hoe tegelijk met de opkomst van deze Italiaansche republieken reeds dadelijkNote 33 · In vorige hoofdstukken hebben wij vele gewichtige punten besproken in verband met de oudste geschiedenis van de meer belangrijke steden van Note 34 · Een uitbarsting zooals deze, waardoor de Lombardische Stedenbond tot stand kwam, moet het gevolg geweest zijn van krachtige invloeden, die zNote 35 · Een vluchtige schets van de geschiedenis van Venetië, of juister Venetia, van den eersten oorsprong tot de dagen van Karel den Groote is reeNote 36 · Men zegt, dat Doge Selvo, wiens regeering van dertien jaren zulk een droevig einde nam, de nieuwe S. Marco met vele kostbare marmeren beeldeNote 37 · Onder hen, die in dezen tijd Venetië bezochten om hun hulde brengen aan de overblijfselen van den Heilige14 en de nieuwe kathedraal met haarNote 38 · De Venetianen namen op schitterende wijze deel aan den eersten en tweeden kruistocht, misschien meer met het oog op handelsbelangen dan uit Note 39 · In 1193 werd tot Doge de beroemde Enrico Dandolo gekozen, wiens naam misschien bij sommigen van ons eerst bekend is geworden door Byron16, aNote 40 · De geschiedenis van Milaan biedt een zeer sterke tegenstelling met die van Venetië. Het was geen zeemogendheid en evenmin een welvarende hanNote 41 · Van het Romeinsche Mediolanum, ofschoon het van de dagen van Diocletianus tot den tijd van Attila de residentie was van de Westersche KeizerNote 42 · Sinds de dagen van St. Ambrosius was de kerk van Milaan, evenals die van Ravenna, geneigd haar onafhankelijkheid tegenover Rome te handhavenNote 43 · Florentia was ongetwijfeld oorspronkelijk niets anders dan een aanlegplaats aan de rivier van de Etruriërs en Galliërs, die de vesting FaesuNote 44 · Onder Bonifacius († 1052), zijn weduwe Beatrice († 1076) en hun dochter Mathilde († 1115) werd Florence een belangrijk handelscentrum en breNote 45 · In 1173 werd de stad met een nieuwen, tweeden kring van muren omgeven. Deze sloten een aanmerkelijk grooter ruimte in dan het oude FlorentiaNote 46 · De Uberti zetten de republikeinsche Consuls af en hadden gedurende twee jaren ongeveer (1177–79) het hoogste gezag in handen, maar toch blee
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings