Attila de Hun.
Reading edition
In verband met deze escapade van Honoria zal de volgende beschrijving van Attila’s persoon en karakter belangwekkend zijn. Het is vertaald uit het Latijn van Jordanes, die een compendium van de verloren Gotische Geschiedenis van Cassiodorus schreef en Cassiodorus kreeg waarschijnlijk zijn gegevens van Priscus, die den Hunnen-koning bezocht en een verslag maakte van zijn bezoek. “Attila” zegt Jordanes, “was een man geboren om landen te verwoesten en schrik te verspreiden over de wereld; hij veroorzaakte een paniek door het ontzagwekkende gerucht, dat voor hem uitging. Hij schreed met trotschen stap, rondkijkend naar alle kanten, alsof hij zijn hoogmoed en macht door de bewegingen van zijn lichaam wilde toonen; hij was een minnaar van den oorlog, maar gematigd in zijn levenswijs; buitengewoon streng in de vergadering, vriendelijk voor smeekelingen, voor altijd de beschermer van hem, aan wien hij eenmaal zijn vertrouwen had geschonken, kort van gestalte, met breeden borst, groot hoofd, kleine oogen, een dunnen baard met grijze haren er tusschen, stompen neus, bleeke gelaatskleur—alle kenmerken van zijn ras.”
Maar Attila was woedend omdat hij slechts zeventien deserteurs terugzag. Hij eischte, dat het gezantschap verder noordwaarts zou gaan—ongeveer 375 K.M.—naar zijn vesting en zijn paleis. Derhalve volgden zij de gidsen en bereikten het eindelijk, na lange omwegen, door eindelooze bosschen en over ontelbare rivieren. Attila’s paleis was van hout opgetrokken en omringd door torens en palissaden, binnen welke zijn talrijke vrouwen haar afzonderlijke woningen hadden. Het eenige steenen gebouw in het kamp was een badhuis, gebouwd door een Romeinsch architect. De gezanten werden ontvangen in de feestzaal van het paleis. Attila en zijn zoon zaten met twee voorname barbaren op een verhooging, terwijl de gasten aan kleine tafels zaten—de keizerlijke gezanten hadden in rangorde voor de officieele personen der Goten en andere barbaren moeten wijken. Wijn werd aan allen in gouden bekers aangeboden en verschillende spijzen op zilveren schalen, maar op de koninklijke tafel stonden slechts houten bekers en borden, en alleen vleesch werd opgediend, want “Attila proefde nooit de weelde van brood” (Gibbon). Hij versierde zijn wapens en tuig van zijn paard ook niet met kostbaar metaal of edelgesteenten, zooals zijn voorname krijgers; hij onderscheidde zich met trots van de anderen door de kleeding en de gewoonten van zijn nomaden-voorvaderen. Toen het verraderlijk plan tegen zijn leven onthuld werd, gedroeg hij zich waardig en edelmoedig; hij nam de verzekering van de keizerlijke gezanten, dat zij geheel onschuldig waren, aan, en zond hen ongedeerd terug. Ja zelfs, toen Theodosius andere gezanten zond om Attila’s toorn af te wenden, drong deze er niet langer op aan de schuldige hovelingen te straffen. Integendeel, hij liet zelfs Romeinsche gevangen vrij en stond grondgebied ten zuiden van den Donau af.
In 450, het jaar waarin Galla Placidia stierf, werd Theodosius van zijn paard geworpen en gedood. Marcianus, die hem als gemaal van Pulcheria opvolgde, had een geheel ander karakter. Een van zijn eerste daden was, met goedvinden van Pulcheria, den hoveling Chrysaphios, die het complot tegen Attila had gesmeed, ter dood te brengen. Maar deze daad van gerechtigheid, waarvan misschien de oorzaak te vinden is in het edelmoedig gedrag van den koning, beteekende allerminst een laffe onderwerping; want toen Attila weder schatting eischte, was dit volgens Priscus Marcianus’ antwoord: “Als hij zich rustig hield, zou hij hem rijkelijk beschenken, maar als hij met oorlog dreigde, zou hij hem met mannen en wapenen weerstaan.”
Attila dreigde, hoogmoedig en onbeschaamd—maar aarzelde; en terwijl hij aarzelde, of hij Constantinopel of Ravenna zou aanvallen, bereikten hem berichten van het verre Westen en het Noorden, die zijn richting bepaalden.
Attila trok terug tot dicht bij Troyes en daar, op de Catalaunische vlakten (bij Châlons) tusschen de Seine en de Marne, werd een slag geleverd, die waarschijnlijk geheel West-Europa redde van een Hunnen-overheersching en van de omverwerping, misschien van de vernietiging van Romeinsche beschaving en Christendom. De slag is beschreven door Jordanes in zijn uittreksel van de Gotische Geschiedenis van Cassiodorus (c. 500) en Cassiodorus had zonder twijfel veteranen gesproken, die aan de eene of aan de andere zijde gestreden hadden. “De slag was zoo woest, zoo uitgestrekt, zoo bloedig, zoo hardnekkig, dat men uit de geheele oudheid iets dergelijks niet kon aanhalen.”

12. S. Apollinare Nuovo, Ravenna.
Het aantal dooden, zegt deze schrijver, was 162.000, ongerekend 15.000 Franken en Gepiden die bij een voorafgaande ontmoeting waren gesneuveld. Dit getal is misschien overdreven, doch het staat vast, dat de strijd lang en bloedig was. Men vertelt, dat Attila een brandstapel van houten zadels en andere stukken der uitrustingen had opgericht met de bedoeling om zich (en waarschijnlijk anderen) als een brandoffer aan de goden te offeren in geval van een nederlaag—zooals de Carthager Hamilcar negen eeuwen vroeger bij Himera had gedaan; maar Attila’s nederlaag was geen vernietiging. Aan beide kanten waren zware verliezen geleden en de koning der West-Goten, Theoderik, was gedood door een werpspies. Attila was dus in staat zijn troepen weer veilig over den Rijn te voeren, want Aëtius (die hierom later van verraad werd beschuldigd) deinsde er voor terug om “den gewonden leeuw in zijn leger” aan te vallen, zooals Jordanes het uitdrukt.
Men kan zich de woede en verbittering van Attila voorstellen. Nog eens zendt hij een dringend verzoek om de hand en bruidschat van Honoria. Hij verzamelt een nog grooter leger en in het volgende voorjaar (452) slaat hij als een orkaan op Italië neer. Zijn doel was zonder twijfel Rome, maar eerst wilde hij zijn Hunnen beloonen en de nederlaag wreken door de verwoesting en plundering van Noord-Italië. Aquileia, dat nu de rijkste en meest bevolkte stad van de Adriatische kust was geworden, werd drie maanden lang belegerd en met allerlei belegeringswerktuigen bestookt. Maar alle pogingen waren vruchteloos en reeds was hij besloten de onderneming op te geven, toen hij bij zijn ommegang van de muren opmerkte, dat de ooievaars met hun jongen de stad verlieten (waarschijnlijk vóor den gewonen tijd), waaruit hij opmaakte, dat er geen voedsel meer te krijgen was. Derhalve werd het beleg voortgezet en weldra werd Aquileia stormenderhand genomen en geslecht, zoodat nog geen eeuw later, in de dagen van Jordanes, nauwelijks een spoor van de stad over was. Later werd zij herbouwd en de zetel van een machtig anti-pauselijk patriarchaat. Maar nadat Attila de stad verwoest had, vluchtten alle inwoners naar Grado (het strand), of naar die laguneneilanden, die later een federatie vormden en eerst tribunen en daarna een Doge (Dux) kozen; de plaats van zijn paleis was de Rialto (Rivo alto of diepe stroom) van Venetië.
Van Aquileia gingen de Hunnen naar het Westen; Altina en Padua werden plat gebrand. Verona, Vicenza, Bergamo werden geplunderd. Toen schijnt Attila zijn strijdkrachten verzameld te hebben bij den Lacus Benacus (Lago di Garda) met de bedoeling de Apennijnen over te trekken en Rome aan te vallen.
De zwakke en lafhartige Valentinianus was van Ravenna naar Rome gevlucht; maar ook te Rome heerschte een paniek, want er was geen leger, sterk genoeg om Attila te weerstaan en Aëtius had bericht gestuurd, dat zijn bondgenooten, de West-Goten, en zijn Gallische troepen weigerden op te trekken om Italië te ontzetten. Men besloot derhalve een gezantschap te zenden om den toorn van den Hunnenkoning te bezweren en zonder twijfel ook om hem een groote som geld aan te bieden—waarschijnlijk in den verzoenenden vorm van den zoo dikwijls gevraagden bruidschat van Honoria of beter gezegd een douceur, want zij was reeds ten huwelijk gegeven aan een obscuren man, voordat zij in een gevangenis werd opgesloten om daar gedurende haar verdere leven haar dwaasheden te betreuren.
Als voornaamste gezant werd Avienus gekozen, een senator van hoogen stand; de Bisschop van Rome, Leo I, (de Groote), vergezelde het gezantschap, dat in 452 de Apennijnen overtrok. Zij vonden Attila en zijn geweldig leger in een kamp dicht bij de plaats waar de Mincio uit den Lago di Garda stroomt—nu ligt daar Peschiera—niet ver van Sirmio, waar eens de villa van Catullus stond, en eveneens niet ver van het land, heilig aan allen, die Vergilius liefhebben, waar de heuvels langzaam afloopen naar Mantua en “de breede Mincius langzaam zijn bochten maakt en zijn oevers met zacht riet omzoomt.” (Georg. III. 14).
Het lot van Alarik had Attila misschien afgeschrikt van de plundering van Rome. Doch dit redde hem niet van een dergelijk einde. Kort na zijn onderhandeling met de Romeinsche gezanten stierf hij plotseling (waar en wanneer is onzeker, doch waarschijnlijk in het volgend jaar (453) in Pannonië of te Etzelnburg) ’s nachts aan een aderbreuk na het feestmaal ter eere van zijn bruiloft met Idlico, de laatste van zijn talrijke vrouwen. Een vaag en waarschijnlijk ongegrond verhaal schreef aan Idlico de misdaad of de eer toe de rol van een Judith te hebben gespeeld.
Het lijk van Attila werd plechtig ten toon gesteld in het midden van de vlakte onder een zijden baldakijn, en uitgelezene escadrons van de Hunnen, rondrijdende met gelijkmatige zwenkingen, zongen een lijkzang ter eere van den held. Het stoffelijk overschot werd in drie kisten gesloten, van goud, zilver en ijzer, en in den nacht begraven; de buit van volkeren werd in zijn graf geworpen; de gevangenen, die den grond hadden uitgegraven, werden meedoogenloos geslacht.
Na den dood van Attila schijnt het Hunnenrijk snel verbrokkeld te zijn. Voordat veertig jaren waren verloopen, maakten de Oost-Goten onder Theoderik zich meester van Italië en de naam der Hunnen wordt zelden meer gehoord.
In het jaar na Attila’s dood (454) bezocht Aëtius Rome en werd door Valentinianus gedood (zie p. 12). De vermoording van Valentinianus zelf, die plaats vond in het volgend jaar en dadelijk gevolgd werd door de plundering van Rome door Gaiserik, kan beschouwd worden als het feitelijke einde van het West-Romeinsche Rijk. Maar gedurende de twintig volgende jaren werd de titel van Augustus door de machtige bevelhebbers van het Romeinsche leger geschonken aan hun protégés; sommige van deze bevelhebbers waren van zuiver barbaarsche afkomst. De voornaamste gebeurtenissen van deze periode zijn reeds vermeld. Derhalve zullen wij, na een korten terugblik op het rijk van Gaiserik in Afrika, dat bijna ter zelfder tijd bestond als Attila’s heerschappij in Midden-Europa, eenigszins uitvoeriger de inneming van Rome door de Vandalen beschrijven en dan overgaan tot Romulus Augustulus en Odovacar.