De schrijvers.
Reading edition
De schrijvers van dezen tijd zijn deels Christelijke, zelfs Kerkvaders, deels heidensche schrijvers, en meestal partijdig, zoodat het dikwijls onmogelijk is hun feiten of waardeering van karakters te aanvaarden. De schrijvers, die de gebeurtenissen beleefd hebben, wekken natuurlijk de meeste belangstelling en men zou kunnen denken, dat deze de nauwkeurigste bijzonderheden vertellen; maar juist zij werden het meest door persoonlijke en politieke invloeden beheerscht. En zij, die de geschiedenis schreven van vroegere tijden, waren gewoon vele legenden te weven tusschen hun verhalen en ook zelf te fantaseeren, zooals Agnellus van Ravenna, die, wanneer de feiten hem in den steek lieten, op God en de gebeden van de broeders vertrouwde om zijn verbeelding te bezielen, opdat er geen lacuna zou zijn in zijn Levens der Pausen. Voor de eerste 30 jaren van de vierde eeuw hebben wij Lactantius en Eusebius, bisschop van Caesarea, die ons o.a. een “Leven van Constantijn” geeft. Hij verklaart openhartig, dat hij de feiten heeft verhaald of verzwegen overeenkomstig de belangen van den godsdienst. Dan hebben wij Keizer Julianus en zijn bewonderaar Libanius, den redenaar en leermeester van Basilius (329–’79) en Chrysostomus (347–407), Grieksche Kerkvaders, tijdgenooten van den Heiligen Hieronymus, den Latijnschen Kerkvader, aan wien wij de Vulgata danken, en den Heiligen Gregorius van Nazianzus, den hevigen bestrijder van den afvalligen Keizer. Daarop volgt de dichter Ausonius (c. 350), leermeester van Gratianus, en Ammianus Marcellinus, een andere bewonderaar van Julianus, die zijn belangrijk werk begint vóór de troonsbestijging van dien Keizer en doorgaat tot de verdwijning van Valens (378). Hoewel te Antiochië in Syrië geboren, was hij de laatste van de Romeinsche onderdanen die een profane geschiedenis in het Latijn schreef. Daarna komt Zosimus, een heidensche Griek, een vurige tegenstander van Theodosius den Katholiek. Zijn verhaal loopt nog over een tamelijk lange periode na dezen Keizer. Een deel van het volgende tijdperk wordt beschreven in de Brieven van St. Ambrosius, de Confessiones en De Civitate Dei en andere werken van St. Augustinus (354–431) en de geschriften van zijn leerling Orosius. Ook Jordanes en Procopius worden nu bruikbaar, daar zij ons inlichtingen geven over Alarik, Galla Placidia, de Vandalen en de periode tusschen de plundering van Rome door Gaiserik en de onttroning van Romulus Augustulus in 476. Voor Attila hebben wij veel te danken aan Priscus’ Excerpta etc. (zie pag. 84). Ten slotte moeten wij nog Sidonius van Lyon, gehuwd met de dochter van Avitus, vermelden; hij schreef lofredenen op hem en andere poppen-Keizers. Door zijn geschriften verwierf hij den bisschopszetel van Clermont, maar voor ons zijn zij van weinig waarde.
Na den val van het West-Romeinsche Rijk in 476 verdwijnt de Latijnsche litteratuur een tijdlang; maar onder bescherming van Theoderik herleeft zij schitterend in de beroemde “De Consolatione Philosophiae” van Boëthius en de werken van Cassiodorus, vooral de Geschiedenis van de Goten, of liever het uitstekende uittreksel, dat de Oost-Gotische Jordanes hiervan heeft gemaakt. Een ander zeer bekend schrijver van deze periode is de Griek Procopius, die Belisarius op zijn Perzische, Afrikaansche en Italiaansche veldtochten vergezelde en een verhaal schreef van den Gotischen Oorlog tot den dood van Theia.
Anicius Manlius Severinus Boëthius, wiens naam van een voorname afkomst getuigt, werd ongeveer 470 geboren. In zijn jeugd studeerde hij te Athene en stelde zich goed op de hoogte van de Grieksche letterkunde. In 510 was hij consul, zooals zijn vader was geweest, en later magister officiorum. Zijn geleerdheid, zijn rijkdom, en zijn hoog ambt verschaften hem grooten invloed. Wij vernemen, dat zijn paleis versierd was met ivoor en marmer, en er zijn nog brieven over (blijkbaar door Cassiodorus geschreven), waarin Theoderik hem vriendelijk om raad vraagt over munten, muziekinstrumenten, klokken, die loopen door middel van stroomend water, zonnewijzers e.a., die hij wil zenden aan den Bourgondischen Koning en waarmede hij de barbaren hoopt te verbazen en te leeren “zichzelve niet met ons gelijk te stellen.” In 522 werden zijn beide zonen, wier moeder de dochter was van Symmachus, een der voornaamste senatoren, consuls, ofschoon zij voor dat ambt tamelijk jong waren. Men zou het leven van Boëthius dus gelukkig kunnen noemen, wanneer wij niet de waarheid van Solon’s woorden moesten erkennen, dat wij “op het einde moeten letten” en niet gedwongen waren de uitspraak van Boëthius te gedenken: “De grootste smart in elken tegenspoed is gelukkig geweest te zijn.”
Men zal zich herinneren, dat tegen het einde van zijn regeering Theoderik zeer verbitterd was door de vijandigheid, waarmede zijn goed bedoelde pogingen waren ontvangen, vooral in Rome, waar een sterke anti-Gotische stemming heerschte. Zonder twijfel stonden sommige van deze patriotten in verbinding met Constantinopel en het ontbrak niet aan menschen, die voorname Romeinen verdacht wilden maken. Een Gotisch partijganger, een zekere Cyprianus, diende een aanklacht in tegen den senator Albinus. Daarop haastte Boëthius zich naar Theoderik in zijn paleis te Verona. “Als Albinus schuldig is, dan ben ik schuldig—en is de geheele senaat schuldig”, riep hij uit. Doch Theoderik legde deze moedige woorden niet juist uit en beschuldigde hem, zooals Boëthius zelf ons vertelt, dat hij in zekere brieven de hoop had uitgedrukt, dat Rome zijn vrijheid mocht herwinnen (libertatem sperasse Romanam). Hij werd naar Pavia gezonden en daar gevangen gezet. De senaat, bevreesd geworden, verklaarde hem schuldig. Het is niet bekend, welke straf eerst tegen hem geëischt werd. Hij schreef een verdediging, doch deze is niet, zooals de Apologia van Socrates, bewaard gebleven. Men weet niet zeker, waar hij gevangen gezeten heeft. Sommigen noemen een kasteel (“Rocca”) bij Pavia, anderen een gebouw bij de vroegere kerk van S. Zeno, weer anderen het baptisterium van de toenmalige kathedraal—misschien S. Zeno, die, zooals de meeste van Pavia’s voormalige 165 kerken, verdwenen is.
Gedurende verscheidene maanden van verschrikkelijke spanning hield hij zich bezig met het schrijven van zijn Apologia en de Consolatione Philosophiae. Ten slotte besloot Theoderik, misschien verbitterd door de ontdekking van een complot en woedend over de sympathie, die de Romeinen en vooral de vader van zijn vrouw, Symmachus, voor den veroordeelden senator toonden, Boëthius te laten dooden. Het vonnis werd met onmenschelijke barbaarschheid uitgevoerd. Een koord werd om zijn hoofd gebonden en zoo strak gespannen, dat zijn oogen uit hun kassen puilden; daarna werd hij met knuppels doodgeslagen. Dit gebeurde, zegt men, in den Agro Calvenzano, aan den weg tusschen Milaan en Pavia, en waarschijnlijk werd hij daar begraven, want ongeveer 1000 liet Keizer Otto III zijn stoffelijk overschot naar de S. Pietro in Ciel d’oro te Pavia brengen, waar men gedurende meer dan acht eeuwen zijn tombe niet ver van die van S. Augustinus kon zien. Zij schijnt verdwenen te zijn, toen de S. Pietro veranderd en een tijdlang verlaten werd (1844–’75), want in de gerestaureerde kerk is hij niet meer te zien. (vgl. plaat 13 en 52. Dante, Par. X, 127.)
Een paar maanden na den dood van Boëthius werd zijn schoonvader Symmachus aangeklaagd, en geboeid naar Ravenna gebracht, waar hij, zonder vorm van proces, waarschijnlijk onder martelingen, ter dood werd gebracht.
Aldus vaagde, niettegenstaande zijn edicten en uitingen van bewondering voor de Romeinsche wetten, het wreede militaire despotisme van den Gotischen Koning alle billijkheid weg; want de schrijvers zijn het allen eens over de valsche beschuldiging van Boëthius. Het is bekend, dat hij voor Albinus en zichzelf een beroep deed op de wetten en verzocht in het openbaar verhoord te worden; en dat Symmachus hetzelfde deed, daarvan kunnen wij overtuigd zijn. Athaulf schijnt wel gelijk te hebben gehad, toen hij zeide, dat de Goten niet in staat waren zichzelf te regeeren.
Quis legem dat amantibus?
Maior lex amor est sibi.
Daarop vraagt hij haar het wezen van het ware geluk te vertellen. Dit doet zij door het valsche geluk te beschrijven en hem te verzoeken zich het tegendeel voor te stellen—het geluk dat bestaat in de verachting van alle aardsche dingen en in de beschouwing van God als het summum bonum. Dit leidt tot een uitvoerige discussie (steeds in verzen en proza) over het wezen van God, van de ziel, van de dieren en de planten. Daarna brengt Boëthius de oude moeilijkheid van het bestaan van het slechte ter sprake en wanneer dit, zoo goed als men kan verwachten, opgelost is, gaat hij over tot het mysterie van den menschelijken vrijen wil en de voorwetenschap van God, tot de praedestinatie en het toeval, gebed, gedachte, gevoel, wilskracht en andere diepzinnige vraagstukken. Philosophia tracht niet al deze problemen op te lossen, maar houdt vol, dat hoop en gebed geen ijdele begoocheling zijn en dat zij, indien zij oprecht zijn, wel degelijk kracht bezitten. Zoo eindigt de Consolatio van Boëthius; daarna wordt er gezwegen, maar Philosophia blijft bij hem, totdat alles voorbij is.
Hoe sterk dit boek van Boëthius tot vroegere geslachten sprak, blijkt wel uit het feit, dat bijna ieder groot schrijver van de Middeleeuwen het vermeldt, het aanhaalt of het navolgt.
De brieven, die Cassiodorus in opdracht van Theoderik en andere Oost-Gotische koningen geschreven heeft, zijn zeer belangrijk en soms vermakelijk, maar zijn bloemrijke en pompeuze stijl is dikwijls vervelend.

21. S. Maria in Cosmedin en de Phocas-Zuil, Rome.
Procopius was geboren te Caesarea, in Palestina. Als jongeling kwam hij te Constantinopel onder de regeering van Anastasius. Hij schijnt weldra bekend te zijn geworden, want ongeveer 528 werd hij door Justinianus uitgekozen om Belisarius op zijn Perzischen veldtocht te vergezellen, waarschijnlijk als secretaris en politieke raadgever. Zooals Polybius Scipio naar Afrika begeleidde en de verwoesting van Carthago bijwoonde, zoo volgde Procopius Belisarius naar Afrika en was tegenwoordig bij de inneming van Carthago. Na de vernietiging van de Vandaalsche heerschappij in Afrika bleef hij bij den Byzantijnschen veldheer in Italië en bewees hem belangrijke diensten tijdens het beleg van Rome en bij andere gelegenheden. Zijn Gotische Oorlog eindigt met den dood van Theia. De laatste zin herinnert sterk aan Thucydides: “Aldus eindigde het 18e jaar van den Gotischen Oorlog, die beschreven is door Procopius.”
Spoedig hierna keerde hij naar Constantinopel terug, waar zijn held Belisarius in tamelijk ongunstige omstandigheden verkeerde, en vergezelde hem op zijn veldtocht tegen de Avaren in 559. Een jaar of twee later werd hij stads-prefect. Men weet niet, wanneer hij gestorven is.
Waarschijnlijk bezorgde zijn eenigszins vleiend verslag van Belisarius’ veldtochten hem en zijn boek een koele ontvangst aan het hof van Justinianus. Misschien heeft hij, om den Keizer gunstig te stemmen, de Aedificiis Justiniani geschreven, een zeer belangrijk werk, over de gebouwen die onder Justinianus opgericht zijn. Een ander boek, dat waarschijnlijk door hem is geschreven, is de Anecdota, dat door zijn Latijnsche vertaler Historia Arcana (geheime geschiedenis) wordt genoemd. Het beweert onthullingen te geven over schandelijke toestanden aan het keizerlijk hof en stort een stroom van bittere satiren uit over Justinianus en zijn gemalin Theodora, het vroegere circus-meisje. Als dit boek van Procopius is, heeft hij het waarschijnlijk later geschreven, toen zelfs zijn de Aedificiis geen gunstige uitwerking had, of toen zijn verontwaardiging over de behandeling van Belisarius ten top was gestegen. De satire werd uitgegeven na Justianius’ dood in 565.
Hij begint te zeggen, dat “menschen met een aanmatigend verstand” mogen beproeven de oorzaak op te sporen van dergelijke dingen, die als de bliksem op het menschelijk ras neerstorten, maar dat God alleen weet, vanwaar zij komen. Geen omstandigheid of land of klimaat of jaargetijde of volk had invloed op de baan van de pest; zij ging haar weg, verwoestte of spaarde, zooals zij wilde. “Laat dus ieder, hetzij wijze of astroloog, over het onderwerp spreken volgens zijn inzichten, maar ik zal vertellen, in welk land de pest het eerst is verschenen en beschrijven, hoe zij de menschen doodde”. Procopius geloofde dat zij het eerst verscheen in Egypte en haar weg in twee jaren door Palestina naar Constantinopel vond, waar hij zelf toen was (543–44). Eerst verbeelden de menschen zich allerlei spookgestalten te zien en door deze gewond te worden; dadelijk daarna worden zij door de pest aangetast. Zij beproeven die door gebeden te verbannen, maar vallen in de kerken dood. Anderen sluiten zich op in hun huizen uit angst, dat zij door de demonen zullen worden opgeroepen. Het eerste symptoom was plotselinge koorts, ofschoon het lichaam bij aanraking niet heet was (zooals ook Thucydides zegt). Binnen een paar dagen vormde zich in de lies of den oksel een gezwel, dat de lijders in doodstrijd over den grond deed rollen of hen in de zee of in de bronnen dreef. Bij ontleding werden in die klierachtige gezwellen afschuwelijke bloedzweren gevonden. Bovendien was het heele lichaam bedekt met zwarte puistjes zoo groot als linzen. Wanneer het gezwel barstte, volgde er soms herstel, maar vele overlevenden werden door paralysis, vooral van de tong, aangetast. “Toen nu alle graven vol waren, en alle menschen, die gebruikt werden om de dooden in het open veld te begraven, verdwenen waren, beklommen zij, die voor de begrafenis van de lijken moesten zorg dragen, daar zij niet in staat waren gelijken tred te houden met het aantal van hen, die stierven, de torens van een gedeelte der stadsmuur, namen de daken er af en wierpen de lijken door elkaar in de torens; en toen zij die allen, om zoo te zeggen, tot den rand volgepropt hadden, legden zij de daken er weer op. En de afgrijselijke stank, die vandaar de stad bereikte, verergerde de ellende van de bewoners, vooral wanneer de wind van die kant woei.”