800–1200.
Reading edition
De Romaansche stijl is voortgekomen uit de vereeniging van de oude Romeinsche architectuur met die van de noordelijke streken, het vaderland van de Longobarden, en zooals Ruskin heeft aangetoond, moet men sommige van de eigenaardigheden, die dezen stijl scherp van den Basiliek- en Byzantijnschen stijl onderscheiden, blijkbaar toeschrijven aan noordelijke invloeden. Een Romaansche kerk, bijvoorbeeld, biedt meestal een treffende tegenstelling met de rijkelijk gekleurde en versierde oppervlakten, de glanzende zuilen, de met marmer bedekte muren en de groote mozaïeken van de Byzantijnsche bouworde. Wij, menschen van het noorden, schijnen soms eenig wantrouwen te koesteren jegens heldere kleuren en rijke decoratie; de meeste van ons geven de voorkeur aan hetgeen dof en bijna kleurloos is—het schaakbord en het spel van licht en schaduw in de schemering van bosschen of in de groote, holle Normandische kathedralen. In Italië had de bouwmeester van noordelijke afkomst het voordeel in de gelegenheid te zijn zich prachtige marmeren zuilen te verschaffen of van oude gebouwen te stelen in plaats van zware pijlers te moeten bouwen, en de tegenstellingen van marmer, gehouwen en gebakken steen in de Italiaansch-Romaansche bouworde zijn dikwijls buitengewoon mooi. Men streefde niet in de eerste plaats naar een decoratief effect, dat bereikt werd door kleur en weerspiegeling, maar belangrijker vond men het spel van licht en schaduw tusschen de lijsten, het beeldhouwwerk, de bogenreeksen, en alle soorten van concaaf en convex bouwwerk. Derhalve hebben wij in het gebouw convexe vormen, zooals gebeeldhouwde kapiteelen en hoogreliefs, om het licht op te vangen, en aan de buitenzijde holten, die door arcades zijn gevormd, en façades met zuilenrijen, laag-reliefs, overhangende draagsteenen, en prachtige, diep terugwijkende portalen en ramen, die de schaduw opvangen en die, als achtergrond voor beeldhouwwerk en marmeren kunstwerken, het gebouw van buiten gezien een schoonheid verleenen, die onvergelijkelijk veel hooger staat, dan van eenige oude basiliek, en misschien zelfs den luister van zulk een kleurendroom als de S. Marco overtreft.

Fresco van Paus Bonifacius VIII, Rome.
Zie de lijst der Illustraties.

Standbeeld van Paus Bonifacius VIII, Florence.
Zie de lijst der Illustraties.
Een zeker mate van kleurversiering werd in den Italiaansch-Romaanschen stijl toegelaten, in het bijzonder in Toskane, waar marmer en mozaïek vrijelijk werden gebruikt. De houten zolderingen, die vlak waren (zooals in de Pisa-Kathedraal), of voorzien van open timmerwerk, zooals in de S. Zeno en S. Miniato, werden met vroolijke kleuren beschilderd. Maar deze beschilderde houten zolderingen gaven aanleiding tot het ontstaan van het leelijke van ribben voorziene tongewelf en uit de rechthoekige kruising van twee tongewelven kwam het kruisgewelf voort. Deze vorm van gewelven verdween gelukkig door de invoering van den Gotischen spitsboog en het echte Gotische gewelf.
Een ander, ietwat latere uitvinding van den Italiaansch-Romaanschen stijl, die daarna ook door de Gotische bouwkunst wordt aangenomen, was het roos- of radvenster, waarvan nog prachtige voorbeelden over zijn (zie plaat 25 en 26).
Lombardije en Emilia.
De Romaansche bouwkunst van Lombardije schiet dikwijls te kort in fijnheid van ornamenteering, zooals men door haar half-noordelijken aard wel kan verwachten en neigt soms tot het fantastische en grillige, maar toch is het karakter manlijker en gezonder dan het Toskaansche, of misschien moeten wij zeggen, het Pisaansche. De voornaamste kenmerken van de Lombardisch-Romaansche kerken zijn de buitengewoon mooie verhoudingen van de uitwendige architectuur, de grootsche façades met zuilenrijen en soms rijkelijk met beeldhouwwerk versierd, de fijne arcaden van de apsiden, de prachtige inspringende portalen en ramen, de vooruitstekende portieken met zuilen, die dikwijls op marmeren leeuwen rusten, de heerlijke campanili en bij latere gebouwen de groote roosvensters. De volgende zijn de belangrijkste van deze kerken. Eenige daarvan zal men beschreven vinden in de lijst der Illustraties. De jaartallen geven bij benadering aan, wanneer de Romaansche gedeelten van deze kerken oorspronkelijk zijn gebouwd.
Pavia: S. Michele (hier werden Berengarius, Frederik I en anderen gekroond met de ijzeren kroon. Herbouwd c. 1050. Gewelf zooals in de S. Ambrogio. Prachtig Romaansch portaal).
Pavia: S. Pietro in Ciel d’oro (herbouwd c. 1100. Zie plaat 13).
Verona: S. Zeno (c. 1070–1140. plaat 55).
Cremona: Kathedraal (1107–90) en Torrazzo (1260–80).
Parma: Kathedraal (1058–c. 1200).
Modena: Kathedraal (1099–1184).
Ferrara: Kathedraal (1135–c. 1200. plaat 39).
Piacenza: Kathedraal (1122–c. 1200).
Como: S. Fedele (1100? herbouwd c. 1265) en S. Abbondio (c. 750? herbouwd c. 1050, geheel hernieuwd c. 1870, maar heeft nog oude overblijfselen). Zie p. 249.
Toskane.
Van de Florentijnsch-Romaansche architectuur is het meeste verdwenen, maar behalve de overblijfselen, die nog gedeelten vormen van de SS. Apostoli, S. Spirito en S. Lorenzo, is er nog een zeer beroemd en volmaakt voorbeeld over, de S. Miniato:
la chiesa, che soggioga
Midden- en Zuid-Italië.
In het tijdperk, toen (1000–1100) in Italië de architectuur begon te herleven, werd Florence door de Markgraven, Ugo, Bonifacius en Guelf bestuurd en was noch met het Keizerrijk noch met Lombardische steden op goeden voet. Dit is misschien de oorzaak van het feit, dat de Lombardische vorm van Romaansche architectuur hier niet begunstigd werd, en uitgezonderd een periode van vriendschap, die slechts kort duurde (zie p. 387), schijnen Florence en Pisa in een toestand van onafgebroken vijandschap en naijver verkeerd te hebben, zoodat men er zich niet over behoeft te verwonderen, dat de zelfgenoegzame en onafhankelijke Florentijnen zich niet wilden verlagen om de voortbrengselen van de Pisaansche bouwmeesters na te volgen.

51. Tombe van Hendrik van Luxemburg, Pisa.
Maar in andere streken van Toskane bestaan nog eenige prachtige overblijfselen van Lombardisch-Romaansch bouwwerk. Toscanella is reeds vermeld in verband met den vroeg Romeinsch-Lombardischen stijl (zie p. 249). De buitengewoon mooie portalen en roos-vensters van de S. Pietro en S. Maria Maggiore (plaat 25, 26) dagteekenen van c. 1040. Te Volterra was vroeger een fraai Lombardisch-Romaansch gebouw, de Duomo, en het oude Baptisterium heeft nog een prachtige portiek van c. 1200 (plaat 32). Te S. Gimignano zijn verscheidene kerken van de Tempeliers van de twaalfde eeuw, en de Duomo of Collegiata, die naar men meent van c. 1148 dateert, bezit een mooi Romaansch schip en zuilen (plaat 42). De twee groote centra van de Lombardische heerschappij in Midden- en Zuid-Italië waren Spoleto en Benevento en hier vinden wij, zooals men wel kan verwachten, zeer schoone voorbeelden van de Lombardisch-Romaansche bouworde. De Duomo te Spoleto dagteekent van 1050 ongeveer en werd omstreeks 1150 herbouwd; de Duomo van Benevento werd, naar men vertelt, in het jaar 1047 door Adalbert van Bremen bewonderd. Het is Lombardisch werk, dat onder invloed stond van de Saraceensche architectuur. Een zeer merkwaardig voorbeeld is ook de S. Maria di Collemaggio te Aquila (plaat 49).
Aldus kunnen wij de uitbreiding van de Lombardisch-Romaansche architectuur van Noord-Italië in de oude Lombardische hertogdommen nagaan, totdat deze bouwstijl, terwijl Rome bijna niet onder zijn invloed kwam, in aanraking kwam met den Byzantijnschen en Saraceenschen (Arabischen); en weldra zullen wij zien, dat de Noormannen in Zuid-Italië en op Sicilië deze Noordelijke, Romaansch-Lombardische bouworde aanvaardden en tegelijkertijd den invloed ondergingen van de Byzantijnsche en Arabische architectuur in het zuiden.
In vele steden van Campanië, Apulië en Calabrië staan kerken, waarvan de meeste op barbaarsche wijze bedorven zijn, die oorspronkelijk Romaansch waren of Byzantijnsch met prachtige koepels, en door de Noormannen in Romaanschen (soms eenigszins Saraceenschen) stijl zijn herbouwd of vergroot. Te Canosa (in Apulië) vertoont de Byzantijnsche kerk van S. Sabino, die vijf koepels heeft, eenige Lombardische toevoegsels van de Noormannen (in deze kerk staat de graftombe van den kruisvaarder Bohemund, den zoon van Robert Guiscard). Te Trani heeft de Byzantijnsche kathedraal een prachtige Romaansche portiek. Te Bari zijn verscheidene oude Byzantijnsche kerken in Romaanschen stijl bijgewerkt ten tijde van Koning Roger. De kathedraal van Salerno werd (c. 1070) door Robert Guiscard gebouwd, en de mooie Romaansche architectuur is nog wel waarneembaar, ofschoon de kerk door moderne restauratie afschuwelijk ontsierd is. (Het atrium met zijn heerlijke antieke zuilen van Paestum ontkwam aan die “herstelling”). Verder kunnen wij te Amalfi en het naburige Ravello merkwaardige, doch ook leelijk bedorven, voorbeelden van den Zuid-Italiaanschen stijl in de kathedralen aldaar zien. Beide kerken werden misschien reeds in de elfde eeuw gebouwd, zelfs vóor de heerschappij van Robert Guiscard en de ontwikkeling van de Lombardische architectuur der Noormannen. Maar het is waarschijnlijker, dat de kathedraal te Amalfi dagteekent uit den tijd, toen de stad, die eeuwenlang in meerdere of mindere mate te midden van haar vele vijanden onafhankelijk was gebleven, zich aan den koning der Noormannen, Roger van Sicilië, in het jaar (1131), dat op zijn kroning volgde, had onderworpen.
Sicilië.
In een vroeger hoofdstuk hebben wij de opkomst en het kortstondige, maar schitterende bestaan van de heerschappij der Noormannen in Zuid-Italië en Sicilië geschetst en wij hebben gewezen op de schilderachtige mengeling van rassen in de bevolking van dergelijke steden als Palermo, de residentie van de koningen der Noormannen. Palermo was, zooals het grootste gedeelte van Sicilië, langer dan 240 jaren (830–1072) in de macht van de Saracenen geweest. Het aantal zijner inwoners was 300.000 en men zegt, dat het niet minder dan 300 moskeeën heeft bezeten, groote en kleine. De Saracenen hadden veel van de voorafgaande Byzantijnsche beschaving aanvaard, en de Noormannen op hun beurt gaven, in plaats van de ongeloovige Muzelmannen uit te roeien, hun tamelijk groote religieuze en civiele vrijheid, gebruikten hen als soldaten en als ambtenaren en namen veel van hun wetenschap en kunst over.