Theodosius de Katholieke.
Reading edition
De veldtocht tegen de West-Goten, die een grooten slag vermeden, eindigde in een verdrag, waarbij den barbaren toegestaan werd zich ten zuiden van den Donau te vestigen als bondgenooten (foederati) van het Keizerrijk, op voorwaarde dat zij, zoo noodig, een contingent van 40.000 man zouden opbrengen. Ongeveer twintig jaar later betreurde de laatste van de Romeinsche dichters, Claudianus, het bestaan van dat groote staande leger als een gevaar voor het Keizerrijk; en terecht, want slechts zes jaar daarna namen deze West-Goten Rome in.
In het volgend jaar (383) werd Gratianus te Lyon gedood, waarheen hij van Parijs was gevlucht—verraden door zijn eigen legioenen en gevangen door de ruiterij van den overweldiger Maximus, die van Brittannië een zoo groot getal volgelingen had overgevoerd, dat dit feit later werd vermeld als “de verhuizing van een belangrijk deel van de Britsche natie.” In verband met deze exodus moet hier vermeld worden de legende van St. Ursula, de prinses van Brittannië en haar elf duizend Britsche maagden, die, naar men zegt, als pelgrim langs den Rijn over de Alpen naar Rome zijn getrokken en op haar terugkeer zijn vermoord door de Hunnen of Friezen bij Keulen, waar haar schedels nog te zien zijn. Het lijkt niet onwaarschijnlijk, dat de oorsprong van deze legende was het lot van een transport van Britsche vrouwen, misschien onder leiding van een edelvrouwe, die bestemd waren als echtgenooten voor een deel der honderd duizend volgelingen van Maximus, die door ongunstigen wind den Rijn ingedreven en in handen gevallen waren van Salische Franken of woeste Friezen, die ongeveer vier eeuwen later den grooten Engelsche zendeling St. Bonifacius hebben gedood.
Wanneer Maximus tevreden was geweest met zijn veroverd keizerrijk van Brittannië, Gallië en Spanje, zou hij nu misschien bekend zijn als een van de gelukkigste keizers van het Westen, want hij regeerde over een groot rijk en bezat een machtig leger, voornamelijk gelicht uit de krijgshaftige Germaansche stammen. Bovendien werd hij door Theodosius erkend, die het verstandig vond zijn aanspraken op de landen ten noorden en ten westen van Italië in te willigen. Toch viel hij Italië aan, niet alleen gedreven door een onverzadelijke eerzucht, maar ook door de hoop, of de zekerheid, dat de Katholieke meerderheid onder de Italianen met vreugde zich zou losrukken van de regeering van den jongen Valentinianus—of liever van zijn moeder Justina, die sterk gehecht was aan de Ariaansche ketterij ondanks de welsprekendheid en de wonderen van St. Ambrosius, den Bisschop van Milaan. Nadat hij troepen had vooruitgestuurd onder voorwendsel die aan Valentinianus te leenen, bezette de usurpator de Alpenpassen en verscheen weldra voor Milaan met een groot leger.
Hij vond Maximus met zijn Gallische en Germaansche strijdkrachten aan de overkant van de Sau en door een stoutmoedigen aanval wierp zijn ruiterij, na de rivier te zijn overgezwommen, den vijand op de vlucht. Maximus vluchtte naar Aquileia, de stad nabij de Adriatische kust, die zoo beroemd is als het tooneel van zoovele botsingen, en bij de aankomst van Theodosius, die van de Juliaansche Alpen neerstreek als een adelaar op een gewonden haas, werd de usurpator van zijn troon gesleept, ruw van zijn purper en keizerlijke sieraden beroofd, en als een misdadiger naar de legerplaats en in de tegenwoordigheid van Theodosius gebracht. De keizer vertoonde eenige neiging om den tyran van het Westen te vergeven; maar die zwakke opwelling week voor zijn gevoel van rechtvaardigheid en de herinnering aan Gratianus, en hij gaf zijn slachtoffer aan de soldaten over, die hem wegsleepten en dadelijk het hoofd van het lichaam scheidden.
In 390 vinden wij Theodosius weder in Milaan en toen had die dramatische gebeurtenis plaats, welke wij verbinden aan de welbekende basiliek van S. Ambrogio.
Ongeveer drie jaren te voren was er te Antiochia een oproer uitgebroken tegen den katholieken eeredienst en de belastingen. Het gepeupel had de standbeelden van den keizer en zijn zonen omvergeworpen en hoonend door de straten gesleept. Verschrikkelijk was de wraak van Theodosius. De stad werd vernederd en gestraft; een groot aantal gevangenen wachtte pijniging en dood. Maar een smeekschrift werd naar Constantinopel gestuurd en—deels door den invloed van St. Chrysostomus, die ons een levendige beschrijving heeft gegeven van deze dagen en wiens wondere welsprekendheid zijn wanhopige medeburgers steunde—werd het bevel voor de executie uitgesteld tot het antwoord was gekomen; en het antwoord was een algemeene vergiffenis.
Maar Theodosius vergat het oproer van Antiochia niet en toen in 390 in Thessalonica, het welvarende militaire centrum van Macedonië, een tumult voorviel, waren de gevolgen veel ernstiger. De ongeregeldheden waren veroorzaakt door de gevangenneming van een wagenmenner, die bij het publiek zeer in de gunst stond. Er ontstond een botsing tusschen de bevolking en het gezag; ambtenaren werden gedood en hun lijken geschonden. Bij deze gelegenheid verwierp Theodosius elk beroep op genade. Hij beraamde een laffe en onrechtvaardige wraakneming. De inwoners van Thessalonica werden in den waan gebracht, dat hij vergiffenis had geschonken, werden uit naam van den Keizer uitgenoodigd voor de spelen in den Circus, waar zij door gewapenden werden aangevallen en zonder onderscheid vermoord; 7000, andere zeggen 15000, kwamen om. Het misdadige van deze bijna ongeloofelijke wreedheid wordt nog verzwaard door het feit dat Theodosius bijzonder was gesteld op Thessalonica en haar bisschop, die hem daar, waarschijnlijk in de tegenwoordigheid van vele van die burgers, had gedoopt.
Ambrosius was de zoon van een Gallisch prefect van edele Romeinsche afkomst. Hij was geboren te Trier in 340 en werd magistraat van een district, dat Liguria en Milaan omvatte, in welke stad hij zoo populair was, dat hij bij den dood van den bisschop (374) door de geheele bevolking tot diens opvolger werd gekozen en tot zijn eigen verbazing en die van de wereld plotseling van magistraat veranderd werd in een aartsbisschop, voordat hij het sacrament van den doop had ontvangen. En de keuze van het volk was wel gerechtvaardigd, want er is in de annalen van de Middeleeuwsche Kerk geen persoon, die ons sympathieker is. Het is waar, dat de meesten van ons de verhalen van zijn droom ter zijde zullen leggen en ook van zijn ontdekking van de heilige geraamten, die door hun wonderbare hulp hem beveiligden tegen den toorn van Justina, zelfs al heeft men ons de beenderen van Gervasius en Protasius in de crypte van S. Ambrogio laten zien. Maar ieder zal ontroerd worden door zijn moed en edele drijfveeren. Door zijn toedoen trad de Christelijke Kerk het eerst op om de zaak van rechtvaardigheid en menschelijkheid te verdedigen tegen de door de wet beschermde tyrannie van de burgerlijke macht. Zijn rustige, uitdagende houding tegen Theodosius is een culminatie-punt van den zuiver Christelijken invloed. Als de Kerk zulk een invloed tot haar eenig ideaal had gekozen!
Bij verschillende gelegenheden had Ambrosius zijn moed reeds getoond. Eens, toen Justina geëischt had, dat eenige Kerken te Milaan aan de Arianen zouden worden afgestaan en haar Gotische soldaten had gestuurd om een van die Kerken te bezetten, trad hij hen in den weg en verschrikte hen zoo met zijn banbliksems, dat de regentes het verstandiger vond haar eisch in te trekken.
Hetzij wij deze dramatische geschiedenis moeten gelooven of niet, het schijnt niet te betwijfelen, dat Theodosius, onder den indruk van den moed van Ambrosius en waarschijnlijk ook door het bewustzijn van de onmenschelijke daad, waartoe hij door zijn hartstocht was gedreven, openlijk boete heeft gedaan in de kathedraal en als boeteling gekleed zich op de knieën heeft geworpen en de woorden van den Psalmist heeft herhaald: “Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.” Wanneer wij aan dit tooneel denken en ons het edict herinneren, dat Theodosius een paar jaar tevoren had uitgevaardigd, waarin hij zich, alsof hij zoowel de wereldlijke als ook geestelijke heerscher was, het recht aanmatigde het Romeinsche Keizerrijk een geloof voor te schrijven en het wezen van de Drieëenheid te bepalen, worden wij er ons van bewust dat een nieuwe en reeds invloedrijke macht is ontstaan, die zich met ongeloofelijke snelheid heeft uitgebreid, sinds den dag waarop Constantijn de zwakke en vervolgde Kerk het eerst steun beloofde. En wanneer wij verder denken, aan Keizer Hendrik te Canossa, of aan Frederik Barbarossa, geknield in het portaal van S. Marco te Venetië, hoe levendig doet ons dat dan het verschil beseffen tusschen de drijfveeren en idealen van St. Ambrosius en die van Hildebrand of Paus Alexander!
In het volgend jaar (391) keerde Theodosius naar Constantinopel terug en ging in triomf de Gouden Poort door, die in zijne afwezigheid was opgericht om zijn overwinning over Maximus te herdenken. Deze poort werd later in het bijzonder gebruikt voor den plechtigen intocht van de Keizers. Zij bestaat nog en heeft eenige zeer fraaie zuilen; maar zij is dichtgemetseld. Een overlevering handhaaft zich onder de Turken, dat door deze poort eens een Christelijk overwinnaar zal komen!
In 392 vond men Valentinianus gewurgd in zijn slaapkamer te Vienne. Deze daad was ongetwijfeld bedreven of beraamd door Arbogast, een heidenschen Frank, die tot bevelhebber der Keizerlijke legioenen in Gallië geklommen was en zulk een onbeschaamde houding had aangenomen, dat de jonge Keizer een paar dagen voor zijn dood, een soldaat het zwaard had ontrukt en met moeite was verhinderd den trouweloozen bevelhebber te doorboren. Arbogast, die het niet waagde het purper aan te nemen, proclameerde als Keizer van het Westen een rhetor, Eugenius, zijn vroegeren secretaris.
Valentinianus’ zuster, Galla, die Theodosius had gehuwd en zeer liefhad, spoorde haar echtgenoot dringend aan den moord op haar broeder te wreken. Maar Arbogast had een groot leger en in naam van zijn keizerlijke pop had hij zich meester gemaakt van Rome en het Westelijke Keizerrijk. Daarom was het noodzakelijk voor Theodosius een grootere macht te verzamelen, voordat hij weder een veldtocht naar Italië waagde. Doch eerst wilde de vrome Keizer den Hemel over zijn tocht om raad vragen. Daar het Christendom de orakels van Dodona en Delphi tot zwijgen had gebracht, raadpleegde hij een Egyptischen monnik, die, naar men meende, de gave van mirakels en de wetenschap van de toekomst bezat. Eutropius, een van de eunuchen-gunstelingen van het hof te Constantinopel, scheepte zich voor Alexandrië in, vanwaar hij den Nijl opzeilde tot de stad Lycopolis, in de afgelegen provincie Thebaïs. In de buurt van die stad, op den top van een hoogen berg had de heilige Johannes met eigen hand een nederige hut gebouwd, waar hij meer dan vijftig jaar had gewoond, zonder de deur te openen, zonder het gezicht van een vrouw te zien, zonder eenig voedsel, dat met vuur of menschelijke kunst bereid was. Vijf dagen van de week bracht hij in gebed en overpeinzing door, maar op Zaterdag en Zondag opende hij een klein venster en gaf audientie aan de menigte smeekelingen, die uit alle oorden van de Christelijke wereld toestroomden. Het gezantschap van Theodosius naderde het venster met eerbiedige schreden, stelde zijn vragen betreffende den uitslag van den burgeroorlog en kwam weldra terug met een gunstig orakel, hetwelk den moed van den Keizer aanwakkerde door de verzekering van een bloedige, doch stellige overwinning. De vervulling van die voorspelling werd bevorderd door alle middelen, die menschelijk beleid kon verschaffen.

8. Paus Leo en Attilla.
Het karakter van Theodosius kan men, zoo lijkt het, gemakkelijk uit deze daden leeren kennen; maar wij zijn er niet zeker van, dat deze daden altijd nauwkeurig zijn overgeleverd en altijd door de tijdgenooten onpartijdig zijn beschreven. Aan den eenen kant hebben wij zijn vereerders, den Christelijken, Latijnschen dichter Prudentius en de Katholieke of Trinitarische Vaders, b.v. Gregorius van Nazianzus († 379), Hieronymus, Chrysostomus, Ambrosius en Augustinus, en aan den anderen kant den belangrijksten kroniekschrijver van deze periode, den heidenschen Zosimus, een partijdig en kwaadaardig schrijver, die elke daad van deze regeering in een verkeerd licht stelt. Maar zelfs Zosimus is zoo genadig toe te geven dat Theodosius een van de grootsten van de Romeinsche vorsten was, en trots den afschuw, dien wij gevoelen door het bloedbad te Thessalonica, niet ongelijk aan de verbazing en afschuw, die de Christen-vervolgingen door Marcus Aurelius bij ons opwekken, moeten wij toch in zijn karakter, naast vreemd bijgeloof en woeste hartstocht, veel erkennen, dat edel en bewonderenswaardig was. Het geeft echter meer voldoening feiten te constateeren, dan te trachten karakters te analyseeren en drijfveeren te verklaren. Daarom zullen wij hier nog slechts een paar feiten bijvoegen, die samenhangen met de uitbreiding van het Christendom tijdens zijn regeering en de eindelijke uitroeiïng van het paganisme.
Onder de ontelbare incidenten, die den geschiedschrijver van deze periode ten dienste staan, is hetgeen gebeurd is met een standbeeld van Victoria, dat Caesar van Tarentum meebracht en te Rome in het senaatsgebouw oprichtte, bijzonder geschikt om de godsdienstige bewegingen aan te geven; dit beeld was een groote figuur met uitgespreide vleugels en een lauwerkrans in de uitgestrekte hand. Bij het altaar, dat voor deze Victoria stond, legden de senatoren den eed van trouw aan den staat af en daarop werd wijn en wierook geofferd voor den aanvang der beraadslagingen in den Senaat. Het beeld en tevens het altaar schijnen verwijderd te zijn door Constantius en misschien naar Constantinopel gestuurd. Door Julianus is het altaar er weder geplaatst en door Gratianus weder verwijderd, en weder opgesteld door Eugenius (c. 393), die misschien een heiden was, of door Arbogast, die zeker een heiden was, en nog eens verwijderd door Theodosius, kort voor zijn dood, of door Honorius. Zoo kunnen wij gedurende ongeveer een halve eeuw de afwisselende krijgskans van Christendom en Heidendom nagaan. Vier keer werden er deputaties gezonden door de aanhangers van den ouden godsdienst om van verschillende keizers weder de plaatsing van het altaar te vragen. Een interessant verslag van een dezer bezoeken aan het keizerlijk hof bestaat nog, geschreven door Symmachus, een Romein van edele afkomst, zeer gezien om zijn welsprekendheid en de ambten die hij had bekleed, pontifex, augur, proconsul van Afrika en prefect van Rome. Dit gezantschap werd gezonden naar het hof van Theodosius en Valentinianus te Milaan, en de rhetoriek van Symmachus (die Rome in zijn redevoering tegenover de twee Keizers haar eigen zaak liet verdedigen) werd overbluft door de welsprekendheid en het sarcasme van St. Ambrosius, die, zooals wij uit zijn verslag zien, de idee bespotte, dat de Romeinsche overwinningen te danken waren aan de Olympische Goden en vroeg of Jupiter nog steeds sprak bij monde van de ganzen die het capitool hadden gered.
Maar de overwinning van Ambrosius en het Christendom bij deze gelegenheid vernietigde het Heidendom toch volstrekt niet. Hoe langzaam en moeilijk het uitgeroeid is, blijkt duidelijk. Ondanks de strenge wetten van Theodosius, die de misdaad van offeren en voorspellen uit de ingewanden met doodstraf of verlies van goederen bedreigden, ondanks de onbarmhartigste verwoesting en onteigening van tempels, werden de heidensche ceremonies, zoo veranderd, dat de wet er geen vat op had, toch jarenlang voortgezet, werden de heidensche priesterambten toch door de edelste families bekleed en hield de vereering van den zonnegod Mithras en de Magna Mater, Cybele, en andere vreemde godheden stand.
Er wordt verhaald, dat Theodosius, toen hij eens te Rome was, plechtig aan den Senaat de vraag voorlegde, of Christus dan wel Jupiter als God der Romeinen moest aangenomen worden, en dat bij een regelmatige stemming Jupiter door een zeer groote meerderheid veroordeeld werd. Maar zonder twijfel—als het verhaal waar is—had de aanwezigheid van den Keizer invloed op dezen omkeer van geloof, want het is een feit, dat de heidenen, niettegenstaande hun gelegenheid genoeg gegeven werd, geen lust hadden in het martelaarschap; zij onthielden zich van het ritueel, hetwelk zij zelf in de angstwekkende tegenwoordigheid van hun Keizer hadden veroordeeld—of, hetgeen waarschijnlijker is, zij verrichtten het in het geheim.
Niet lang nadat Stilicho de Romeinsche legioenen van Brittannië had weggetrokken (c. 405), werd het Christendom bijna geheel uitgeroeid door de Angelsaksen, en de Iersche Kerk werd voor ongeveer 150 jaar van het Christendom afgesneden door een wig van woest paganisme. Wij zullen laten zien hoe deze Angelsaksen bekeerd werden door den jongsten St. Augustinus (c. 600), den zendeling die door Gregorius den Groote gezonden was. De overblijfselen van de oude Britsche Kerk hielden nog stand tegen de pauselijke suprematie, die door Augustinus werd afgekondigd; en de overlevering beschuldigt den Heilige (ten onrechte, naar wij hopen, daar Augustinus in 604 stierf) het afschuwelijke bloedbad te hebben veroorzaakt van de monniken te Bangor, toen de Britten verslagen werden door de Saksen bij Chester in 607. De buitengewone zendings-ijver, zoowel van de oude Iersche als ook van de jongere Angelsaksische Kerk, zal in latere jaren besproken worden, wanneer wij de dagen van de Lombardische koningen en van Karel den Groote bereiken.
Den oorsprong van de groote ascetische beweging moet men zoeken in het verre Oosten, waar de Indische fakir en de Thibetaansche monnik en andere dergelijke lusus naturae sinds onheuglijke tijden schijnen bestaan te hebben; of misschien is het juister te zeggen, dat de neiging tot dergelijke afwijkingen, welke latent schijnt in het Oostersche karakter, zulke gevolgen voortbracht als de Joodsche anachoreten, de Essaeërs en de Egyptische Therapeuten, die vele jaren voor de Christelijke monnikenorden bestonden, en dat de beweging onder de Christenen van Egypte en Syrië ten deele althans moet toegeschreven worden aan het Neoplatonisme (vgl. p. 41).
Antonius had de vriendschap van Athanasius verworven, (die later zijn leven beschreef) en ongeveer 340 stelde de Alexandrijnsche patriarch aan den Paus in het Vaticaan eenige van Antonius’ leerlingen voor. Het vreemde en woeste uiterlijk van deze “Egyptenaren” wekte in Rome eerst afschuw, toen verachting, daarna geestdriftige navolging. Senatoren en edele matronen wedijverden met elkaar om hun schitterende paleizen en villa’s in kloosters te veranderen en de Kerk werd er zich weldra van bewust dat zij deze nieuwe beweging moest erkennen en begunstigen. In het Oosten was St. Basilius, die zelf vroeger kluizenaar was geweest, een ijverig stichter van godsdienstige huizen; St. Martinus van Tours, of misschien zijn beschermheer St. Hilarius van Poitiers was de stichter van de oudste kloosters in Gallië; en in Brittannië waren in de vijfde eeuw, zoo niet vroeger, groote kloosters te Avalon en Bangor.
Wij zijn ver van Italië afgedwaald; maar een duidelijke voorstelling van de geweldige kracht van sommige dezer godsdienstige stroomingen zal het ons misschien mogelijk maken onze piccioletta barca in juiste richting te sturen.