← Table of contents
Italië in de Middeleeuwen

De Donkere eeuwen.

Reading edition

Wanneer wij spreken van de Donkere eeuwen van de Europeesche geschiedenis, gebruiken wij die uitdrukking gewoonlijk tamelijk vaag om een niet gemakkelijk te bepalen tijdperk van de Middeleeuwen aan te geven. Het is moeilijk, misschien zelfs niet mogelijk, eenige eeuw of zelfs in het algemeen eenige periode te vinden, waarin de duisternis met gelijke sterkte over geheel West-Europa heerschte; en wij kunnen niet nalaten op te merken, dat de hoedanigheid van de duisternis in de verschillende landen zeer ongelijk was; want ofschoon onwetendheid, bijgeloof, misdaad en wreedheid meestal hand in hand gaan, is het toch ook wel voorgekomen, dat de afschuwelijkste misdaden, onmenschelijkheid en goddeloosheid bestaan hebben in een gouden eeuw van wetenschap en aesthetische verfijning, behangen, om zoo te zeggen, met Raffaeleske gobelins. Ja zelfs, men zou er ons niet van kunnen beschuldigen een verkeerde uitdrukking te gebruiken, indien wij den tijd van de Borgia’s, welke toch tevens de tijd van de Renaissance was, de donkerste periode van de Roomsche Kerk noemden,—misschien zelfs donkerder dan het pontificaat van Johannes XII.

Wat Italië echter betreft, of misschien juister gezegd, Rome, kunnen wij, meen ik, de negende en tiende eeuw en de helft van de elfde, laten wij zeggen 830–1050, als het somberste tijdperk van de Donkere Eeuwen beschouwen. In vroeger tijden waren er lange perioden geweest, waarin het geheele land, geteisterd door het zwaard, het vuur, hongersnood en pest in een ellendigen toestand was geraakt, maar de voortwoekerende kanker van inwendige verdorvenheid gedurende de donkerste eeuwen van de geschiedenis van het Christelijke Rome was oneindig afschuwelijker dan alle ellende die het geleden heeft door barbaarsche of Byzantijnsche vijanden.

Een eenigszins volledig verslag van deze Donkere Eeuwen in de Italiaansche geschiedenis zou meer bladzijden beslaan, dan dit boek bevat. Wij moeten ons dus tevreden stellen met eenige algemeene opmerkingen te maken en een paar beschrijvingen te geven van de levenswijze en gewoonten van die dagen. Soms krijgen wij door de vluchtige schildering van een enkel tooneel een beteren en meer blijvenden indruk van het karakter van een tijd dan door vele woorden.

Wij kunnen ons voorstellen, dat de oorspronkelijke voorraad van klassieke kunst en literatuur langzamerhand verminderd is gedurende de drie eeuwen, die volgden op den tijd der Antonini en dat de klassieke invloed nauwelijks meer van kracht is geweest in de dagen van Theoderik en tijdens de Lombardische overheersching, wanneer wij de litteraire werken van Boëthius, Cassiodorus en Amalasuntha uitzonderen en ook eenige scholae, die de traditie van klassieke kunst hoog hielden.

Het is waar, dat er in de kloosters een zekere soort van beschaving beoefend werd, die berustte op klassieke geschriften, ofschoon deze beschaving bijna geheel was gericht op theologische en vrome doeleinden. Deze cultuur verbreidde zich, zelfs vóór den tijd van Benedictus en Monte Cassino, in de woeste streken van Gallië en Brittannië, zoodat er ten tijde van Gregorius den Groote en Theodelinda in dat opzicht waarschijnlijk meer beschaving was te Tours, Bangor-Iscoed en Caerleon, of in Ierland en het Iersche St. Gallen, dan in Rome; en bijna een eeuw voor Karel den Groote, in een periode, toen de duistere nevelen zich steeds dichter over de hoofdstad van het Westelijke Christendom samenpakten, kon het vaderland van Beda er aanspraak op maken een belangrijk centrum van Europeesche wetenschap te zijn en had St. Bonifacius den titel van Apostel van Duitschland verworven.

Tijdens de heerschappij van de Saksische en Frankische Keizers, in den loop van de elfde eeuw, begint het eerste licht van een nieuwen dageraad, die over Italië zou opkomen, door te breken. De roem van de Italiaansche hoogescholen te Bologna en te Salerno dringt tot ons door. (De laatste evenwel heeft waarschijnlijk haar vermaardheid op het gebied van geneeskunde en wiskunde te danken aan de Saracenen.) Wij hooren ook van geleerde Italianen in verre landen, zooals Lanfranc en Anselmus, die beiden priors waren van de beroemde Abdij van Sainte-Marie-du-Bec en beiden Aartsbisschoppen van Canterbury, de een geboortig uit Pavia, de ander uit Aosta. Kort daarna, ongeveer in de jaren van 1030 tot 1040, hooren wij van Abelard, die voor een buitengewoon talrijk gehoor voordrachten houdt te Parijs en van zijn leerling, Arnold van Brescia, wiens gloeiende geestdrift gedurende korten tijd als een vuurbaak haar licht, dat, helaas, al te spoedig zou worden uitgebluscht, laat schijnen voor de vrienden van de wetenschap en de vrijheid. En nu worden de republieken in Lombardije met een zoo krachtigen geest bezield, dat zij vol verwachting zijn die staatkundige vrijheid te zullen veroveren, waardoor zij, niettegenstaande vele droevige en beklagenswaardige gebeurtenissen, zich met grooten moed en standvastigheid een weg gebaand hebben naar het licht.

44. Kathedraal van Cefalù, Sicilië.
44. Kathedraal van Cefalù, Sicilië.

44. Kathedraal van Cefalù, Sicilië.

De Reliquieën-Manie.

In een vroeger hoofdstuk hebben wij de manie beschreven, die reeds in vroeger dagen ten doel had de lijken of beenderen van heiligen en martelaars te verzamelen, en ook het bijgeloof, dat samenhangt met miraculeuze werkingen van beenderen en brandea (vgl. p. 63 noot); en bij verschillende gelegenheden is melding gemaakt van de vermeende ontdekking en de vreemde lotgevallen van sommige beroemde reliquieën (zooals die van den H. Markus, H. Petrus, H. Paulus, H. Bartholomeus, H. Augustinus); ook hebben wij reeds gesproken van den trots, dien de steden en de stichters van kerken gevoelden, wanneer zij het lijk van een heilige hadden kunnen koopen, of, voor het geval dat onmogelijk bleek (want een ongeschonden echt lijk was buitengewoon kostbaar), wanneer het hun gelukt was ook slechts de helft of een vierde deel van een dood lichaam te bemachtigen, dat zij zoo vurig verlangd hadden te bezitten.

“Pausin Johanna”.

Men zal zich herinneren, dat gedurende de woelige periode, die de Italianen il regno d’Italia indipendente noemen, een Hertog van Spoleto, Guido geheeten, er in slaagde Paus Stephanus V te overreden of te dwingen hem in de St. Pieter tot Keizer te kronen, en dat hij in het volgend jaar (892) een dergelijke dwang uitoefende op den opvolger van Stephanus, Paus Formosus, die te Ravenna Guido’s zoon Lambertus, als mede-regent van zijn vader, de keizerlijke kroon op het hoofd zette; zoo ten minste vertellen de kroniekschrijvers, die door Villari gevolgd worden. Deze Paus Formosus was blijkbaar een zwak en onbetrouwbaar individu, want zelfs terwijl hij den jeugdigen Lambertus te Ravenna kroonde, dacht hij er aan (daar behoeft men niet aan te twijfelen!), evenals Stephanus had gedacht, hoeveel aangenamer het hem zou zijn de keizerlijke kroon op het hoofd van den Duitscher Arnulf te zien; en kort na de kroning te Ravenna begon hij zich in verbinding te stellen met den Hertog van Carinthië en spoorde hem aan te komen en zijn geluk te beproeven. Na een ongelukkige poging in 894 baande zich Arnulf ten slotte een weg naar Rome en werd onmiddellijk door Formosus gekroond, die het feit negeerde, dat er nog twee andere zoogenaamde Keizers bestonden, en dat hijzelf den een had erkend en den ander met eigen handen had gekroond.

Hoe stuitend de voorstelling ook moge zijn, de beschrijvingen, die de kroniekschrijvers van de Synode van Paus Stephanus geven, dragen er toe bij om ons een juist denkbeeld te vormen van den toestand, waarin de godsdienst, de zedelijkheid en de menschelijkheid in de negende eeuw te Rome verkeerden. En wij moeten er om denken, dat deze feiten geen uitzondering waren, die algemeene aanklachten of protesten verwekten. Niet minder afschuwelijke gebeurtenissen vonden voortdurend plaats. Tijdens de acht jaren, die op deze afgrijselijke Synode volgden, stierven er zeven Pausen, verscheidene waarschijnlijk door vergift of worging. Het voorval, dat hierna beschreven zal worden, is slechts een voorbeeld van de bijna ongeloofelijke wreedheid van dien tijd en een van de duizend bewijzen van de waarheid van dergelijke beweringen, als van Gregorovius, die vroeger reeds aangehaald is, dat “de Pausen, de geestelijkheid, de adel en het volk van Rome in deze eeuwen in een toestand van verwildering leefden, die nooit in de geschiedenis is geëvenaard.”

In het jaar 996 liet Otto III, die toen nog slechts zestien jaar was, tot paus kiezen den kapelaan Bruno, zijn achterneef, 23 jaar oud, den zoon van de Markgravin van Verona. Bruno, die de eerste Duitsche Paus was, nam den naam Gregorius V aan. Ongeveer drie weken na zijn wijding zette hij den keizerlijken diadeem op het hoofd van zijn koninklijken bloedverwant in de St. Pieterskerk te Rome. Maar in September van hetzelfde jaar werd Paus Gregorius door een opstand, die geleid werd door een machtig edelman, Crescentius, gedwongen te vluchten naar Pavia, vanwaar hij een machteloozen banbliksem slingerde tegen den Romeinschen rebel. Crescentius beantwoordde de uitdaging door een tegenpaus te laten benoemen. Zijn keuze viel op Philagathus, den Bisschop van Piacenza, een Griek uit Calabrië, die vroeger, evenals Silvester II, de gouverneur van Otto was geweest. Deze prelaat was onlangs uit Constantinopel teruggekeerd, waarheen Otto, zijn vroegere leerling, hem had gestuurd om voor hem de hand te vragen van een Byzantijnsche prinses. Zeer waarschijnlijk had hij de hoop gekoesterd den pauselijken zetel te bemachtigen en voelde zich ongetwijfeld beleedigd, toen de jonge Otto zijn neef Bruno benoemde. Hoe dit ook zij, hij nam het aanbod, dat Crescentius hem deed, aan en werd in Mei 997 gewijd met den naam Johannes XVI. Toen besloot Otto zijn neef in de pauselijke waardigheid te herstellen. Hij trok de Alpen over en bracht Kerstmis van dat jaar te Pavia door. Vroeg in het volgend voorjaar trok hij Rome binnen. Crescentius trok zich in den bijna onneembaren, van levensmiddelen goed voorzienen burcht van S. Angelo (Engelenburg) terug, terwijl de tegenpaus uit de stad vlood en een toevlucht in een kasteel, ergens in de Campagna, zocht, in de hoop vandaar over land of over zee naar het Byzantijnsch gebied te kunnen ontsnappen. Voor een beschrijving van hetgeen daarop volgde zullen wij een passage uit Villari, vrij vertaald, laten volgen:

“Terwijl de tegenpaus zich in dit kasteel schuil hield, werd hij door eenige soldaten van den Keizer ontdekt, die hem zijn oogen uitstaken, zijn tong uitrukten en zijn ooren afsneden. Zoo verminkt werd hij voor een Synode gebracht, geëxcommuniceerd en van zijn pontificale kleederen beroofd. Daarop werd hij omgekeerd op een ezel gezet en in optocht door de straten van Rome geleid, vergezeld van een heraut, die zijn misdaden en de straf, die hem was opgelegd, met luider stemme afkondigde. Vervolgens werd hij in een kerker geworpen en daar stierf hij.

Nadat Otto verscheidene concilies geleid had en bevel had gegeven, dat nieuwe kerken en kloosters zouden worden opgericht, bij welke gelegenheden hij voor geen uitgaven terugdeinsde, begon hij wederom den Engelenburg te belegeren en moest Crescentius dien weldra overgeven. Hij slaagde daarin, zegt men, door te beloven het leven van Crescentius te sparen; maar hij hield zijn woord niet. Crescentius werd onthoofd en zijn lichaam werd, nadat men het van den muur van den burcht had geslingerd, aan de voeten opgehangen aan een galg op den Monte Mario. Ook de voornaamste magistraten van elk der twaalf wijken van de stad werden met den dood gestraft. Zoo trad deze fanatische hersteller van het Romeinsche Keizerrijk, deze vrome stichter van kerken en kloosters, deze godsvruchtige vereerder van kluizenaars, wanneer zich de gelegenheid aanbood, als een wreede despoot op”.

Notes in this chapter

Note 1 · De oude handschriften, die de monniken hebben vernield om het perkament te gebruiken voor theologische en vrome geschriften waren waarschijnNote 2 · In het zuiden brachten de Noormannen in dezen tijd ongeveer een bouwkunst, die volstrekt niet lager stond; doch vanwaar die kwam, is lastig Note 3 · Een grillig mozaïek bij de tombe van Otto II († 983) in de crypte van de St. Pieter is een van de vroegste voorbeelden van een zwakke herlevNote 4 · Men heeft er veel over gestreden, in hoeverre het geloof, dat de wereld in het jaar 1000 n. Chr. zou vergaan, invloed heeft uitgeoefend op dNote 5 · Avicenna leefde van 980–1037; Averroës, che ’l gran comento feo, (Infern. IV, 144) van c. 1126 tot 1198.Note 6 · De lingua vulgaris was bezig het klassieke Latijn snel te bederven. Maar Keizer Michael beschouwde het Latijn zelf misschien als een barbaarNote 7 · Deze pelgrimstochten, met hun aanhang van misdadigers en onbeschermde, dikwijls zwakke, vrouwen, waren een bron van groot kwaad. Men verteltNote 8 · Een marmeren steen in S. Prassede (Rome) vermeldt, dat door Paus Paschalis in 817 de lijken van 2300 martelaren van de begraafplaatsen naar Note 9 · Zelfs al is het verhaal niet waar, dan toont het toch aan, wat men voor mogelijk hield. Men verzekerde, dat hij 120 jaar leefde en dat ongevNote 10 · Door Clemens VIII werd er een buste van Paus Zacharias van gemaakt.Note 11 · Voor schrijvers over dit onderwerp zie men Gregorovius, V, hoofdst. III. Men verzekert, dat tot het einde van de vijftiende eeuw de “aangeweNote 12 · Vgl. p. 293.Note 13 · De ware beweegreden was natuurlijk van politieken en persoonlijke aard, maar men had beschuldigingen, die op de kerk betrekking hadden, uitgNote 14 · De verhalen verschillen een weinig. Hier is Gregorovius gevolgd.Note 15 · Paus Sergius III, die behoorde tot de partij van Stephanus VI en in 897 door die partij tot Paus was gekozen, maar die door de aanhangers vaNote 16 · Zie p. 305.Note 17 · Karel de Groote was de beschermheer van de wetenschap, zooals die door de monniken bewaard is, een wetenschap, die bezield was met slechts wNote 18 · Van den socialen en intellectueelen toestand in het overige gedeelte van Italië gedurende het tijdperk, dat wij de Donkere Eeuwen (c. 830–10Note 19 · Men heeft weleens beweerd, zooals ook reeds is opgemerkt, dat de stand der wetenschap in Italië, zelfs in Rome, gedurende de Donkere Eeuwen Note 20 · Zelfs indien wij deze verzekering aannemen en toegeven, dat er geleerde Grieken te Rome waren, en bibliotheken en vele oude handschriften, dNote 21 · Daar het aantal kerken over de geheele Christelijke wereld toenam, werd de vraag naar lijken en gebeenten steeds grooter en de instelling vaNote 22 · Dit afschuwelijk verlangen naar lijken en beenderen is nooit volkomen verdwenen in de Christelijke wereld, en dat het nog zeer sterk was aanNote 23 · Het merkwaardige verhaal van “Pausin Johanna” (la Papessa Giovanna) ligt buiten het gebied van de vaststaande feiten, maar valt niet buiten Note 24 · Volgens het verhaal was “Pausin Johanna” de dochter van een Angelsakser; maar zij was geboren in het Rijnland, te Ingelheim, waar Karel de GNote 25 · De kroning van den vreemden overweldiger—de unctio barbarica, zooals men het hoonend noemde—deed de woede van de patriottische, anti-DuitschNote 26 · Stephanus genoot niet lang van zijn triomf. Het toeval, zegt Gregorovius, dat somtijds de taak van de Voorzienigheid op zich neemt en wonderNote 27 · De schitterende episode van de Noormannen-overheersching in Sicilië en Zuid-Italië is zoo belangwekkend1 en had zulk een grooten invloed op
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings