Note 1 — De Donkere eeuwen.
Reading edition
Karel de Groote was de beschermheer van de wetenschap, zooals die door de monniken bewaard is, een wetenschap, die bezield was met slechts weinig geestdrift voor hetgeen groot is in de oude literatuur en kunst, maar die ten minste de krachten van de literaire beschaving levendig hield1. Aan zijn hof vinden wij een aantal geleerde mannen, zooals zijn biograaf Einhart (Eginhard), Paulus Diaconus, en den Engelschman Alcwin, den raadsman van den Keizer, die bijzonder bij hem in de gunst stond en op wiens raad in verschillende streken scholen werden gesticht. Men zegt ook, ofschoon het niet gemakkelijk te bewijzen is, dat Karel vele kerken liet bouwen en de kunst begunstigde. Hoe dit ook zij, wij weten, dat zijn liefde voor schoone kunstwerken geen gewetensbezwaren kende, daar hij Ravenna van vele prachtige marmeren beelden beroofde om zijn paleis en kathedraal te Aken te versieren. In het Karolingische2 tijdperk werd Rome, en met Rome ook het grootste deel van Italië, behalve die steden, die onder Byzantijnsche heerschappij of in verband met het Oosten stonden, zooals Venetië, of die, zooals Palermo en Messina, met de Saraceensche beschaving in aanraking kwamen, in steeds dieper duisternis gehuld en tijdens het sociale en politieke verval, veroorzaakt door den regno d’Italia independente en de regeering van Marozia, Alberik en Johannes XII was te Rome de dofheid misschien het ergst. Sommige schrijvers trachten aan te toonen, dat wij ten opzichte van deze eeuwen misleid worden door het gebrek aan goede berichtgevers en dat wij over den algemeenen toestand geen oordeel kunnen vellen op grond van de droevige literaire voortbrengselen, die overgebleven zijn3. Men vertelt ons, dat Duitschland nooit geleerder en voortreffelijker bisschoppen heeft bezeten, dan aan het einde van de tiende en in het begin van de elfde eeuw. Dat kan volkomen waar zijn. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, heerschte de Donkerste Eeuw niet in denzelfden tijd met dezelfde intensiteit over geheel West- en Midden-Europa. In de tiende eeuw waren er middelpunten van wetenschap, zooals Reims en Cluny. Ook Duitschland was waarschijnlijk in dat tijdperk met meer licht gezegend dan Rome, en die geleerde en voortreffelijke bisschoppen waren zonder twijfel door Duitsche koningen gekozen en geen handlangers van de Pausen. Maar hoe was het met Italië in die eeuwen gesteld? En hoe was het in Rome zelf?