← Table of contents
Italië in de Middeleeuwen

tot c. 1320.

Reading edition

Wij hebben de opkomst en de ontwikkeling van de vrije steden in Noord-Italië sedert den tijd van Hildebrand en Hendrik IV gevolgd en wij hebben gezien, hoe de Lombardische stedenbond na zijn overwinning op Frederik Barbarossa den grondslag legde van hetgeen een groote republikeinsche confederatie had kunnen worden. Na de verpletterende nederlaag van den Keizer bij Legnano (1176) en den vrede van Constanz (1183), toen Frederik zich eindelijk in den toestand schikte, erkende hij openlijk de rechten en zelfstandigheid van de Noordelijke steden, en zijn zoon, Hendrik VI, werd zoo volkomen in beslag genomen door zijn pogingen om zijn aanspraken op den troon van de Beide Siciliën te doen gelden, dat hij zich weinig inspande om zijn gezag in Lombardije te handhaven, ofschoon hij het bestuur over Toskane en Umbrië aan zijn eigen hertogen gaf. Ook zijn zoon, Keizer Frederik II bemoeide zich voortdurend met zijn zuidelijk gebied en oefende over Noord-Italië nauwelijks eenig gezag uit, behalve hetgeen hem door de Ghibellijnsche steden vrijwillig werd toegestaan, omdat zij zich gaarne van de hulp van den Keizer tegen hun mededingers wilden verzekeren. Aldus maakten de steden in het noorden zich langzamerhand vrij van het keizerlijke gezag en werden republikeinsch, terwijl Zuid-Italië en Sicilië in den macht van den Keizer bleven; en toen de droevige terechtstelling van Konradijn te Napels in 1268 een einde maakte aan de dynastie der Hohenstaufen, gingen deze zuidelijke gewesten over in de handen van de vorsten van Anjou en Arragon, onder wier regeering zij bestemd waren vele jaren lang te blijven.

Maar behalve de republieken in het noorden en de zuidelijke koninkrijken was er een Kerkelijke Staat, die bestond uit streken van Midden-Italië, zooals gedeelten van Latium, Tuscia Romana en Sabina, waar de Pausen een tamelijk krachtig gezag uitoefenden, een gezag, dat natuurlijk zeer verschilde van de aanspraken, die zij maakten op de souvereiniteit over de Beide Siciliën, Toskane, de Pentapolis (Emilia), de Mark van Ancona, het hertogdom van Spoleto en over andere streken. Deze Kerkelijke Staat (Stato della Chiesa) droeg een vaag, niet georganiseerd en onstandvastig karakter. De Keizers hadden steeds zoowel de bestaande als de denkbeeldige Kerkelijke Staten als onafscheidelijke deelen van het Keizerrijk beschouwd. Zoo stelde Hendrik VI zijn broeder, Hertog Philips, als zijn stadhouder in Toskane aan, en andere van zijn bevelhebbers als gouverneurs in Romagna en de Marken; ook Frederik II bezette, ondanks zijn vrome beloften, Romagna en andere streken, waarop de Paus aanspraak maakte; en Manfred, wiens soldaten de Florentijnsche Ghibellijnen bij Montaperti in 1260 hielpen overwinnen, maakte een van zijn bevelhebbers tot keizerlijk stadhouder van Florence en had een tijdlang, totdat Karel van Anjou verscheen, in het pauselijk gebied van Midden-Italië de macht in handen. In naam begunstigde Karel van Anjou natuurlijk de zaak van de Pausen, maar inderdaad was ook hij hun meester en deed geen moeite hun souvereine rechten uit te breiden, zoodat het zeer begrijpelijk was, dat ten slotte, in 1278, Paus Nicolaas III het verstandig oordeelde van de pauselijke aanspraken op Romagna, Pentapolis, Ancona en Spoleto afstand te doen ten behoeve van den Keizer, Rudolf van Habsburg.

60. S. Croce, Florence.
60. S. Croce, Florence.

60. S. Croce, Florence.

Derhalve was het maar een betrekkelijk klein gebied, waar de Paus zijn souvereine rechten uitoefende, rechten, die hij bovendien nog dikwijls moest deelen met de republikeinsche regeering te Rome; en hij was afhankelijk van de eenigszins onzekere trouw van zijn legaten en zijn onderdanen, en door opstanden, zoowel van de democraten als van de aristocraten, verloor hij dikwijls zijn macht over verschillende steden, zooals Perugia en Viterbo. En eindelijk, toen Clemens V den pauselijken Stoel naar Avignon (1309) overbracht, werd het gezag van de Pausen in Midden-Italië niet meer dan een schaduw van macht.

Aldus hebben wij met een paar trekken een ruwe schets gegeven van den toestand van Italië gedurende het tijdperk, toen de voornaamste noordelijke steden hun hoogste ontwikkeling in commercieele welvaart en republikeinsche onafhankelijkheid bereikten en daarna, sommige ten minste, hetzelfde lot ondergingen, dat in vroeger tijden niet weinige van de oude Grieksche republieken trof; in de Grieksche staten toch gebeurde het zoo dikwijls, dat de een of ander voortreffelijke staatkundige leider, of het hoofd van een partij, de gunst en het vertrouwen van het volk won en misbruikte om zichzelf als “tyran” op te werpen. Deze loop der gebeurtenissen heeft zich in de geschiedenis menigmaal herhaald. Eerst komen het volk en de feudale edelen in botsing. Daarna, wanneer de handel en de algemeene welvaart toeneemt, ontstaat er een nog veel heviger botsing tusschen het kapitaal en den arbeid, tusschen de nouveaux riches en den arbeidenden stand. Dan sluiten de oude en armere edelen een verbond met het volk. Ten slotte verwerft een stoutmoedige en begaafde aanvoerder van den adel den onvoorwaardelijken steun van de volkspartij en maakt zich door een coup d’état meester van de regeering. Zoo ontstonden de Grieksche Tyrannides en evenzoo de Italiaansche Signorie.

De belangwekkende en leerzame geschiedenis van de opkomst en de lotgevallen van de Italiaansche Republieken is, met volledige verslagen over de voornaamste van deze steden, verhaald door vele schrijvers van den tijd van Dino Compagni en Giovanni Villani (c. 1300) tot de Istorie fiorentine van Machiavelli (c. 1500) en verder door Sismondi en ontelbare politici, letterkundigen en begaafde schrijvers van onze dagen. Hier moeten wij er ons toe bepalen, eenige feiten te vermelden in verband met sommige van deze steden, en voor dat doel zullen wij wederom Florence, Milaan en Venetië kiezen, wier geschiedenis wij reeds hebben gevolgd tot omstreeks 1200; en er zal iets bijgevoegd worden over Verona, Bologna en andere steden.

Florence (c. 1200–1320).

Van de vroegste geschiedenis van Florence hebben wij reeds een schets gegeven. Het had zich altijd verzet tegen de aanmatigende overheersching van de Duitsche keizers en edelen en men kan aannemen, dat de onafhankelijkheid van deze stad is ingetreden bij den dood van Gravin Mathilde in 1115, toen zij voor het eerst haar eigen Consuls koos. Maar ofschoon zij bestemd was de belangrijkste van de Italiaansche Republieken te worden, ontwikkelde zij zich langzaam. Het grootste gedeelte van Toskane bleef nog lang onder den invloed van den keizer, nadat de Lombardische steden zich vrij hadden gemaakt, en er waren Toskaansche steden, zooals Pisa en Arezzo, die, zelfs nog na den tijd van Dante en Hendrik van Luxemburg, steunpunten van de Ghibellijnsche partij bleven, terwijl Florence langzamerhand, met horten en stooten, de republikeinsche vrijheid verwierf, die zij heeft gehandhaafd tot de opkomst der Medici in de vijftiende eeuw.

Zes jaren lang na dezen slag bij Montaperti hadden de Ghibellijnen in Florence de macht in handen en werd de stad bestuurd door Manfred’s keizerlijken stadhouder, Guido Novello; maar toen Manfred bij Benevento in 1266 gedood was, kregen de Welfen wederom de overhand. Eerst onderwierpen zij zich op tamelijk oneervolle wijze aan Paus Clemens IV en kozen tot hun Podestà Karel van Anjou, die een tijdlang in Florence door zijn gezanten heerschte. Maar de republikeinsche geest, die door den ontzaglijken groei van den handel en de welvaart in kracht toenam, had nu diep wortel geschoten en begon zijn levensvatbaarheid te bewijzen.

Munt van de zonen van Ugolino, c. 1290.
Munt van de zonen van Ugolino, c. 1290.

Munt van de zonen van Ugolino, c. 1290.

Na den val van Ugolino, kregen in Pisa de Ghibellijnen wederom de macht in handen. De ramp van Meloria maakte een einde aan de gelukkige mededinging ter zee met Florence, maar toch bleef Pisa een hardnekkige staatkundige tegenstander, trouw aan zijn keizersgezinde beginselen en dikwijls begon het weder den strijd tegen zijn zegevierende mededingers; een bewijs hiervan wordt geleverd door den beroemden Campo Santo, waar men niet alleen de graftombe van den laatsten Romanorum Imperator, Hendrik van Luxemburg, kan zien, maar ook de kettingen, die eenmaal de haven van Pisa afsloten en in 1362 door Genua en Florence zijn buitgemaakt, maar in onze dagen, als een bewijs van de eenheid van Italië, zijn teruggegeven (zie plaat 51).

De verdere geschiedenis van Florence was gedurende vele jaren die van een vrije republiek. Zoo nu en dan werd de stad in opschudding gebracht door oorlog en volksoproeren, zooals in 1378 door de Ciompi, maar over het algemeen genoot zij van haar vrijheid en welvaart tot de opkomst der Signoria van de Medici.

Milaan en andere steden (c. 1200–1320).

Terwijl Florence zich aldus haar weg baande naar de republikeinsche vrijheid, ondergingen vele Noord-Italiaansche steden het lot, dat wij beschreven hebben; Venetië en Genua maakten hierop een schitterende uitzondering. In Verona, de geboortestad van de Montecchi en Capuletti, vestigde de bloeddorstige Ezzelino, zooals wij hebben gezien, zijn tyrannie en ook in Padua, Vicenza, Treviso en andere steden. Na zijn dood (1259) werd Mastino della Scala tot Podestà en tot Capitano del Popolo voor zijn leven gekozen, en aldus begon de dynastie der Scaligeri. De bekendste van deze familie is Can Grande, aan wiens hof Dante een tijdlang een tehuis vond en ondervond,

come sa di sale

Lo pane altrui, e come è duro calle

Munt van Milaan, c. 1260.
Munt van Milaan, c. 1260.

Munt van Milaan, c. 1260.

61. Kansel van het Baptisterium, Pisa.
61. Kansel van het Baptisterium, Pisa.

61. Kansel van het Baptisterium, Pisa.

Een merkwaardige, hoewel kortstondige Signoria, was die van Guglielmo Spadalunga (Langzwaard), Markies van Monteferrato. Ongeveer 1270 maakte hij zich meester van een groot aantal Lombardische steden, waartoe Novara, Vercelli, Asti en Pavia behoorden. Maar zijn denkbeeldig rijk viel terstond uiteen, toen hij omstreeks 1290 overweldigd werd door een coalitie van eenige der steden, die hij had onderworpen.

Het is van belang op te merken, dat het leger dezer steden aangevoerd werd door een van de voorvaderen van den tegenwoordigen Koning van Italië, nl. door Amedeo van Savoye. De oudste, bekende voorvader van het Huis van Savoye was een zekere Graaf Umberto, met den bijnaam Biancamano, die uit de bergen van Savoye in de Po-vlakte afdaalde, in Piemonte door gevechten en listige verbonden vasten voet kreeg en in 1033 Koenraad II hielp om Bourgondië te veroveren. In 1310 hooren wij, dat een anderen Graaf van Savoye, Luigi, tot Senator van Rome verkozen wordt. Gedurende vele eeuwen heeft dit geslacht zich door zijn dapperheid en energie voor de hooge stelling, die het zou bekleeden, waardig getoond.

Genua en Venetië (c. 1200–1320).

Wij hebben reeds gehoord van het belangrijk aandeel, dat Genua in vroeger tijden heeft genomen in de worsteling tegen de Saracenen en hoe, nadat in 936 de stad genomen en geplunderd was door de Saraceensche zeeroovers, zij haar maritieme macht herwon en als kampioen van de Ligurische steden en bondgenoot van Pisa de zeeën met haar galeien schoon veegde. Wij hebben ook gezien, hoe de Genueezen zich bij den eersten kruistocht aansloten en hun steun verleenden om Boudewijn op den troon van Jeruzalem te plaatsen en hoe zij een belangrijke commercieele en koloniale macht werden in het oostelijk gedeelte van de Middellandsche zee. De aanwezigheid van buitenlandsche vijanden, eerst van de Saracenen en later van de machtige heeren van Ligurië, had een verbond van de volkspartij met den lageren adel ten gevolge. Dit verbond heette de Compagna, en de verkiezing van Guglielmo Boccanegra als Capitano del Popolo in 1257, of misschien de eindelijke overwinning van de volkspartij in 1270, kan beschouwd worden als het begin van de Genueesche Republiek en van haar groote maritieme macht en commercieele welvaart. In 1284 verpletterde Genua, zooals wij gezien hebben, haar mededingster, Pisa, in den zeeslag bij Meloria. Ongeveer veertien jaar later (1298) vernielde het de vloot van Venetië volkomen bij Curzola. Omstreeks acht duizend Venetianen werden gevangen genomen, onder wie de reiziger Marco Polo, die in de gevangenis zijn beroemd werk, Milione, schreef. Wij nemen dus afscheid van Genua, wanneer zij op het toppunt van haar grootheid staat, want niet lang daarna werd haar zeemacht lam geslagen door een ernstige nederlaag op de hoogte van Chioggia. Daarna, door de overwinningen van Doge Andrea Dandolo, omstreeks 1350, en door de verovering van de Genueesche vloot in de Lagunen in 1380, werd de maritieme heerschappij van Venetië over haar groote mededingster blijvend gevestigd.

De geschiedenis van Venetië van haar eerste begin tot ongeveer 1200 is reeds in het kort verteld. Haar politieke en kunst-geschiedenis in de dertiende eeuw geeft bij voortduring vele belangwekkende eigenaardigheden te zien, die afwijken van die der overige Italiaansche republieken.

Ten eerste had, wat haar inwendige, staatkundige geschiedenis betreft, de ontwikkeling van die stad in oligarchische richting plaats, en wel in de richting, die wij misschien eerder mogen noemen een patricische dan een democratische. De oude Venetiaansche families bestonden voor het grootste gedeelte niet, zooals in andere Noord-Italiaansche steden, uit een feudalen Duitschen adel, maar stamden van de oude Romeinen af, daar Venetië met haar eilanden in vroegere tijden een geliefkoosde verblijfplaats was van de vermogende Romeinen. De nauwe betrekkingen bovendien, die er tusschen Venetië en Byzantium bestonden, hadden ten gevolge, dat in deze stad rijkdom en weelde en Oostersche ideeën, die de democratie niet in de hand werkten, hun intrede deden.

Maar vele van de Venetiaansche edelen van dit tijdperk hadden hun vermogen en rang door den handel verworven, en de oude adelijke families, uit hun bezittingen gedrongen door deze plutocraten, werden ten slotte zoo ontevreden, dat zij, aangevoerd door Baiamonte Tiepolo, een krachtige, maar ijdele poging ondernamen om de gevestigde regeering omver te werpen (1310). De commissie, die ingesteld werd om de aanleggers van deze samenzwering op te sporen, behield haar ambt gedurende een reeks van jaren en eindelijk werd zij door een besluit, dat in 1335 werd aangenomen, permanent verklaard. Dit was de beruchte en gevreesde Raad van Tien, waarvan men in later tijd zooveel hoort.

Zooals wij hebben gezien, leden de Venetianen een verpletterende nederlaag in 1298 door de Genueesche vloot. Gedurende de volgende halve eeuw en nog langer ontwikkelde Genua een werkzaamheid, die zeer nadeelig was voor den Venetiaanschen handel en maakte zich ook meester van eenige Venetiaansche bezittingen in het Oosten, en het was niet voor het einde der veertiende eeuw, dat Venetië onbetwistbaar de Koningin van de Adriatische Zee werd en haar heerschappij over haar mededingsters in de Levant vestigde. Wanneer wij de opkomst van de Italiaansche Gotiek bespreken, zullen wij zien, dat eerst in een tamelijk laat tijdperk die stijl van architectuur in Venetië ingang vond. Hier behoeven wij er slechts op te wijzen, dat deze Venetiaansche Gotiek bijzondere en fraaie kenmerken bezit, daar zij niet slechts onder plaatselijke maar ook onder Oostersche invloeden stond, waarbij, zooals Ruskin heeft aangetoond, ook de Saraceensche invloed soms herkenbaar is.

Notes in this chapter

Note 1 · Dante, Parad. XVI, 153. Het oude vaandel der Florentijnen (en Ghibellijnen) droeg een witte lelie op een rood veld; de Welfen namen een roodNote 2 · Inferno X. Farinata, die uit zijn vurige graftombe met trotsche, kalme waardigheid verrijst, “alsof hij de Hel in groote minachting had” is Note 3 · Inferno X, 86.Note 4 · Dante liet zich inschrijven in het groote gilde van de geneesheeren en apothekers (Medici e Speziali, la sesta arte, zegt Zingarelli). Van dNote 5 · Zie Dante, Inferno XXI, 38: Un degli anzian di Santa Zita, i. e. van Lucca. De Anziani van Lucca en Pisa beantwoordden aan de FlorentijnscheNote 6 · Inferno XXXIII. Er zijn weinig plaatsen in de Commedia, die een zoo schitterende getuigenis afleggen van het buitengewone genie van dezen diNote 7 · Zie ook Inferno XXII, 4 en Purgat. V, 92. In het volgend jaar was Dante aanwezig bij de capitulatie van Caprona, een vesting aan den Arno, dNote 8 · Dertien van de meer dan vijftig (?) torens, die door de edelen van S. Gimignano gebouwd zijn, verleenen nog steeds een merkwaardig uiterlijkNote 9 · Voor de feiten, die in verband staan met Dante’s ballingschap zie men p. 445. Tien jaar tevoren was hij met Gemma getrouwd, waarschijnlijk eNote 10 · Hij geleek, zegt Dino Compagni, op den Romein Catilina, maar hij was wreeder, schoon van uiterlijk, edel van afkomst, een innemend spreker, Note 11 · Dante schijnt het verhaal te bevestigen, dat hij, waarschijnlijk bij een worsteling, in het Casentijnsche van zijn paard werd geworpen en aaNote 12 · Paradiso XVII, 69.Note 13 · (Zoo zult gij proeven) hoe zout smaakt andermans brood, en hoe harde weg het is op- en afgaan van een andermans trappen. (Paradiso XVII, 58–Note 14 · Guido da Polenta was Dante’s vriend aan het einde van zijn leven. Te Ravenna zag de dichter zonder twijfel dikwijls de kleine Francesca, de Note 15 · Men zal zich herinneren, dat Hendrik VII zich tot rex pacificus liet uitroepen, maar het een militaire noodzakelijkheid vond een aandeel te Note 16 · In 1315, zegt Villari, werd de eerste lijst van deze families gepubliceerd. In later tijden (in de zestiende eeuw) kreeg het register den naNote 17 · Bijv. de oude mozaïekwerken van de voorhal van de St. Marcus. Vele prachtige marmeren standbeelden en andere schatten, waartoe ook de beroemNote 18 · De ontwikkeling van de Florentijnsche Republiek werd in den beginne belemmerd door het ontstaan van verderfelijke veeten. Wij hebben reeds vNote 19 · De gilden waren de grondslag van den regeeringsvorm, die thans door de volkspartij werd aanvaard. Er waren van deze gilden (Arti) zeven grooNote 20 · Het was in de vroegste periode van het Prioraat (in 1284), dat Florence plotseling tot hooge macht en welvaart steeg door een verpletterendeNote 21 · Andere Toskaansche steden, die een tijdlang de anti-republikeinsche zaak begunstigden, waren Arezzo, Siena en S. Gimignano. De hulp, die AreNote 22 · Toen Dante acht en twintig jaar oud was, ongeveer drie jaren na den dood van Beatrice, verwierf de Florentijnsche staat een zeer belangrijk Note 23 · Terwijl Dante als balling rondzwierf—waarschijnlijk in dien tijd in het land van Massa en Carrara, dat naar de oude Etruscische stad Luni, LNote 24 · Lo scendere e il salir per l’altrui scale14.Note 25 · Evenzoo vestigden zich de Gonzage in Mantua, de Markiezen van Este in Ferrara, Modena en Reggio, de Correggi en Visconti in Parma, de MontefNote 26 · Van bijzonder gewicht zijn de annalen van Milaan. De geschiedenis van deze stad tot 1200 ongeveer is reeds verhaald. Nadat zij weder verrezeNote 27 · In de oudste tijden werd de Doge gekozen met de algemeene stemmen van het volk, dat zijn wil te kennen gaf door middel van de volksvergaderiNote 28 · Ten opzichte van de ontwikkeling naar buiten gedurende de veertiende eeuw ondergingen de macht ter zee en de handel van Venetië een zeer gun
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings