Note 7 — tot c. 1320.
Reading edition
Het was in de vroegste periode van het Prioraat (in 1284), dat Florence plotseling tot hooge macht en welvaart steeg door een verpletterende nederlaag, die haar bondgenoot, Genua, toebracht aan haar groote mededingster, Pisa, welke stad Florence langen tijd den toegang tot de zee had belemmerd. De zeeslag werd geleverd bij het rotsachtige eilandje Meloria, op de hoogte van Livorno. Zoo groot was de buit en het aantal gevangenen, dat het gezegde ontstond, “hij, die Pisa wil zien, moet naar Genua gaan.” Een van de bevelhebbers der Pisanen bij Meloria was de Graaf Ugolino della Gheradesca, aan wiens tragische geschiedenis Dante in zijn “goddelijk” gedicht aangrijpende en hartstochtelijke verzen heeft gewijd. Na den zeeslag had hij zich als tyran in Pisa opgeworpen, maar men beschuldigde hem ervan, dat hij de oorzaak van de nederlaag der Pisaansche vloot was door verradelijke samenwerking met de Florentijnsche Welfen en het gelukte zijn tegenstander, den Aartsbisschop Ruggieri, hem te overvallen en te laten dooden (misschien dood te hongeren met zijn zonen en kleinzonen in de Torre della Fame), om welke feiten Dante hen beiden heeft veroordeeld tot het bevroren meer in den diepsten put van den Inferno7.