← Table of contents
Italië in de Middeleeuwen

Note 7 — tot c. 1320.

Reading edition

Inferno XXXIII. Er zijn weinig plaatsen in de Commedia, die een zoo schitterende getuigenis afleggen van het buitengewone genie van dezen dichter. Beestachtig is de wraak van Ugolino op zijn beul Ruggieri, in wiens nek hij zijn tanden zet, die hij daarna afveegt aan de haren van het hoofd, waaraan hij knaagt. Maar ons afgrijzen verandert in diep medelijden, wanneer wij dan in hartverscheurende bewoordingen lezen, hoe de vader de machtelooze getuige was van het langzame sterven zijner kinderen.

“Nadat wij aan den vierden dag waren gekomen, wierp Gaddo zich uitgestrekt voor mijn voeten, zeggende: ““Mijn vader, waarom helpt gij mij niet?”” Daar stierf hij; en zooals gij mij hier ziet, zoo waar zag ik hen alle drie, éen voor éen, vallen, tusschen den vijfden en den zesden dag. Twee lange dagen nog tastte ik, reeds blind, naar hen rond en riep hen; daarna deed de honger wat de smart niet vermocht”.

Dit tooneel in den Inferno, dat ons nu nog doet trillen van ontroering, is wel een van de treffendste illustraties van de wet der wedervergelding (il taglione, ius talionis). Wel zijn hierop van toepassing de woorden van Ugolino: “En als gij nu niet weent, waarover pleegt gij dan te weenen?” [Vertaler].

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings