← Table of contents
Italië in de Middeleeuwen

Van Gaiserik tot Odovacar.

Reading edition

Indien Bonifacius werkelijk de Vandalen heeft aangespoord naar Afrika over te steken, moet hij dat gedaan hebben in een vlaag van woede of moet hij zich leelijk misrekend hebben, want een jaar later zien wij hem wanhopig tegen hen strijden. Toen hij verslagen was, trok hij terug naar de zeevesting Hippo, bekend als de stad van St. Augustinus. Hier werd hij door de Vandalen belegerd. In de derde maand van de belegering stierf St. Augustinus (28 Augustus 430), 76 jaar oud. Na veertien maanden begonnen de belegeraars meer gebrek aan voedsel te krijgen dan de belegerden, die vrijen toegang tot de zee hadden. Ook werden er troepen gestuurd van Constantinopel, onder bevel van Aspar, die met Bonifacius de Vandalen aanviel. Maar zij werden met zwaar verlies teruggeslagen. Daarop scheepten zij al hun troepen in en zeilden weg, Aspar naar Constantinopel en Bonifacius naar Ravenna, waar hij tot onze verbazing zeer vriendelijk door Galla Placidia ontvangen werd en zelfs geëerd werd met medailles, waarop hij was afgebeeld op een zegekar met een palmtak in de eene, en een geesel in de andere hand. Maar kort daarna stierf hij aan een wond, die hij in een duel met Aëtius ontvangen had. De inwoners van Hippo werden door de Vandalen deels vermoord, deels tot slaaf gemaakt en de stad werd verbrand.

In dit verband is het van belang te weten, dat de politiek der Vandalen eenigszins socialistisch schijnt geweest te zijn. Het regeerende ras matigde zich natuurlijk een feudale heerschappij aan over het onderworpen volk en was zelf vrij van belasting, maar de arbeiders van de inlandsche bevolking werden bevoorrecht boven hen, die zich van werken onthielden. Van de vermogende edelen, geestelijken en rijke grondbezitters werden velen zwaar belast, zelfs verbannen, terwijl landbouw, nijverheid en handel werden aangemoedigd door gedeeltelijke ontheffing van belasting.

In de laatste jaren van deze periode van rust leefden de Vandalen in vrede met het Keizerrijk, want drie jaren na de plundering van Hippo was er een verdrag geteekend. Doch dit duurde kort en in 439 viel Carthago. Daarna veroverde Gaiserik’s vloot alle eilanden in het Westelijk deel van de Middellandsche zee; Sicilië werd verwoest, de Vandalen landden zelfs op de kusten van Italië. In 442 sloot Valentinianus III, die zich vrij begon te maken van het regentschap van zijn moeder Placidia, een vernederend verdrag met den Vandalen-koning; hij erkende hem als heerscher over al het gebied, dat hij had veroverd, en niet alleen als bondgenoot, gelijk zoo dikwijls het geval was geweest, wanneer het Romeinsche Rijk een barbaar als koning erkend had, maar als absoluut en onafhankelijk monarch. Zoo was nu het Westelijke Rijk beroofd van het grootste deel van zijn Afrikaansch gebied, van alle Westelijke eilanden (ook Sicilië), van bijna geheel Spanje en Zuid-Gallië, en van Brittannië, terwijl Attila reeds meester was in Dacië, en Moesië, Pannonië, Noricum, Rhaetië en een groot deel van Illyrië en Thracië verwoestte.

13. S. Pietro in Ciel d’oro, Pavia.
13. S. Pietro in Ciel d’oro, Pavia.

13. S. Pietro in Ciel d’oro, Pavia.

Gedurende de volgende dertien jaren, de laatste van Valentinianus’ regeering, schijnt Gaiserik zich tamelijk rustig gehouden te hebben. Hij was bezig zijn rijk te versterken en wachtte een gelegenheid af om zijn veroverd gebied ook buiten Afrika te vergrooten, terwijl zijn vloot de zee schoon veegde en zijn leger steeds verder doordrong in de richting van Tripolis en de Groote Syrte.

De Vandalen schijnen slechts weinig in Rome vernield te hebben, maar bij de algemeene plundering zijn ook vele beroemde Grieksche en Romeinsche kunstwerken verdwenen, die tegelijk met een geweldige massa kostbare voorwerpen, juweelen, gouden, zilveren en bronzen versierselen, geborduurde kleederen naar Carthago zijn vervoerd. Veel van dezen buit ging naar Constantinopel, toen zeventig jaar later Justianus’ veldheer Belisarius, Carthago innam, en de vernietiging daarvan moet men niet aan de Vandalen, maar aan de Fransche, Vlaamsche en Venetiaansche kruisvaarders toeschrijven, die Constantinopel in 1204 plunderden. Misschien ontging de buit van den Joodschen tempel—hetgeen velen wellicht het belangrijkste van de schatten zullen vinden—dit lot. Ongeveer 400 jaar geleden had Titus dezen buit uit Jeruzalem gebracht en afbeeldingen ervan kan men nog op zijn triomfboog te Rome zien. De zeven-armige gouden kandelaar, de gouden tafel om de brooden op te leggen, de zilveren trompetten en de talrijke gewijde gouden vazen waren (volgens Josephus) in den Tempel van den Vrede te Rome geplaatst en de Groote Voorhang van den Tempel en de heilige Boeken van de Wet werden bewaard in het Paleis van de Caesars. Een overlevering verzekert, dat deze schatten in den Tiber werden geworpen, toen Maxentius bij den Pons Milvius verdronk. Waarschijnlijker is evenwel dat zij naar Carthago zijn vervoerd en dat sommige ervan door Belisarius naar Constantinopel werden gebracht. Hunne merkwaardige lotgevallen waren daar nog niet ten einde, als wij Procopius mogen gelooven, die verzekert, dat Justinianus door godsdienstige bezwaren gedreven, de “utensilia (huisraad) van den Joodschen tempel” naar Jeruzalem terugzond, waar zij in de schatkamer van een Christelijke Kerk werden gezet. Als dit waar is, moeten wij vreezen, dat zij later in handen van de Saracenen zijn gevallen en nu in de een of andere ver afgelegen Arabische of Syrische moskee zijn. Niet minder belangrijk is het feit, dat de Vandalen ook naar Carthago de helft—zoo niet het geheel—van het zoogenaamde gouden dak van den Jupiter-tempel op het Capitool medenamen, dat gemaakt was van vergulde bronzen pannen, en zonder twijfel ook de vergulde beelden en quadrigae—welke beelden Domitianus, naar men zegt, ongeveer dertig millioen gulden gekost hadden.

Onder de duizenden Romeinsche gevangenen, die meest als slaven werden verkocht, waren drie bijzonder belangrijke. “De keizerin Eudoxia”, zegt Gibbon, “ging haar vriend en bevrijder te gemoet, doch betreurde weldra haar onvoorzichtigheid. Zij werd op ruwe wijze van haar juweelen beroofd en met haar twee dochters, de eenige overgebleven afstammelingen van den Grooten Theodosius, gedwongen den trotschen Vandaal te volgen.”

Men zal zich herinneren, dat de oudste van deze dochters, Eudocia, met Hunnerik trouwde, die zijn vader Gaiserik in 477 opvolgde—want de kleine kreupele stichter van het Vandalen-Rijk regeerde ongeveer zestig jaar. De Keizerin zelf met haar jongste dochter, Placidia, werd ten slotte (c. 463) naar Constantinopel gestuurd, waar de Keizer van het Oosten haar vriendelijk ontving—een bewijs, dat men niet geloofde, of niet wist, dat zij Gaiserik naar Rome had geroepen. Een tweede bewijs zou kunnen zijn het feit, dat haar dochter Placidia de gemalin was van Olybrius, die later (472) een paar weken Romeinsch Keizer was.

Een jaar na de inneming van Rome leed de vloot der Vandalen een verpletterende nederlaag bij Sardinië tegen de Romeinsche onder Ricimer, maar die ramp schijnt Gaiserik niet zeer getroffen te hebben, want ongeveer twaalf jaar later (468) richtte een groote vloot, die was uitgerust door de beide Keizerrijken, weinig tegen hem uit en vele van de 1113 schepen, waaruit de Keizerlijke vloot bestond, werden vernield door Gaiserik’s branders. De zoon van Gaiserik, Hunnerik, die met Eudocia was gehuwd, handhaafde de heerschappij van zijn vader te land en ter zee en is bekend om zijn hevige vervolging van de Katholieken—of misschien van de geestelijken van beide partijen, want hij liet den Ariaanschen patriarch van Carthago op het forum aldaar verbranden. Zooals later verteld zal worden, eindigde het rijk van Gaiserik in 533, toen een opvolger van Hunnerik, Gelimer, overwonnen werd door Belisarius, Justinianus’ veldheer, die Carthago in zulk een snel tempo innam, dat hij bij de inneming in staat was aan een maaltijd deel te nemen, die bereid was voor den Koning der Vandalen.

De plundering van Rome door Gaiserik’s opvolgers, zegt Gregorovius, schijnt het spreekwoordelijke gebruik van “Vandalisme” wel te rechtvaardigen, want een groot aantal burgers werden totaal geruïneerd en duizenden tot slaaf gemaakt. Maar bijna alle schrijvers getuigen, dat Gaiserik niet zulk een “Vandaal” is geweest. Hij hield zijn woord ten opzichte van de vernieling van kerken, paleizen en oude monumenten.

Het Einde van Romulus Augustulus.

In de periode van 455 tot de onttroning van Romulus Augustulus zijn er weinige gebeurtenissen van eenig belang, behalve Ricimer’s reeds vermelde overwinning op de vloot der Vandalen en zijn plundering van Rome—de derde keer, dat het geplunderd werd in ongeveer zestig jaar. De kronieken uit dien tijd bestaan bijna geheel uit voortdurende onlusten, oproeren, onttroningen en verkiezingen; de keizerlijke poppen van de militaire dictatoren Ricimer, Gundobald en Orestes volgden elkaar, met kleine tusschenruimten, zoo snel op, dat in twintig jaar niet minder dan negen zoogenaamde Keizers het purper aannamen. Het korte verslag in het Historisch Overzicht zal dus wel voldoende zijn, en wij zullen hier slechts een levendige beschrijving van den onttroonden Keizer uit Gibbon bijvoegen en iets over het vroegere leven van Odovacar.

“Na den dood van Valentinianus waren in twintig jaren achtereenvolgens negen Keizers verdwenen, en de zoon van Orestes, een jongeling, slechts om zijn schoonheid beroemd, zou allerminst recht hebben op de belangstelling van de nakomelingschap, indien niet zijn regeering, die gekenmerkt werd door de vernietiging van het West-Romeinsche Keizerrijk, een merkwaardig tijdperk afsloot in de wereldgeschiedenis. De zoon van Orestes nam de namen van Romulus en Augustus aan, en maakte die te schande. Het leven van dezen ongevaarlijken jongeling werd gespaard door de edelmoedige genade van Odoacer, die hem met zijn geheele familie uit zijn Keizerlijk paleis wegzond, een jaarlijksch inkomen van 6000 goudstukken voor hem vaststelde en hem het kasteel van Lucullus in Campanië als verbanningsoord aanwees.

De heerlijke kust van de golf van Napels was vroeger bezaaid met villa’s en Sulla prees den meesterblik van zijn tegenstander Marius, die zich had gevestigd op het hooge voorgebergte van Misenum, dat aan alle kanten de zee en het land overziet, zoover als de horizont reikt. De villa van Marius was na een paar jaren door Lucullus gekocht en de prijs was van f 30.000 gestegen tot meer dan f 960.000. Het werd door den nieuwen bezitter met Grieksche en Aziatische kunstwerken versierd, en de huizen en parken van Lucullus verwierven een eervolle plaats op de lijst van de Keizerlijke paleizen. Toen de Vandalen voor de kusten gevaarlijk werden, werd de Lucullische villa langzamerhand een sterke vesting, het afgelegen toevluchtsoord van den laatsten Keizer van het Westen. Ongeveer twintig jaar na die groote omwenteling werd het in een kerk en een klooster veranderd om de beenderen van den Heiligen Severinus te ontvangen. Zij rustten veilig tusschen de gebroken trofeeën van de overwinningen op de Cimbren en Armeniërs, tot het begin van de tiende eeuw, toen de versterkingen, die een gevaarlijk steunpunt konden geven aan de Saracenen, werden afgebroken door het volk van Napels.” (Gibbon c. XXXVI.)

Sommigen gelooven dat deze villa van Lucullus in Pizzofalcone stond, wat nu een hoog gedeelte van Napels is. Maar op Kaap Misenum, die de Baai van Pozzuoli (Puteoli) vormt, kan men nog overblijfselen van een groote villa zien—zonder twijfel de villa van Lucullus, waar Keizer Tiberius werd gesmoord, en waarschijnlijk ook die, waar Romulus Augustulus stierf.

Van Odovacar’s jeugd worden eenige bijzonderheden gegeven door Gibbon, Villari en anderen—uit Jordanes en verschillende oude schrijvers, o.a. een leerling en biograaf van den Heiligen Severinus. De vader van Odovacar en van zijn broeder Onulf was waarschijnlijk de Scirische of Herulische hoofdman Edeco, die door Attila gezonden was naar Constantinopel als gezant met Orestes, den vader van Romulus Augustulus. Na den dood van Attila, toen de Hunnen zich verspreidden, leidde de jonge Odovacar een zwervend leven en is misschien de zeeroover geweest van denzelfden naam, die een vloot van Saksische piraten op de noordelijke zeeën aanvoerde. In ieder geval, het tooneel van zijn vroegere avonturen schijnt het noorden geweest te zijn, want wij vernemen, dat hij ongeveer 460 Noricum (Styria, Salzburg enz.) doortrekt aan het hoofd van een bende barbaarsche soldaten, die in Italië dienst wilden zoeken onder Ricimer. Noricum was nog niet hersteld van de verwoestingen van Attila en verkeerde in een toestand van anarchie. De eenige erkende autoriteit was de Heilige Severinus, de kluizenaar, die van zijn cel uit de orde in het land bewaard schijnt te hebben. De Heilige werd opgezocht door Odovacar, die het lot, dat hem in Italië wachtte, wilde leeren kennen. Toen de slanke, jonge krijgsman bukte om de lage deur door te gaan, werd hij door den Heilige met deze woorden begroet: “Vade ad Italiam. Vade, vilissimis nunc pellibus coopertus, sed multis cito plurima largiturus, Ga naar Italië! Ga! Ofschoon gij nu in dit ruwe gewaad gekleed zijt, zult gij weldra aan velen rijkdommen verschaffen.” Niet lang daarna streed Odovacar in Ricimer’s leger onder de muren van Rome en schijnt tot hoogen rang geklommen te zijn; hij was ook populair geworden, want in 475 kozen zijn soldaten hem plechtig tot hun Koning door hem op een schild omhoog te heffen (zooals zoo dikwijls gebeurde, wanneer het leger een nieuwen keizer koos). Als Koning van barbaarsche krijgers wierp hij zichzelf op tot heerscher over Italië. Hij matigde zich dus niet de keizerlijke waardigheid en titel aan, maar schafte die af.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings