568–800.
Reading edition
Ons verhaal is afgebroken bij den dood van Narses, die waarschijnlijk in 567 plaats vond, een paar maanden voor den inval van de Longobarden; nu volgt, gedurende twee eeuwen ongeveer, de heerschappij van de Longobarden, een tamelijk donkere en droevige periode, waarin vele zaden, die later bloemen en vruchten voortbrachten, zich in den grond ontwikkelden, maar die voor ons niet veel aantrekkelijks heeft, behalve eenige belangrijke persoonlijkheden, voorboden van de komende lente van de Italiaansche kunst.
De bronnen van onze kennis zijn verscheidene; van groot belang zijn de geschriften van Paus Gregorius den Groote, het Edict van Koning Rotharis (Roterik) met een voorrede, waarin vele feiten vermeld worden, die een duisteren tijd eenigermate belichten (tot 640 ongeveer); tegelijk met de handschriften van die voorrede is een belangwekkenden Origo Langobardorum van omstreeks 607 gevonden, die de eenigszins legendarische oudste geschiedenis van de Longobarden geeft; ten slotte hebben de Historia Langobardorum van Paul Warnefrid, algemeen bekend als Paulus Diaconus, een Longobard, die een tijdlang leefde aan het hof van Karel den Groote en zich ten slotte terugtrok in het Benedictijner klooster van Monte Cassino, waar hij waarschijnlijk omstreeks 800 stierf. Zijn Historia geeft een zeer duidelijke beschrijving van den ellentoestand van Italië tijdens den Longobarden-inval en een reeks van levendige portretten van de Longobardische koningen tot de regeering van Liutprand, met vele invoegsels, in den trant van Herodotus. Het werk is onvoltooid, misschien, omdat hijzelf een Longobard was en toch veel aan den Frankischen koning te danken had, zoodat hij het lastig vond de verovering van Italië door de Franken te beschrijven.

24. Mozaïek in S. Pudenziana en S. Prassede, Rome.
Volgens Paulus Diaconus kwamen de Langobardi of Longobardi (“Langbaarden”), evenals de Goten, van Scandinavië, waarheen hun voorouders waarschijnlijk uit de binnenlanden van Azië getrokken waren. Zij worden vermeld door een Latijnschen schrijver, Velleius Paterculus, die ten tijde van Augustus in Germanië onder Tiberius gediend had. Hij noemt hun woestheid erger dan die der Germanen en vertelt dat zij aan de Beneden-Elbe wonen. Ongeveer 178 namen zij deel aan de zuidwaartsche beweging van verschillende stammen, die door Marcus Aurelius gestuit werd. Dan hooren wij drie eeuwen niets van hen, maar zij zullen wel onder de bondgenooten van Attila geweest zijn en blijkbaar trokken zij ongeveer 508 zuidwaarts van de Elbe en vestigden zich aan den noordelijken oever van den Donau, na de Herulen te hebben overwonnen. Vier en veertig jaar later (552) gedroegen zich de Longobardische hulptroepen van Narses zoo woest, dat hij hen moest omkoopen om naar hun land terug te gaan. De koning van deze hulptroepen was Audoin, wiens zoon Alboin thans onze aandacht vraagt.
Tegenover de Longobarden in het land der Rugiërs (de streek langs den noordelijken oever van den Donau, tusschen Regensburg en Weenen) woonden de Gepiden, die uit het Westen, uit Dacië schijnen, gekomen te zijn en het land, dat Theoderik en zijn Oost-Goten hadden verlaten, Pannonië enz. hadden bezet. Deze Gepiden waren in 554 zoo lastig voor het Romeinsche Rijk, dat door Justinianus, volgens de gewone politiek van het Byzantijnsche hof, de Longobarden werden omgekocht om hen aan te vallen. Op den eersten veldtocht doodde de jonge Alboin den zoon van den koning der Gepiden, Torismund, maar de oorlog werd voortgezet en eerst toen de Longobarden voor een deel van hun vee en veel land en buit een verbond met de Avaren, dien woesten stam van Turksche afkomst, waardoor Justinianus zoo verschrikt was, hadden gekocht, verpletterden zij hun vijand in een grooten slag. De Gepiden schijnen ongeveer uitgeroeid te zijn, want men hoort niet meer van hen en hun koning Cunimund onderging hetzelfde lot als zijn broeder Torismund door de hand van Alboin, die nu koning van de Longobarden was. Zijn hoofd werd afgeslagen en Alboin liet van den schedel een drinkbeker maken. Zijn dochter Rosamund werd gevangen genomen en gedwongen Alboin te trouwen, die vroeger naar haar hand had gedongen, maar met minachting door haar vader was afgewezen.
Pavia bood hardnekkigen weerstand en werd drie jaren lang belegerd. Het was in dien tijd sterker en belangrijker dan Milaan, dat nog niet hersteld was na den inval van de Franken, en het werd nu hoofdstad van het Longobardische Koninkrijk. Dit rijk omvatte in Noord-Italië de twee provincies Neustria en Austria, hetgeen ongeveer hetzelfde was als het tegenwoordige Lombardije, Piemont, Emilia en Noord-Venetia, met de volgende steden: Verona, Vicenza, Mantua, Trento, Bergamo, Brescia, Milaan, Pavia, Turijn, Parma, Modena, Aquileia, Treviso. In het noorden, westen en oosten werd dit gebied begrensd door de Alpen, maar naar het zuiden breidde Alboin zijn veroveringen uit over de Apennijnen en tot de streek van Urbino en den Furlo-pas (de bekende Petra intercisa), welk strategisch punt hij bezette. En zoo weinig weerstand werd er in Midden-Italië geboden, dat benden van barbaren verder zuidwaarts marcheerden, het geheele binnenland en een belangrijk deel van de kust veroverden, behalve de versterkte havens, die toegankelijk waren voor de Byzantijnsche vloot. Twee van hun aanvoerders wierpen zich als hertogen (duces) van dit veroverde gebied op; de een koos Spoleto en de ander Benevento tot residentie. Deze twee Longobardische hertogdommen, die later veel moeilijkheden veroorzaakten, schijnen eerst in naam aan Alboin onderworpen geweest te zijn, maar weldra werden zij feitelijk onafhankelijk.
De verovering door de Longobarden was dus allerminst volledig. Gedurende een eeuw was de heerschappij over Italië verdeeld tusschen twee volkeren van geheel verschillend karakter, een feit dat op zich zelf reeds een scheuring veróorzaakte; en deze scheuring in de nationaliteit werd verergerd, totdat zij onherstelbaar werd door de inwendige oneenigheden en de zwakheid van hen, die aanspraak maakten op de heerschappij; want, aangezien oproer en anarchie voortdurend het Longobarden-rijk teisterden, en de Byzantijnen steeds wanhopig worstelden om hun gezag te handhaven tegen de snel toenemende macht van de Pausen en de begeerte naar vrijheid, die in Italië wakker werd, maakten in alle deelen van het land de steden zich langzamerhand min of meer onafhankelijk of begonnen zich tot kleine staten te vereenigen, waardoor ontelbare staatkundige verwikkelingen ontstonden.
Maar het verbond met de Franken had de hoop en den moed van de Byzantijnen in Italië hernieuwd en het dringend verzoek om hulp, dat Paus Pelagius weder deed door middel van zijn gezant of Nuntius (apocrisarius) Gregorius (den Groote), bewerkte de verkiezing van een nieuwen en ondernemenden Exarch, Smaragdus (Smaraldo), die weldra kwam met een aanzienlijke strijdmacht. De Longobarden daarentegen, die geen Koning hadden, waren tot flinke samenwerking niet in staat, totdat ten slotte de hertogen, die de oorzaak van hun eigen zwakte inzagen, een vergadering te Pavia (585) hielden en Autharis (Autherik), den zoon van Clefi, als hun souverein aannamen, terwijl zij gedeelten van hun inkomsten afstonden om de monarchie te begiftigen. De worsteling tusschen de Longobarden en Byzantijnen werd nu heviger, vooral in het noorden en oosten, waar twee belangrijke gebeurtenissen plaats grepen: de Isola Comacina, een klein rotsachtig eiland in het meer van Como, dat zeer interessant is met het oog op den oorsprong van de Longobardische architectuur en dat toen een sterke voorpost van de Byzantijnen was, werd door de Longobarden genomen; Smaragdus daarentegen heroverde in 588 de stad en de haven van Classe, waarover wij ons nauwelijks behoeven te verbazen, daar de Byzantijnen meesters van de zee waren. Inderdaad moet men er zich veeleer over verwonderen, dat de Longobarden die plaats negen jaren lang behouden hebben, terwijl zij toch ingesloten waren tusschen de zee en de bolwerken van Ravenna.
Paus Pelagius was een van de duizenden slachtoffers van die pest in 590. Hij werd opgevolgd door Gregorius. Wij hebben reeds van hem gehoord als gezant van den Paus te Constantinopel. In dit jaar 590 stierf ook Koning Autharis. Hij was waarschijnlijk een van de beste Longobardische vorsten, ofschoon sommige onduidelijke uitdrukkingen van Paulus Diaconus er op schijnen te wijzen, dat onder zijn regeering de Italianen nog meer werden verdrukt dan onder de hertogen, zelfs tot slaaf werden gemaakt en onder de Longobarden werden verdeeld. Maar dit is in strijd met andere plaatsen, waar hij spreekt over den toestand van het land in dien tijd. “Men hoorde van geen gewelddaden,” zegt hij “noch van eenige revolutionaire samenzwering; niemand onderdrukte een ander op onrechtvaardige wijze, niemand plunderde; er waren geen dieven, geen roovers; ieder ging zijn weg, waarheen hij wilde, zonder vrees of angst.”
Dat de Longobarden barbaren waren, die niet zoo artistiek waren aangelegd als de Goten, is duidelijk; zij schijnen niet dat gevoel voor de zuidelijke kunst en litteratuur gehad te hebben, dat zoo merkwaardig is bij Theoderik, Amalasuntha. en ook bij Theodahad; maar zij waren blijkbaar niet zoo wreed. Geen der Longobardische vorsten, zelfs Alboin niet, kan beschuldigd worden van de woeste wreedheid, die Theoderik en Theodahad aan den dag hebben gelegd. Het wilde uiterlijk van de oorspronkelijke Longobarden, hun linnen kleederen met bonte strepen, hun aan de achterzijde geschoren hoofden, de ruige haren, die over hun gezicht hingen en hun lange baarden werden met nieuwsgierigheid en schrik door hun naaste afstammelingen aanschouwd. In het zomerpaleis van Theoderik, te Monza, dat Koningin Theodelinda liet herstellen en met fresco’s versieren, waren deze barbaarsche stamvaders van het ras afgebeeld; zonder twijfel wekten zij groote verwondering en afschuw, reeds lang voor de dagen van Paulus Diaconus, die met eenige ontsteltenis de portretten van zijn voorvaderen zag en beschreef. Maar ondanks dit ruwe uiterlijk en hun woestheid in den oorlog, waardoor zelfs Narses gedwongen werd zich van hen, als bondgenooten, te ontdoen, was er in hen een zachtheid, edelmoedigheid en ridderlijkheid verborgen, die dikwijls hun gevangenen en onderdanen verraste. Deze eigenschappen komen duidelijk uit in de Longobardische wetten van Rotharis en worden juist aangegeven in het grafschrift van een Longobardischen krijger, dat Faulus Diaconus aanhaalt:
Terribilis visu facies; sed mente benignus
Longaque robusto pectore barba fuit.
De meer humane, ridderlijke en gevoelige trekken in het Longobardische karakter maakten ongetwijfeld die samen-smelting met de overwonnen Italianen mogelijk, die onmogelijk was gebleken in het geval met de Goten. De geleidelijke fusie van het Longobardische met het Italiaansche ras bracht in den loop der tijden de nieuw-Italiaansche kunst voort, die zich het eerst openbaarde in de Longobardisch-Romaansche architectuur en later in de Toskaansche beeldhouw- en schilderkunst—ofschoon alle drie uitwendig andere invloeden hebben ondergaan. Daarentegen verdween door de gedeeltelijke verovering en het gebrekkig georganiseerde bestuur der Longobarden zeer zeker de eenheid in het Italiaansche volkskarakter. Of die verdeeling gunstig was voor de kunst, is een vraag, die gemakkelijker is te stellen dan te beantwoorden, maar dat het den risorgimento van Italië voor vele eeuwen uitstelde, is onbetwistbaar.

25. S. Pietro, Toscanella.
Men zal zich herinneren, dat Alarik’s opvolger, Athaulf, zijn plan om een Gotisch Rijk te stichten opgaf, omdat hij overtuigd was geworden, dat de Goten niet in staat waren zichzelf te besturen en dat de eenige mogelijkheid om de orde te verzekeren lag in hun eerbied voor de oude Romeinsche staatsinstellingen. Ook Theoderik en zijn dochter Amalasuntha, moesten, niettegenstaande hun hevig verlangen om een Vereenigd Italië te stichten, toegeven, dat Gotische invloeden hun te sterk waren. De Longobarden brachten het evenmin tot stand, doch tengevolge van andere oorzaken. Zij waren Italië niet binnengedrongen op verzoek van den Oost-Romeinschen Keizer, zooals Theoderik, en evenmin koesterden zij zulk een eerbied voor het Keizerrijk. In hoeverre zij Romeinsche wetten en Romeinsche ambtenaren afgeschaft hebben, kan men niet gemakkelijk aantoonen; maar het is zeker dat zij in vele opzichten hun eigen regeeringsstelsel hebben ingevoerd. Nu berustte dit stelsel alleen op mondeling overgeleverde wetten en paste beter bij hun vroeger nomaden-leven dan bij de omstandigheden, waarin zij nu verkeerden als heerschers in een land, dat gedurende vele eeuwen het centrum van Europeesche beschaving was geweest, terwijl zij vergelijkenderwijze de minderen in aantal waren. Bovendien was de contrôle, die de Longobardische koning over zijn krijgslieden uitoefende zeer verslapt, daar zijn onderdanen over bijna geheel Italië verspreid waren en er een groot aantal hertogdommen waren ontstaan, van welke sommige weldra onafhankelijk werden onder het bestuur van vorsten, die erfelijke dynastiën stichtten. Ook had de koning, ofschoon hij in geval van oorlog de hoogste macht bezat, toch geen erfelijke rechten—een feit dat veel bloedvergieten en verwarring veroorzaakte—en ofschoon zijn gezag aan de hertogelijke hoven vertegenwoordigd werd door ambtenaren (gastaldi) die de financiën moesten controleeren, oorlogsbelasting innen en toezicht houden op militaire zaken, werden deze meer en meer tegengewerkt door de particuliere raadslieden en gouverneurs van hertogen (gasiadi en sculdasci). Deze decentralisatie was de oorzaak, dat het Longobardische koninkrijk geen stevig aaneengesloten staat werd. Maar juist deze onmacht om te heerschen leidde tot de fusie met de verschillende Italiaansche volkeren en ofschoon het de vorming van een Italiaansche natie uitstelde, is het toch zonder twijfel een zegen geweest.
Na den dood van Autharis in 590 verzochten de hertogen Theodelinda, wier karakter en intellect indruk hadden gemaakt, een echtgenoot uit hun midden te kiezen. Nadat zij consilium cum prudentibus had gehouden, zooals Paulus Diaconus zegt, koos zij Agilulf, hertog van Turijn, die in de kerk van S. Ambrogio te Milaan gekroond werd. Zij regeerden vijf en twintig jaar. Deze regeering is om verschillende redenen belangwekkend. Agilulf wordt door sommige schrijvers beschouwd als de eerste Longobardische koning, die, zeer zeker onder invloed van zijn verstandige koningin, getracht heeft een stevigen en gecentraliseerden regeeringsvorm in te voeren. Bovendien is deze periode voor dengene, die de Italiaansche kunst bestudeert, van bijzonder belang; Gregorius de Groote is een indrukwekkende persoonlijkheid en zijn verhouding tot den Longobardischen koning en koningin maakt het onderwerp nog belangrijker. Wij zullen deze periode dus later uitvoeriger behandelen.
Maar, voordat dit alles gebeurde, had Agilulf eenige jaren van zwaren strijd. Eerst moest hij de ongehoorzame hertogen van Orta, Treviso en Bergamo tuchtigen. De laatste van dezen, Gaidulf, had zich versterkt op de Isola Comacina, een vesting in het meer van Como, die een paar jaren te voren door Autharis op de Byzantijnen was veroverd. Agilulf bemachtigde het eiland, waar hij aanzienlijke schatten vond, joeg Gaidulf naar Bergamo en nam hem gevangen, maar spaarde zijn leven en won aldus zijn vriendschap. Daarna maakte hij zich gereed den al te onafhankelijken hertog van Benevento te onderwerpen. De Longobardische hertogen van Benevento en Spoleto waren niet alleen tegen hun Koning opgestaan, maar traden zoo dreigend tegen Rome op, dat Gregorius, die, zooals hijzelf zegt, niet meer wist of hij een geestelijke herder was of een wereldlijke vorst, na een vruchteloos beroep op Ravenna, een verdrag teekende met de gens nefandissima Longobardorum, zooals hij hen gewoonlijk noemde.
Hierop besloot Agilulf Rome aan te vallen en marcheerde in het voorjaar naar het zuiden. Te Rome ontstond zulk een ontsteltenis, dat Gregorius zijn preeken over Ezechiel afbrak en het zwaard aangordde. Maar, hetzij de Romeinen, aangevuurd door hun krijgshaftigen Paus te hevigen tegenstand boden, hetzij de malaria van de Campagna te veel offers vroeg, Agilulf trok terug naar het noorden, na het land verwoest te hebben; een paar jaren lang werd Italië noch door de Longobarden, noch door de Byzantijnen meer geteisterd, want in het oosten ontstonden ernstige onlusten, door de dreigende Avaren en door den dood van den Keizer Mauricius die door den usurpator Phocas was vermoord.
In de latere jaren van Paus Gregorius’ leven werd de verhouding tusschen hem en den Longobardischen koning zeer hartelijk, vooral door toedoen van Theodelinda, die als Beiersche prinses in de Katholieke leer was opgevoed en een sterken invloed had op haar gemaal. Of Agilulf werkelijk het Arianisme heeft afgezworen, is onzeker, maar hij stond toe, dat zijn zoon Adelwald gedoopt werd (603) als Katholiek, zooals wij vernemen uit Gregorius’ briefwisseling met de Koningin over zijn klein petekind. Dit begunstigde de uitbreiding van het Katholicisme onder de Longobarden ten zeerste. Doch het duurde nog eenigen tijd, voordat zij geheel en al afstand deden van hun ketterschen vorm van Christelijken godsdienst.
Sinds 600 werd Gregorius hevig door jicht geplaagd en in 604 is hij daaraan gestorven.
Rotharis regeerde zestien jaren (636–52). Hij is voornamelijk beroemd als de groote Longobardische wetgever, maar in de eerste zes jaren van zijn regeering onderscheidde hij zich door het Longobardische gebied uit te breiden over Ligurië tot de Frankische grens bij Marseille, terwijl hij Genua en kleinere steden, Levanto en Sestri, op de Byzantijnen veroverde. In 642 bracht hij, volgens Paulus Diaconus, den Romeinen en Ravennaten een zware nederlaag toe bij de rivier Panaro met een verlies van 8000 man. Zonder twijfel moet men zijn stoutmoedigheid en geluk toeschrijven aan de volgende gebeurtenissen, waardoor de Keizer van het Oosten, Heraclius, verhinderd werd zich veel met Italië te bemoeien.
In de eerste jaren van zijn regeering was Heraclius opgeschrikt door het optreden van de Perzen, die in 615 Jeruzalem hadden genomen, vanwaar zij het Kruis (of wat er van over was) meenamen, en die zelfs een verbond met de Avaren van Hongarije hadden gesloten en Constantinopel bedreigden, zoodat hij er over dacht de regeering van het Keizerrijk naar Carthago te verplaatsen. Maar hij schijnt plotseling een merkwaardige kracht en moed te hebben ontwikkeld en het gelukte hem eindelijk de Avaren en ook de Perzen te verslaan en hij ontnam hun niet alleen alle gevangenen, maar ook het buitgemaakte Kruis, dat hij in triomf naar Constantinopel bracht en daarna weder naar Jeruzalem.
Dit gebeurde in 628–629, juist toen een nieuwe geduchte macht in het oosten begon op te komen; want in 629, zeven jaren na de Hegira (vlucht) werd Mekka genomen en de Heilige Oorlog door den grooten Arabischen profeet afgekondigd. Mohammed zelf stond slechts vier jaar aan het hoofd van zijn legers. Hij stierf in 632; maar zijn Kaliefen breidden hun veroveringen zoo snel uit, dat tusschen 634 en 640 Damascus, Antiochië, Jeruzalem, Mesopotamië en Egypte gevallen waren en de Saracenen, zooals de muzelmannen door de Grieken en Romeinen genoemd werden, weldra Europa bedreigden.

26. S. Maria Maggiore, Toscanella.
Daarop wordt Ansprand tot koning geproclameerd, maar hij sterft in hetzelfde jaar (712) en laat zijn zoon Liutprand als opvolger achter. De lange regeering van Liutprand (712–744) is misschien merkwaardiger dan die van eenig ander Longobardisch koning, gedeeltelijk wegens gebeurtenissen, die niet rechtstreeks in verband stonden met het Longobardische hof, maar van gewicht waren voor Italië.
Deze gebeurtenissen, die van grooten invloed waren op de verhouding van het oostelijk keizerrijk tot het Byzantijnsche Italië (als men dat zoo noemen mag), hingen ten nauwste samen met godsdienstige, of liever kerkelijke vraagstukken. Wij moeten daar een oogenblik aandacht voor vragen.
Maar de opstand breidde zich uit en niettegenstaande een tijdelijke verzoening tusschen den Keizer en den Paus (Constantinus I) en een feestelijke ontmoeting van deze twee in Klein-Azië, hadden er toch ernstige onlusten te Rome plaats, waar de Exarch zelf gedood werd; en de meeste steden van het Exarchaat maakten gemeene zaak met Ravenna in een opstand tegen het oostenlijke Keizerrijk; dit was de eerste confederatie van steden in de geschiedenis van middeleeuwsch Italië. Justinianus was reeds voor eenige jaren (695–705) van zijn troon verjaagd en zijn wreedheden verwekten nu een tweeden opstand. Hij werd vermoord door den usurpator Bardanes, of Philippicus, die Ravenna en de Romeinen voor zich trachtte te winnen door den blinden aartsbisschop terug te sturen en het hoofd van Justinianus over te zenden, waar allen zooals men vertelt “met gretige verbazing naar keken.” Doch de gunst, die hij hiermede verwierf, was van korten duur. Zijn kettersche neigingen en het zich aanmatigen van priesterlijke functies veroorzaakten wederom de heftigste vijandelijkheden in Rome. De beeltenis van Philippicus werd uit de St. Pieter en uit andere kerken verbannen; zijn naam werd niet meer bij de mis gehoord; munten met zijn beeldenaar en onderschrift werden geweigerd. Tot zulk een hevige uitbarsting kwam het, dat Philippicus werd onttroond en blind gemaakt, en ook zijn twee opvolgers werden afgezet en gedwongen de tonsuur aan te nemen. Daarna, in 717, beklom Leo III den troon, een dapper soldaat van oostersche afkomst, daardoor bekend als Leo de Isauriër en nog beter bekend als Leo de Iconoclast.
Wat den beeldenstrijd betreft, dient opgemerkt te worden, dat velen in het oosten van het Keizerrijk, zonder twijfel onder invloed van de Oostersche monotheïsten, b.v. van de Joden en de Mohammedanen, die overtuigd waren van de gevaarlijke neiging van de menschelijke natuur tot afgodendienst, ofschoon zij niet door ultra-puriteinsche beweegredenen gedreven werden, toch niet in staat waren de houding van de Roomsche Kerk ten opzichte van het gebruik van beelden te begrijpen, een houding, die vooral moet toegeschreven worden aan de nawerking van het oude heidendom.
In Constantinopel zelf en elders in het Keizerrijk ontstond een hevige oppositie tegen het Edict; maar hier werd dit met geweld onderdrukt, terwijl er in Italië daarentegen een plotselinge en geweldige uitbarsting op volgde, die de Byzantijnsche macht ernstig aangreep. Ravenna, Venetië en andere steden van het noordelijke Exarchaat stonden op tegen hun stadhouders en kozen hun eigen duces; en voortaan erkenden slechts een paar steden in het uiterste zuiden van het schiereiland den Keizer en den Patriarch van het Oosten—een toestand, die bleef bestaan tot de komst van de Noormannen.
Wij zullen nu terugkeeren tot Liutprand. Zijn regeering van twee en dertig jaren, merkwaardig als de periode van den beslissenden opstand tegen het keizerlijk gezag in Italië, was bovendien belangrijk, omdat, terwijl Pausen en Keizers, Romeinen en Byzantijnen, zich afmatten door godsdienstigen en staatkundigen strijd, de Longobardische koning snel zijn gebied uitbreidde en versterkte door verovering en verstandige wetgeving, en de ontwikkeling van een nieuwe bouwkunst begunstigde door de gilden van de Comacijnsche bouwmeesters te beschermen, die vele kerken voor hem oprichtten, zooals de prachtige basiliek van S. Pietro te Tuscania (Toscanella) bij Viterbo, den Duomo en Battisterio van Novara en verscheidene kerken te Genua en Pavia, b.v. de beroemde Ciel d’oro, waar hij de beenderen van den H. Augustinus neerlegde, die hij had gekocht van de Saracenen op Sardinië.
Liutprand voegde 153 wetten bij den code van Rotharis. Deze wetten zijn belangrijk om haar barmhartigheid en Christelijke zachtheid. Zij toonen een innigen afkeer voor de oude barbaarsche gewoonten van het duel of het “Godsoordeel”; zij geven de vrouw rechten en verdedigen de armen tegen onderdrukking.
Deze brief van Gregorius III kwam ongelegen, want Karel had juist de hulp van Liutprand ingeroepen tegen de Arabieren en Liutprand was reeds noordwaarts getrokken om hem te helpen; maar toen hij zag, dat de oorlog tegen de ongeloovigen geëindigd was, keerde hij terug en begon wederom het gebied van de Kerk in het Romeinsche Hertogdom te verwoesten. Toen schreef Gregorius nog eens een dringenden brief aan Karel, waarin hij hem te hulp riep contra nefandissimos Longobardos en er hem aan herinnerde dat hij hem, behalve andere prachtige geschenken, de gouden sleutels had gezonden van de tombe van den H. Petrus cum vinculis (d.i. die vijlsel bevatten van de ketenen van den Apostel). De bedoeling van deze sleutels was zeker Karel te beduiden, dat men op hem als verdediger van de tombe van den H. Petrus vertrouwde; en een kroniekschrijver verzekert, dat Gregorius de stellige belofte gaf van den keizer af te vallen (a partibus Imperatoris recedere) en Karel als Romeinsch Consul te erkennen. Het lijkt vreemd, dat de Paus zou toegegeven hebben, dat er nog eenige band met het Byzantijnsche hof bestond, want het schijnt, dat te Rome het Byzantijnsche gezag volstrekt niet meer erkend werd. Maar het verhaal kan toch waarheid bevatten; Gregorius is misschien eenigszins de uitnoodiging van Paus Leo III aan Karel den Groote vooruitgeloopen.
Gregorius ontving geen antwoord op zijn verzoek, want hij stierf plotseling in November van dit jaar (741) en Karel was reeds een maand eerder gestorven. Keizer Leo overleed ook in hetzelfde jaar. Liutprand bleef dus alleen over van de vier belangrijke persoonlijkheden van deze periode, maar hij overleefde hen slechts drie jaren. Doch deze drie jaren vermeerderden zijn gebied en roem niet weinig. De nieuwe Paus, Zacharias, werd zonder keizerlijke bekrachtiging gewijd—een sterk bewijs van de onlangs verworven onafhankelijkheid; hij nam jegens den Longobardischen koning een verzoenende houding aan en er vond een plechtige ontmoeting plaats in de basiliek van den H. Petrus te Viterbo, bij de grens van het Longobardische Toskane en het Romeinsche Hertogdom. Hier werd een wapenstilstand van twintig jaar geteekend. Liutprand sloot ook een verdrag met Stephanus, den Hertog of Patricius van Rome, die nu feitelijk de president was van de Romeinsche Commune. Hij bevestigde ook zijn souvereine rechten over de nog oproerige zuidelijke hertogdommen door Trasamund af te zetten, die de tonsuur moest aannemen, evenals zoovele gevallen potentaten in die tijden, en hij plaatste nieuwe regeerders op de hertogelijke tronen van Spoleto en Benevento. Wellicht is het te betreuren, dat Liutprand nu geen gebruik heeft gemaakt van zijn positie en getracht heeft zijn koninkrijk te grondvesten op de basis van een vereenigd Italië, zelfs wanneer die vereeniging van tamelijk heterogene elementen voorloopig had moeten geschieden door buitenlandsche krachten. Hoe het ook zij, de poging is niet gedaan, misschien omdat het genie om keizerrijken te bouwen in het Longobardische karakter niet aanwezig was, misschien ook omdat de eerbied van Liutprand, als oprecht katholiek, voor het geestelijk gezag en de wereldlijke bezittingen van de Kerk hem deed aarzelen. Hoe sterk hij onder den invloed van dien eerbied stond, bewijst het feit, dat hij na het verdrag van Viterbo vele steden en sterkten, waarop de Paus als erfgenaam van de Byzantijnsche bezittingen aanspraak maakte, teruggaf, zoowel in het noordelijke Exarchaat als in het Romeinsche hertogdom, en dat hij twee jaren voor zijn dood op aandringen van den Paus zijn plan om Ravenna aan te vallen opgaf.
In 744 stierf Liutprand en zijn zoon (of neef) Hildebrand volgde hem op, maar werd weldra afgezet door Ratchis. Van Ratchis’ regeering weten wij bijna niets, behalve dat zij eindigde, toen hij zich naar Monte Cassino terugtrok. Zijn broeder en opvolger Astulf (749–56) veroorzaakte door zijn hevige, aggressieve, anti-pauselijke politiek den eersten ernstigen inval van de Franken. In 752 nam hij Ravenna, welk feit men beschouwt als het einde van het Byzantijnsche Exarchaat, en ondanks den vrede van veertig jaren, dien hij geteekend had, weigerde hij hardnekkig de Romeinsche en pauselijke steden en landstreken op te geven, welke hij had veroverd, en fremens ut leo joeg hij den Romeinen zulk een schrik aan met zijn bedreigingen, dat Paus Stephanus, barrevoets en bestrooid met asch processies van smeekelingen leidde naar de drie groote kerken van Rome, terwijl hij het geschonden verdrag op een kruis voor zich uitdroeg. Eindelijk bracht de Paus, wanhopig, een bezoek aan den Longobardischen koning te Pavia. Maar alles was vergeefsch; hij vervolgde dus zijn reis en trok de Alpen over om persoonlijk Pepijn, den koning der Franken, om hulp te vragen.
Pepijn de korte en zijn broeder Karloman bezaten een tijdlang de hoogste macht na den dood van hun vader Karel Martel, maar zij heetten slechts maires du palais van den laatsten koning der Merovingers, den roi fainéant Childerik III. Karloman, die het wereldsche leven moede was, had zich in 746 teruggetrokken naar een klooster, dat hij zelf gesticht had op den berg Soracte bij Rome, en vandaar naar het Benedictijner klooster van Monte Cassino. Daarop had Pepijn tot den Paus Zacharias de vraag gericht of hij, die werkelijk het koninklijk gezag uitoefende, niet meer recht had den koninklijken titel te voeren dan een roi fainéant. Hierop gaf Zacharias het verlangde antwoord en stuurde Bonifacius, den Engelschen zendeling in Germanië, die toen Aartsbisschop van Mainz was, om Pepijn te kronen in het plechtige conclave van Soissons (751).
Toen nu twee jaren later de opvolger van Zacharias, Paus Stephanus II de Alpen overtrok om de hulp van Koning Pepijn in te roepen, kwam de jonge prins Karel (de latere Karel de Groote) hem tegemoet en begeleidde hem, totdat de koning zelf kwam aanrijden om zijn gast te ontvangen. Dadelijk, nog voordat zij het paleis bereikten, beloofde Pepijn onder eede “dat hij het Exarchaat en alle andere plaatsen en rechten aan de Republiek van Rome zou teruggeven” of, met andere woorden, aan den Kerkelijken Staat. Hij dringt er dan op aan, dat Stephanus den winter in de Abdij van St. Dionysius (St. Denis) zal doorbrengen; hij schrijft dreigbrieven aan den Longobardischen koning Astulf, maar vergeefs; hij vernieuwt zijn belofte aan den Paus in plechtige vergaderingen; en Paus Stephanus, van zijn kant, kroont in de kerk van St. Denis niet alleen Pepijn zelf, maar ook zijn gemalin Bertharid (Berthe au grand pied) en hun beide zonen, Karel en Karloman, een daad, die beschouwd wordt als de pauselijke sanctie van Pepijn’s dynastie, daar hij zelf reeds gekroond was als koning der Franken door St. Bonifacius. Het was werkelijk eenigszins een herleving van het Romeinsche Keizerrijk, want bij de kroning schonk Stephanus, als vertegenwoordiger van Rome, aan den Frankischen koning den hoogsten titel, Patricius, die door de Keizers slechts aan eminente leden van het keizerlijk huis was gegeven, of gevoerd was door vorsten als Odovacar en Theoderik.

27. Kathedraal en S. Fosca, Torcello.
In ditzelfde jaar stierf Astulf. Zijn broeder Ratchis, die afstand had gedaan en zich teruggetrokken had naar den Monte Cassino, trad nu weder op, in de hoop tot koning verkozen te worden; maar de Paus haalde hem over naar zijn klooster terug te keeren, en ondersteunde de verkiezing van Desiderius, den hertog van Toskane, die kwistig was met zijn beloften om den Paus te helpen in zijn aanspraken op al het oorspronkelijke gebied van het Exarchaat en de Pentapolis, beloften die, als gewoonlijk, onvervuld bleven; want de nieuwe Longobardische Koning deed van niets afstand behalve van Faenza en Ferrara.
In de volgende twaalf jaren worden er verdragen gesloten en geschonden door de vijf heerschers, wier slaaf Italië is, maar de toestand blijft over ’t algemeen, zooals die was. In 767 sterft Paus Paulus en in het volgend jaar Koning Pepijn. Hij laat het Frankische koninkrijk na aan zijn twee zonen, Karel en Karloman, die door hun hevige twisten groote onlusten stichten en de bestaande oneenigheden zelfs in de steden van Italië nog scherper maken. Maar na drie jaren sterft Karloman en zijn weduwe vlucht met haar kinderen naar het hof van Desiderius te Pavia. Zoo wordt Karel in 771 alleenheerscher over het Frankische rijk van Neustrië en Austrasië en alles, wat daarbij behoorde.
Voordat wij de onderwerping van de Longobarden door Karel vertellen, is het noodig een blik te werpen op Rome na den dood van Paus Paulus in 767, om ons een begrip te vormen van de bijna ongeloofelijke wreedheid, met welke de aristocratische en kerkelijke partijen den strijd hebben gevoerd. Paus Paulus lag op zijn sterfbed, maar leefde toch nog, toen de Hertog van Nepi, een klein stadje in het Romeinsche hertogdom, haastig tegen Rome optrok en zijn broeder Constantinus op den pauselijken troon zette. Daar Constantinus een leek was, moest hij bevestigd worden als geestelijke, diaken, priester en daarna gewijd als bisschop en Paus, alles op denzelfden dag. Een jaar later werd een priester, Philippus, door de Longobardische partij op den voorgrond geschoven. Hij werd in het Lateraan gewijd en besteeg den pauselijken troon in de St. Pieter, waar hij aan de menigte zijn pauselijken zegen gaf. Maar de volgende maand (Augustus 768) werd door een combinatie van geestelijken, van het leger en het volk een derde Paus, Stephanus III, een vriend van wijlen Paus Paulus, gekozen. “Deze nieuwe verkiezing”, zegt Villari, “bracht de woede van het volk niet tot bedaren, want, voordat de nieuwe Paus gewijd werd, besloot de overwinnende partij wraak te nemen op Constantinus en zijn aanhangers. Sommigen werden de oogen en tong uitgerukt. De razende menigte stormde daarna naar het huis, waar de ex-Paus opgesloten was. Zij overstelpten hem met beleedigingen, zetten hem te paard op een vrouwen-zadel en brachten hem naar een klooster. Vandaar werd hij naar de Lateraan-basiliek gevoerd, waar de verzamelde bisschoppen hem plechtig afzetten, door hem zijn pallium en verdere pauselijke kleederen uit te trekken. Kort daarna sleurden zijn vijanden hem uit het klooster, staken hem de oogen uit en lieten hem halfdood op straat liggen”. Een priester, die de voornaamste bewerker was geweest van de verkiezing van Paus Philippus en bescherming had gezocht in het Pantheon (S. Maria ad Martyres) werd van het heilige beeld, waaraan hij zich vastgeklemd had, losgescheurd, naar het Lateraan gesleept, en blind gemaakt op dezelfde wijze; hij stierf aan de gevolgen.
Maar wij moeten tot Karel terugkeeren. Door den dood van zijn broeder was hij alleenheerscher der Franken geworden. Niet lang voordat dit gebeurde had zijn moeder Bertharid (Berthe) hem overgehaald om zich te verbinden met den Longobardischen koning Desiderius en zelfs diens dochter Desiderata tot gemalin te nemen. Toen Paus Stephanus III van dit huwelijk hoorde, was hij zeer ontsteld. Zijn brief aan Karel, dien deze zelf bij zijn collectie van pauselijke brieven voegde en dien men nog in Weenen kan inzien, is in zeer heftige termen geschreven. Hij noemt elken band tusschen het edele Frankische en het zondige Longobardische ras “diabolisch” en voegt er bij, dat hij zijn brief gelegd heeft op de tombe van den H. Petrus en dat hij hem nu met tranen in de oogen wegstuurt. En toch—zoo wisselvallig waren de gebeurtenissen in deze jaren—in hetzelfde jaar (771), dat Karel alleen koning werd (want dit gebeurde pas in December), had Stephanus plechtige samenkomsten gehouden met Desiderius, die met een sterke lijfgarde naar Rome was gekomen, schijnbaar als pelgrim, doch in werkelijkheid om den Paus te bevrijden van zekere woelige edelen en geestelijken, welk doel werd bereikt, daar de leiders van de vijandige partij werden gevat en blind gemaakt. Doch in een paar maanden veranderde Stephanus’ gezindheid, want toen hij hoorde, dat Karel met den Longobardischen koning gebroken had,—hij had hem doodelijk beleedigd door Desiderata terug te sturen—brak ook hij met Desiderius en trachtte de gunst van den Frankischen vorst te winnen. Maar de dood maakte een einde aan zijn intriges (Februari 772).
Paus Stephanus werd opgevolgd door Hadrianus I, een man met een sterk karakter. Zijn regeering van drie en twintig jaren was zeer belangrijk. Een van zijn eerste daden was een gezantschap te zenden om te protesteeren tegen het gedrag van Desiderius, die, woedend over de beleedigingen hem door Karel aangedaan en ongetwijfeld daartoe aangezet door de weduwe van Karloman, Faenza en Ferrara had ingenomen en Ravenna bedreigde. Hadrianus’ gezantschap richtte niets uit en weldra was de Longobardische koning op marsch naar Rome.

Het Keizerrijk van Karel den Groote
C. 800
De gebeurtenissen van de volgende jaren zijn van weinig belang. Nog eens roept Paus Hadrianus, in het nauw gebracht door den Hertog van Benevento, Karel naar Rome, wederom bezoekt Karel Italië en viert Kerstmis te Florence en Paschen te Rome (787). Daarna ontstaat er een voorbijgaande opwinding door de landing van Adelchis, zoon van Desiderius, in Zuid-Italië, gesteund door Byzantijnsche troepen; maar zij worden door de Franken en hun Longobardische hulptroepen weggejaagd naar Sicilië en wij hooren niets meer van Adelchis.

Leo’s Triclinium-Mozaïek.
Wat de bouwkunst betreft is het volgende van groote beteekenis; Karel gaf een bewijs van zijn openlijke erkenning der pauselijke rechten door hem verlof te vragen “zekere marmeren beelden en mozaïeken” uit Ravenna te halen om zijn paleis en zijn kathedraal te Aken daarmede te versieren. Deze kathedraal, waarin hij begraven is, was gebouwd volgens het plan van de S. Vitale en de verwijdering van “zekere marmeren beelden en mozaïeken” beduidde ongetwijfeld de algeheele berooving van eenige der prachtigste kerken te Ravenna en ook van de paleizen van Theoderik en de Exarchen.

28. Kathedraal van Grado.
Tusschen 790 en 795 vernemen wij, dat Karel oorlog voert met de Avaren en natuurlijk met de Saksen en dat zijn onwettige zoon Pepijn een opstand leidt in Friuli, maar ten slotte in een klooster sterft; wij hooren ook van een synode te Frankfurt, waar de koning werkzaam aan deelneemt, en van een grafschrift van 38 versregels door hem gemaakt op Paus Hadrianus, die in 795 stierf en door den beroemden Leo III werd opgevolgd.
Doch weldra kwamen er uit Rome zeer ernstige beschuldigingen. Men verzekerde, dat de koning, indien hij de zaak slechts nauwkeurig onderzocht, het wel noodzakelijk zou achten Leo af te zetten. Ten slotte besloot Karel, aangespoord door zijn Engelschen raadsman, Alcwin, die hem zeide, dat hij meer aandacht moest schenken aan het hoofd dan aan de voeten van het Rijk, de Saksen voorloopig aan hun eigen plannen over te laten en Rome te bezoeken. Maar toen hij zag, dat dit onmogelijk was—want ook Bretagne en de Saracenen maakten het hem lastig—, zond hij Paus Leo daarheen, vergezeld van prelaten en ambtenaren en gaf bevel, dat de zaak openlijk onderzocht zou worden. De Paus maakt een triumftocht door Italië en wordt (November 799) buiten Rome, bij den Pons Milvius, door een groote menigte geestelijken, senatoren, edelen, afgevaardigden van het leger, het volk en de gilden (scholae) ontvangen. Hij houdt de Mis in de St. Pieter en geeft zijn zegen aan de menigte; een paar dagen later worden zijn beschuldigers in een plechtige rechtszitting, gehouden in de Feestzaal (Triclinium) van het Lateraan, die hijzelf had laten bouwen, veroordeeld wegens laster en naar Frankrijk gezonden om door Karel gevonnist te worden.
Maar Karel was van plan zelf te Rome de zaak te beslissen en in den herfst van 800 trok hij daarheen, nadat hij zijn vijanden eindelijk overwonnen had. Te Mentana, ongeveer 20 K.M. van de stad, kwam Leo met een groote menigte hem te gemoet, en op den eersten December hield hij een plechtig conclave in de basiliek van de St. Pieter, gekleed als Patricius in toga en chlamys en omgeven door zijn paladijnen, edelen, en alle prelaten en aristocraten van Rome. Van deze rechtszitting is geen gelijktijdig verslag overgebleven, maar wij weten, dat op den 23en December, nadat alle bewijzen waren gehoord, Paus Leo den kansel besteeg en met de hand op de Evangeliën zijn onschuld betuigde—een tooneel, dat op een van Raffael’s beroemde fresco’s is voorgesteld. De aanklagers werden ter dood veroordeeld; maar door tusschenkomst van Leo werd het vonnis veranderd in levenslange verbanning naar Frankrijk. Op denzelfden dag kwamen er, zegt Villari, twee gezanten van den Patriarch van Jeruzalem, die aan Karel de sleutels van die stad en van de kerk van het Heilige Graf overhandigde.
Op Kerstdag werd een plechtige Mis gehouden door den Paus in de St. Pieter; na den dienst gingen de Paus en Karel naar de tombe van den Heilige om te bidden en ten aanschouwe van alle aanwezigen, knielden zij voor het hoogaltaar, waar de confessio (de toegang, voorzien van een hek) naar beneden voerde, naar het graf van den apostel. Toen Karel na het gebed oprees, plaatste Paus Leo een gouden kroon of diadeem op zijn hoofd; tegelijkertijd liet de menigte, die in de groote basilica dicht opeengedrongen stond, luide de volgende woorden hooren: “Carolo, piissimo Augusto, a Deo coronato, magno, pacifico Imperatori, vita et victoria!” Toen zalfde Paus Leo Karel en zijn zoon Pepijn, bekleedde den nieuw-gekroonden Keizer met den purperen mantel en gaf hem, door te knielen, of volgens anderen, door hem te kussen, zijn gehoorzaamheid of vereering te kennen.
Men kan vragen, wat den Paus bewoog, een Keizer, die hijzelf, zooals men zou kunnen beweren, gekozen had, te aanbidden. Zonder twijfel kende hij aan het idool, dat zijn eigen handen hadden gemaakt, een zekere goddelijke heiligheid toe en aanbad hij in Karel den door God Uitverkorene; maar, welke ook zijn theoriën mogen geweest, het is volkomen begrijpelijk, dat hij, die Karel groote dankbaarheid schuldig was voor zijn redding uit een zeer gevaarlijken toestand, gaarne in hem zijn wereldlijken heer erkende, ofschoon hij blijkbaar den Paus beschouwde als den eenigen uitvoerder van den Goddelijken Wil en met hooger gezag bekleed dan de Keizer.
Maar was de Paus bij deze gelegenheid de bemiddelaar van de keuze des Hemels? Was Karel door den Paus uitverkoren, terwijl deze voor den Hemel handelde of voor zichzelf? En was zijn kroning als Keizer gelegitimeerd door deze willekeurige en eenigszins theatrale handeling van Paus Leo of was het geen uiting van recht, maar van macht en door Karel zelf tevoren beraamd? Of was dit het gevolg van de wel-overdachte keuze of bekrachtiging van den Romeinschen Senaat en het Romeinsche volk?
Gregorovius vertelt ons dat “een plechtig decreet van de hooge vergadering van alle Romeinsche prelaten, geestelijken, edelen en het volk aan de kroning voorafging.” Het schijnt werkelijk, alsof de toejuichingen bij de kroning van buiten geleerd en gerepeteerd waren. Zeker is het duidelijk dat, wat ook Karel en Paus Leo mogen gedacht hebben, het Romeinsche volk, of misschien moeten wij zeggen het Italiaansche volk, zich voorstelde dat zij den Frankischen vorst tot hun Imperator en Augustus hadden gekozen—een werkelijk Romeinschen Keizer, die te Rome was gekroond.