Note 15 — 568–800.
Reading edition
Reeds hebben wij gezien, dat de eene Keizer na den andere zich opwierp als een soort van tegen-paus, die Concilies bijeenriep, die niet alleen verzoenende Henotica en Ectheses afkondigde, maar ook uitdagende definities van de Drieëenheid en de Natuur van Christus; wij hebben gezien, hoe zij de hoogepriesters van Rome afzetten, gevangen namen, smadelijk en wreed behandelden. Doch nu werd de vijandigheid zoo hevig, dat zij moest eindigen in een volslagen breuk tusschen het Oosten en het Westen. De pausen, met geestdrift ondersteund door de Italianen, begonnen zich steeds minder te bekommeren om de eischen van de Keizers en dit verergerde de verhouding tusschen het Byzantijnsche hof en zijn Italiaansche provincies. In 691 deed Keizer Justinianus II een Concilie in zijn paleis bijeenkomen. Paus Sergius weigerde de besluiten van dit Concilie te onderteekenen. De Keizer zond toen Zacharias, zijn Protospatharius (hoofdman van zijn lijfwacht) naar Rome om den Paus gevangen te nemen; maar de troepen te Ravenna sloegen aan het muiten en marcheerden naar Rome; de Romeinen stonden op om hun Paus te verdedigen en de Protospatharius moest zijn leven redden door zich in de slaapkamer van den Paus, onder diens bed, te verbergen, totdat de woede van het volk in zoo verre was bedaard, dat hij de stad kon verlaten. Justinianus wreekte zich later over deze beleediging door een woesten aanval op Ravenna. De stad werd geplunderd, de aartsbisschop blind gemaakt15 en naar de Krim verbannen.