Note 5 — 568–800.
Reading edition
In het noorden waren de Longobarden reeds meermalen aangevallen en verslagen door de Franken, die de grenslanden bij de Alpen (Savoye, Zwitserland, Provence enz.) bezet hielden, vanwaar zij gemakkelijk op Milaan en in de Po-vlakte konden neerstrijken, zooals zij ten tijde van de Goten hadden gedaan. Deze Franken waren de eenige hoop voor Italië, want de Byzantijnsche macht was snel5 aan het afnemen en een beroep van de Romeinen op den Keizer in het Oosten (Tiberius) had slechts den raad ten gevolge gehad te trachten de Longobarden om te koopen of de Franken over te halen om hen aan te vallen. Zonder twijfel was dit plan vroeger besproken, voordat Tiberius dezen wanhopigen raad gaf en het verrast ons niet, dat ongeveer een jaar later (581) Paus Pelagius II aan den bisschop van Auxerre schrijft, de Franken er toch op te wijzen, dat zij als orthodoxen Katholieken verplicht waren, Rome en geheel Italië te bevrijden van dat goddelooze Longobardische volk. Nog meer werkten waarschijnlijk vijftig duizend goudstukken uit, die naar de Franken gestuurd werden door Keizer Mauricius, die bij den dood van Tiberius door het gepeupel gekozen was, maar de keizerlijke macht toch wel waardig bleek te zijn. De Franken schijnen op deze uitnoodigingen gereageerd te hebben, maar zij werden zoo in beslag genomen door burgertwisten, dat zij na een of twee woedende aanvallen zich lieten omkoopen, ditmaal door de Longobarden. Zoo werd de Frankische verovering van Italië, die reeds mogelijk en dreigend scheen, voorloopig uitgesteld.