St. Benedictus.
Reading edition
Wij hebben gezien, hoe Cassiodorus, nadat hij ongeveer dertig jaren verscheidene vorsten als raadsman en vertrouwde gediend had, zich aan de wereld onttrok en het laatste gedeelte van zijn leven in een klooster op de afgelegen, zuidelijke kust van Calabrië doorbracht. Dit is een van de vele gevallen, waardoor de sterke aantrekking bewezen wordt, die in deze vroegere tijden van de Kerk door het kloosterleven werd uitgeoefend.
Men zal zich herinneren, dat de wilde buitensporigheden van de Egyptische en Oostersche kluizenaars, in Italië een beweging veroorzaakten, die, getemperd door den niet zoo prikkelbaren aard van de Westersche en Noordsche rassen, een uitgebreiden groei van het kloosterleven tengevolge had. Begunstigd door de Kerk, die gewonnen was door de argumenten van Anastasius en had ingezien, dat het verstandig was van de nieuwe religieuze geestdrift partij te trekken, verspreidde het monasticisme zich met groote snelheid tot de uiterste grenzen van het Westersche Rijk, en zelfs buiten die grenzen, in Ierland en Wales, waar eenige bekende kloosters de centra van het zendingswerk en intellectueel leven vormden, totdat de Engelsche Kerk bijna geheel uitgeroeid werd door de heidensche Angelen. In Italië waren er in alle standen velen, die verlangden naar de heerlijke eenzaamheid en rustige contemplatie, die vermoeid waren door de eindelooze verschrikkingen en gevaren van den oorlog en de eindelooze godsdiensttwisten, die geen voldoening vonden voor hun hooger gevoel van geloof, hoop en naastenliefde in de vormelijke onderwerping aan een Kerk, die niets anders scheen te eischen dan een bijgeloovigen eerbied voor zekere diepzinnige, dikwijls onbegrijpelijke uitspraken en voor de wonderdadige krachten van oude beenderen en dergelijke fetischen. Alle vormen van het monnikwezen berusten op verkeerd geleide instincten, wier vrije uitoefening in het gewone leven door het Christendom rijkelijk wordt bevorderd. De meest onnatuurlijke van deze vormen was zeker het tragische en tevens belachelijke verschijnsel van het oostersche kluizenaarsleven. Het westersche kloosterwezen had meer zin en wanneer wij in aanmerking nemen de staatkundige, kerkelijke en maatschappelijke toestanden van dien tijd en de bijna algeheele afwezigheid van eenigen uitweg voor religieuze, intellectueele en philanthropische geestdrift, kunnen wij het zich onttrekken aan zulk een onbevredigende wereld niet afkeuren, vooral, wanneer de idealen van eenzaamheid en eigen redding gepaard gaan met die van godsdienstige broederschap en hard werken (hetzij handenarbeid of geestelijk werk), en nog minder, wanneer later zelfverloochenende hulpvaardigheid in de ellende van anderen, St. Franciscus en zijn eerste volgelingen inspireert.
Het leven van St. Benedictus is uitvoerig en met vele fantastische toevoegsels verteld door Gregorius den Groote, die volgens sommigen juist op den dag geboren is, waarop de heilige stierf (21 Maart, 543). Benedictus was in 480 te Norcia, een kleine stad in de Umbrische bergen ten Westen van Spoleto, geboren. Toen hij ongeveer vijftien jaar was ging hij om te studeeren naar Rome, dat toen onder Odovacar stond; maar het leven, dat zijn mede-studenten leidden, werd hem zoo ondragelijk, dat hij zich terugtrok in de eenzaamheid van de Apennijnen, dicht bij de bronnen van den Arno. Zijn voedster volgde hem daarheen; haar overdreven zorg voor het veraangenamen van zijn leven, de lastige bewondering van het landvolk voor zijn heilig wezen en zijn vroeg ontwikkelde gave van wonderdadigheid dwongen hem te vluchten. Hij zocht een schuilplaats in een hol of kloof in de rotsen bij Subiaco aan den Boven-Anio—ongeveer 23 K.M. ten zuiden van Vicovaro, het Varia van Horatius, dat niet ver van zijn Sabijnsch landgoed in de Digentia vallei ligt.
Van Monte Cassino heeft men het gezicht over de heerlijke vallei van den Liris bekend uit Horatius—
Non rura, quae Liris quieta
Mordet aqua, taciturnus amnis.
In het westen ligt Aquinum, de geboorteplaats van Juvenalis en den doctor Angelicus; naar het noorden krijgt men een kijkje over de zee en het land van Minturnae, Caieta en Sinuessa, namen, die de herinnering wekken aan Horatius en Vergilius, en aan de dagen, toen Rome over de wereld heerschte. En dan denkt men aan het lange Donkere Tijdperk, dat op den val van Rome volgde en men tracht zich voor te stellen hoe van deze zelfde muren, door Benedictus gebouwd, menschen neerzagen op de verwoestende benden van ontelbare indringers—Goten, Byzantijnen, Longobarden, Saracenen, Noormannen, Duitschers, Franschen en Spanjaarden—op elkaar volgend in een bijna onafgebroken reeks, gedurende ongeveer duizend jaar.

22. S. Clemente, Rome.
Tegen het einde van zijn leven voegde zich bij St. Benedictus zijn zuster, St. Scholastica, die zich op eenigen afstand van het klooster, in een kluis vestigde. Op de Benedictijner schilderstukken vindt men haar afgebeeld, biddend, dat haar broeder, die haar bezocht en wilde teruggaan, zou worden tegengehouden—een gebed, dat vervuld werd door de plotselinge uitbarsting van een hevigen storm. Andere schilderijen stellen Benedictus voor, terwijl hij naar een vogel kijkt, die hemelwaarts vliegt; de vogel stelt de ziel van zijn zuster voor, die twee dagen na het zoo even vermelde bezoek stierf.