800–1190.
Reading edition
De staatkundige geschiedenis van Italië in de 4 eeuwen, die nu volgen, kan in drie perioden verdeeld worden. Eerst komen (800–962) de Karolingers en de zgn. Italiaansche koningen, van welke er sommige tot Keizer werden gekroond; daarna ontstaat het zgn. Heilige Roomsche Rijk, gebouwd op de grondvesten van het oude Keizerrijk door de Saksische en Frankische vorsten; de derde periode omvat de regeering van de twee eerste Keizers der Hohenstaufen en eindigt met de opkomst der Italiaansche republieken en vereeniging van het Duitsche rijk met dat der Noormannen. De eerste periode is, na den dood van Karel den Groote in 814, weinig belangwekkend. De kronieken van deze vrome, domme en zwakke Karolingische Keizers en de nauwelijks minder onbelangrijke of verachtelijke “Italiaansche” vorsten vertoonen een verbijsterend en vermoeiend warnet van staatkundige verwikkelingen, van gevechten van zonen tegen vaders, broeders tegen broeders, van ellendige oorlogen en opstanden en bloedvergieten, van boosaardigheid, bijgeloof, verraad en misdaad. Indien wij meer wisten van de werkelijke geschiedenis van Italië in dezen tijd, de geschiedenis van het volk, zijn gedachteleven, zijn voelen en werken, zijn taal, literatuur en kunst; indien wij duidelijk den groei der Italiaansche republieken, haar handel en hartstochtelijke liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid konden nagaan; indien wij van meer nabij konden waarnemen, hoe de adel van den arbeid zich langzamerhand verhief tegenover de aanmatiging van den militairen en geestelijken stand, hoe het feudalisme uit zijn sterkten werd gedreven; indien wij meer konden vernemen van de groote en edele mannen en vrouwen, wier persoonlijkheid is begraven in de beschimmelde kronieken van Pausen en Keizers, dan zouden degenen van ons die niet alleen oudheidkundigen of politieke historici zijn, deze periode belangrijk genoeg vinden. Maar de kronieken geven slechts een opsomming van al het lage en verachtelijke in de menschelijke natuur, zooals dat te voorschijn treedt bij de vreemde overheerschers en pretendenten naar koninklijke en keizerlijke titels, of bij de listige, losbandige en eerzuchtige hoogepriesters van de Roomsche Kerk. Deze eerste droevige periode zullen wij dus vrij kort behandelen; wij zullen meer in bijzonderheden afdalen, wanneer wij komen aan den belangrijken tijd van de Noormannen, Otto den Groote en Frederik Barbarossa.
(1) De Karolingers (800–888).
Het verhaal der historische gebeurtenissen werd in het derde deel afgebroken met de kroning van Karel te Rome op den Kerstdag van het jaar 800. Als Keizer regeerde hij dertien jaren en een maand, daar hij den 28en Januari 814 stierf. Eenige karaktertrekken van hem zijn reeds vermeld; in een later hoofdstuk zal er nog meer gezegd worden over zijn persoonlijkheid, zijn invloed, zijn wijze van regeeren; dus zullen wij ons thans tot de volgende feiten bepalen.
Lodewijk de Vrome toonde zijn karakter door den nieuwen Paus, Stephanus IV te smeeken naar Reims te komen om hem nog eens te kronen. Deze Paus nu had, evenals zoovele andere Pausen, voor zijn eigen wijding zich niet bekommerd om de keizerlijke bekrachtiging, waarop Karel de Groote zoo sterk had aangedrongen; doch niettegenstaande dit feit beschouwde de nieuwe Keizer zichzelf niet alleen zonder de pauselijke zalving als ongekroond, maar wierp zich bij de komst van den Paus te Reims driemaal voor hem op zijn knieën, een gebeurtenis, die wel verdient vermeld te worden met het oog op den toekomstigen strijd over de Investituur. Ja zelfs, toen bij den dood van Stephanus Paus Paschalis haastig gewijd werd, voordat de keizerlijke sanctie was gekomen, toonde Lodewijk zich wederom niet beleedigd, maar was zelfs zoo vriendelijk een Donatie te schenken, zooals Pepijn er een had toegekend, waarbij hij (als het document echt is) alle vroegere territoriale giften bekrachtigde en aan de kerk souverein gezag gaf over uitgestrekte gebieden als ook volledige vrijstelling van keizerlijke inmenging bij pauselijke verkiezingen. Merkwaardig is het, dat deze concessies weldra gevolgd werden door een daad, die eenigzins beleedigend schijnt tegenover den Heiligen Vader: in navolging van zijn vader plaatste Lodewijk met eigen handen de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Lotharius in de kathedraal te Aken en wees aan zijn twee jongere zonen, Pepijn en Lodewijk (den Duitscher) Aquitanië en Beieren toe, zonder zich blijkbaar in het minst te bekommeren om de pauselijke zalving.
Aldus had Lotharius’ goed bedoelde poging slechts ten gevolge, dat het Italiaansche volk verdeeld werd in twee partijen, die later de Ghibellijnen en Welfen zouden heeten. Zoo bitter was reeds de vijandschap, dat het, toen Paus Paschalis stierf, onmogelijk bleek hem in de St. Pieter te begraven, en de onlusten bij de verkiezing van zijn opvolger waren zoo hevig, dat Lotharius nog eens door zijn vader gezonden werd om den vrede te herstellen. Bij deze gelegenheid, (824) vaardigde hij een Constitutio uit, die bepaalde, dat er te Rome een keizerlijke gezant (missus) gevestigd moest zijn en de keizerlijke sanctie vóór de wijding van een Paus als noodzakelijk voorschreef.

36. Kathedraal van Palermo.
Ermengard, de vrouw van Lodewijk den Vrome, was in 818 gestorven en men had Lodewijk met moeite kunnen weerhouden zich in een klooster terug te trekken; maar weldra trad hij weder in het huwelijk en geraakte geheel en al onder den invloed van zijn tweede gemalin, de Beiersche prinses Judith; en toen het langzamerhand bleek, dat haar jonge zoon, de latere Karel de Kale, de vooruitzichten van zijn oudere broeders zou vernietigen en zich niet om hun geboorterechten zou bekommeren, brak er een afschuwelijke familietwist uit. De drie oudste zonen, Lotharius, Pepijn en Lodewijk de Duitscher verbonden zich en zetten hun stiefmoeder gevangen; en bijna dwongen zij hun vader in een klooster te gaan. Maar het volk kwam tusschenbeide; de koningin werd bevrijd en de zwakke oude koning werd weder op den troon geplaatst. Hij stierf evenwel kort daarna (840) en dadelijk namen de drie broeders (Pepijn was gestorven) de wapenen tegen elkander op, totdat zij te Verdun een overeenkomst sloten, waarbij Karel de Kale Frankrijk, Lodewijk Duitschland en Lotharius Italië kreeg met een strook lands, die Frankrijk van Duitschland scheidde en zich uitstrekte van den mond van den Rijn tot dien van de Rhône. Deze merkwaardige strook, met haar twee hoofdsteden, Aken en Arles, noemde hij Lotharingen en een deel daarvan draagt nog dien naam.
Zooals het ook het geval was geweest met de Longobarden, sloot de onvolkomenheid van de Frankische verovering alle mogelijkheid uit, om Italië tot één geheel te maken. De verdeeldheid van het land stelde het bloot aan vreemde indringers, onder wie het zeer lang geleden heeft; en juist in dezen tijd hebben wederom indringers een belangrijke rol gespeeld, indringers, die zeer verschilden van de Ariaansche Goten en Vandalen, van de Katholieke Franken, of zelfs van de heidensche Hunnen. De Mohammedanen of Saracenen van Arabië en Noord-Afrika hadden hun veroveringen met verbijsterende snelheid over de geheele zuidelijke en oostelijke kust van de Middellandsche zee uitgebreid, hadden het grootste gedeelte van Spanje bemachtigd en zouden zich van geheel West-Europa meester gemaakt hebben, indien Karel Martel hen niet in 732 bij Tours een verpletterende nederlaag had toegebracht. In de volgende eeuw maakten zij voortdurend de kusten van Sicilië, Sardinië en Zuid-Italië onveilig, bedreven de meest brutale daden van zeerooverij, soms zelfs in bondgenootschap met Christelijke steden, die hen te hulp riepen tegen hun Christelijke tegenstanders. In 827 vluchtte een Byzantijnsche veldheer, Euphemius, die op Sicilië zonder resultaat een opstand had verwekt, naar Afrika en overreedde de Saracenen een vloot van honderd schepen met ongeveer 10.000 man uit te zenden om Sicilië te veroveren. In den beginne werden zij door nederlagen en pest gedecimeerd; doch er werden talrijke versterkingen gezonden en na een langdurig en verschrikkelijk beleg namen zij Palermo in, welks bevolking, naar men zeide, gedurende de belegering van 70.000 op 3000 was gedaald. Van Sicilië uit begonnen de Saracenen het kustgebied van Zuid-Italië te bestoken en hun stoutmoedigheid werd aangewakkerd door het verraad van verscheidene Italiaansche steden, van welke Napels in het bijzonder zich schandelijk heeft gedragen door de Mohammedanen behulpzaam te zijn bij de inneming van Messina.
Terwijl deze nieuwe muren verrezen (in 849), werd er op de hoogte van Ostia een zeer belangrijke zeeslag geleverd, een slag die misschien van evenveel gewicht was als die van Salamis, van Châlons (op de Catalaunische velden) of van Tours. De Napolitanen, die alle reden hadden om berouw te hebben over hun verbond met de Muzelmannen, vielen stoutmoedig een sterke vloot der Saracenen aan, die Ostia bedreigde en geholpen door een storm, die vele schepen van den vijand deed stranden, maakten zij een ontzaglijk aantal gevangenen, van welke velen gedwongen werden te werken aan de muren van de Città Leonina. Een prachtig, hoewel bloeddorstig fresco, door Raffael ontworpen en uitgevoerd door Giov. da Udine stelt Leo IV voor, terwijl hij te Ostia met opgeheven hand de slachting van Saraceensche gevangenen zegent. Dit is echter historisch onjuist, want Leo heeft, naar men zegt, den dag voor den slag een bidstond gehouden in de S. Aurea, de basiliek te Ostia en is dadelijk daarna naar Rome vertrokken.
[Voordat wij van dit onderwerp afscheid nemen, zal het noodig zijn een weinig vooruit te loopen en op te merken dat de Saracenen nog vele jaren Sicilië behielden en Zuid-Italië teisterden. Zij maakten Bari tot hun voornaamste steunpunt en plunderden geheel Apulië, Calabrië en zelfs Campanië tot de poorten van Salerno. In 888 verwoestten zij de Benedictijner abdij van Monte Cassino, zooals te voren is vermeld. Zoo nu en dan werden zij streng gestraft. Lodewijk II veroverde Bari en maakte den “Sultan” der Saracenen gevangen. De zgn. Keizer Guido (c. 890) hakte hem in de pan en maakte een sterke legerplaats, die zij op den berg Garigliano (bij de Liris) hadden aangelegd, met den grond gelijk; toen deze legerplaats was herbouwd, werd die wederom geheel en al vernield door de verbonden staten van Zuid-Italië tijdens de regeering van Berengarius (915). Maar zij bleven toch een voortdurend gevaar en veroorzaakten zelfs den Saksischen keizers veel last. Otto III werd inderdaad volkomen door hen verslagen en kwam bijna in dien slag om. De Saracenen van Spanje teisterden bovendien jaren lang de noordelijke kusten. Zij bemachtigden Provence en Sardinië en verwoestten de marina van Ligurië, Toskane en Latium en eens zelfs brandden zij een gedeelte van de stad Pisa plat. Eindelijk werden deze Spaansche Saracenen door de vloten van de Pisanen, van Sicilië en Zuid-Italië overwonnen en opgenomen door de Noormannen, zooals wij later zullen zien.
In 855 stierven zoowel Lotharius als Paus Leo, de eerste in een klooster, waarin hij zich had teruggetrokken, nadat hij afstand had gedaan van den troon ten behoeve van zijn zoon Lodewijk, die ongeveer vijf jaren te voren als medekeizer was gekroond. Leo werd opgevolgd door Benedictus III, die door de pauselijke partij werd gesteund en gekozen werd in strijd met de wenschen uitgesproken door de officieele gezanten namens den nieuwen Keizer, hetgeen een zeer duidelijke aanwijzing van den stand van zaken te Rome was.
Ofschoon de kroniekschrijvers zonder twijfel veel, wat van groot belang voor de toekomst van Italië was, onopgemerkt hebben gelaten, geven de annalen van de twintig jaar van Lodewijk’s regeering (855–75) nauwelijks iets belangrijks behalve de veldtochten van den Keizer tegen de Saracenen, waarover reeds gesproken is, en eenige gebeurtenissen, die samenhangen met het krachtig optreden van Paus Nicolaas I. Deze was gekozen door den invloed van den Keizer, doch het duurde niet lang of hij geraakte in hevigen strijd met Lodewijk II en het volkomen ontbreken van elk gevoel van eerlijkheid, dat in het pauselijk gemoed bijna altijd scheen gepaard te gaan met andere, niet zelden bewonderenswaardig dappere eigenschappen, bracht er hem toe, de bekende “Isidorische decretalen”, een verzameling van onechte in Frankrijk verzamelde decreten van gefingeerde Concilies, waardoor den Paus de suprematie over alle bisschoppen gegeven werd en het kerkelijk gezag (zooals in de beroemde Donaties van Constantijn en Pepijn) volkomen onafhankelijk werd gemaakt van de burgerlijke macht, als aanvalswapen te gebruiken. Hierna keerde Paus Nicolaas zich tegen den aartsbisschop van Ravenna, die, zooals vele van zijn voorgangers, een eenigzins uitdagende houding tegen Rome had aangenomen, en na een korten strijd overwon hij hem volkomen. Toen viel hij den Patriarch van Constantinopel aan en de twist tusschen het Oosten en Westen werd een breuk naar aanleiding van de heftig bestreden Filioque-vraag, de vraag of de Heilige geest niet alleen van den Vader maar ook van den Zoon uitgaat. Daarna toonde hij zijn moed in een zaak van minder diepzinnigen aard. De broeder van Lodewijk II, Lotharius, koning van Lotharingen, was hevig verliefd geworden op een zekere Waldrada, die hem op daemonische wijze fascineerde en die hij werkelijk had laten kronen in de plaats van zijn koningin, Luitberga. Het was een geval gelijkend op dat van Anna Boleyn en in beide gevallen had de Paus ongetwijfeld gelijk. Een Kerkelijk Concilie te Metz had de echtscheiding bekrachtigd en het nieuwe huwelijk ingezegend; de Aartsbisschoppen van Trier en van Keulen kwamen naar Rome om hun meening kracht bij te zetten; maar Paus Nicolaas weigerde drie weken lang hun audientie te verleenen; daarna zette hij hen af en sprak over beiden den banvloek uit.
Daarop marcheerde Lodewijk, die op een veldtocht tegen de Saracenen te Benevento was, hevig verontwaardigd naar Rome en bezette de Civitas Leonina. Paus Nicolaas nam een houding van lijdelijk verzet aan; hij ging de St. Pieter binnen en bleef twee dagen lang, zonder voedsel, geknield voor het hoogaltaar liggen; ten slotte zegevierde hij, want Lodewijk werd ziek en keerde naar het noorden terug zonder iets bereikt te hebben; en Lotharius stierf een paar jaren later, nadat hij vergeefsche en vernederende pogingen had aangewend om van den opvolger van Paus Nicolaas de erkenning van Waldrada te verkrijgen.
Na den dood van Karel den Kale in 877 volgde er een sombere periode van vier jaren van onbeduidende oorlogen, gedurende welke er geen Keizer was. De pretendenten waren Lodewijk de Stamelaar (le Bègue) en zijn drie neven, de zonen van Lodewijk den Duitscher. Een van deze, Karloman, werd Koning van Italië en na zijn dood in 879 volgde zijn broeder Karel de Dikke hem op en werd ten slotte in 881 tot Keizer gekroond. Daar al zijn mededingers waren gestorven, werd Karel de Dikke kort daarna ook koning van Duitschland en van Frankrijk (d.w.z. van de Oost- en West-Frankische koninkrijken) en regeerde dus over bijna het geheele vroegere Rijk van Karel den Groote. Maar zijn domme onmacht bleek even merkwaardig als zijn lichamelijke grofheid; en een vergadering van edelen te Tribur, bij Mainz, onttroonde hem en het volgend jaar stierf hij. Aldus eindigde na 88 jaar de erfelijke dynastie der Karolingers, die zich Koningen van Italië en Keizers der Romeinen noemden, ofschoon, zooals wij zullen zien, sommige van de koningen en z.g.n. keizers van de volgende sombere en woelige periode op onwettige wijze (zooals Arnulf) of door de vrouwelijke linie (zooals Berengar en Lodewijk) van Karel den Groote afstamden.
(2) Zoogenaamde Italiaansche Koningen en Keizers (888–962).
Het verval van de keizerlijke en koninklijke waardigheid moet men aan vele oorzaken toeschrijven. Een daarvan was de ontaarding van de Karolingische vorsten; een andere de noodlottige familie-veeten die zich vermenigvuldigden als hydra-koppen; nog een andere oorzaak was het feit, dat de Pausen en de bisschoppen zich wereldlijke macht aanmatigden; vervolgens ook de uitputtende en dikwijls vergeefsche worstelingen met buitenlandsche vijanden, zooals de Saracenen, waarbij weldra nog de Hongaren en Noormannen kwamen; en ten slotte was een zeer voorname oorzaak de snel toenemende onafhankelijkheid van vele steden, zooals Venetië en Napels (om niet te spreken van Rome), en ook van de machtige leenmannen van de kroon, die in vele gevallen erfelijke hertogdommen of markiezaten hadden gesticht en geneigd waren steeds hooger te streven en met elkander te strijden om de kroon van Italië of zelfs te grijpen naar het bedriegelijke schijnbeeld van den keizerlijken diadeem.
Het ineenstorten van het Karolingische Rijk had de opkomst van twee groote volken ten gevolge, het Duitsche en het Fransche; en een tijdlang scheen het alsof Italië eindelijk zich tot één natie onder eigen koningen zou vereenigen. Daarom zijn Italiaansche schrijvers geneigd om met een zeker genoegen over deze z.g.n. “Italiaansche” hertogen en markiezen, en den regno d’Italia indipendente uit de weiden, terwijl door de Duitsche historici deze periode, in welke Italië grootendeels vrij was van Duitsche overheersching, dikwijls beschouwd wordt als een triviale periode van ontaarding, die geen beschrijving verdient.
Daar er in een volgend hoofdstuk iets zal gezegd worden over wetenschap, godsdienst en kunst in Italië gedurende de negende en tiende eeuw en de twisten van de pretendenten naar de kroon van Italië onbelangrijk zijn, zullen wij nu slechts een kort verslag geven van de voornaamste gebeurtenissen van deze periode.

37. S. Marco, Venetië.
In de volgende 37 jaren (888–925) moest Berengar achtereenvolgens tegen vijf mededingers strijden; van deze gelukte het vier de pauselijke kroning deelachtig te worden, voordat Berengar zelf in 915 dit bereikte. De eerste van deze mededingers was de Hertog van Spoleto. Hoe stoutmoedig en onafhankelijk deze Longobardische hertogen van Zuid-Italië geworden waren, hebben wij reeds gezien. Toen Lodewijk II nog keizer en Hadrianus II Paus (867) was, had de hertog van Spoleto, Lambert, plotseling een inval gedaan en Rome geplunderd. Deze daad herhaalde hij in 878, toen hij Paus Johannes VIII een maand lang gevangen hield, en hem tevergeefs trachtte te dwingen Karloman den keizerstitel toe te kennen; hij gebruikte dergelijke dreigementen, dat de Paus, dien wij reeds om zijn krijgshaftig optreden en zijn schitterende overwinning op de Saracenen hebben bewonderd, op een schip naar Graaf Boso van Provence vluchtte.
Guido was niet tevreden met den keizerstitel; hij wenschte een keizerlijke dynastie te stichten door ook zijn zoon, Lambert, tot keizer te maken, en de beruchte Formosus, die Paus was geworden, begunstigde eerst die eerzuchtige plannen en kroonde Lambert te Ravenna als medekeizer; maar toen na Guido’s dood Arnulf (896) met een sterk leger in Italië drong en Rome binnentrok, weigerde de besluitelooze of sluwe Paus den Spoletaanschen pretendent zijn hulp en ofschoon hij de keizerlijke kroon op Lambert’s hoofd had gezet, herhaalde hij nu deze plechtigheid ten gunste van diens mededinger.
Arnulf evenwel had niet veel voordeel van het feit, dat hij het doel van zijn eerzucht bereikt had, want terwijl hij zich gereed maakte Lambert te Spoleto aan te vallen, werd hij door een beroerte getroffen en ofschoon hij nog drie jaren in leven bleef, beteekende zijn politieke invloed in Italië toch niets meer. De ommekeer van de stemming wegens de kroning van dezen “barbaar” over den Paus, die deze verfoeilijke unctio barbarica had verricht was zoo geweldig, dat het lijk van Formosus voor den dag werd gehaald om voor een Synode ter verantwoording te worden geroepen,—een tooneel, dat later beschreven zal worden. Lambert daarentegen, krachtig geholpen door zijn eerzuchtige moeder, Agiltrud, (de dochter van den hertog van Benevento, die Keizer Lodewijk gevangen nam), rees ten zeerste in de achting van het volk en zou er waarschijnlijk in zijn geslaagd zijn eenig overgebleven mededinger te verdrijven, ware hij niet in 898 gestorven ten gevolge van een val van zijn paard, terwijl hij op jacht was—of volgens anderen, vermoord. Aldus werd Berengar van zijn mededingers bevrijd.
In 899 vielen deze Magyaren in Italië en brachten Berengarius bij de rivier de Brenta zulk een nederlaag toe, dat zijn tegenstanders wederom moed vatten en een vreemden vorst, Lodewijk, den zoon van Boso, den “Koning” van Provence, voor de keizerskroon opriepen, daarbij een gedragslijn volgend, die ontzaglijk veel ellende over Italië bracht.
De jeugdige pretendent, de zoon van Boso en Ermengard, de dochter van den Karolinger Lodewijk II, gaf gehoor aan de uitnoodiging; hij kwam te Rome en werd inderdaad door Paus Johannes IX gekroond; maar Berengarius viel hem stoutmoedig aan, dwong hem naar huis te gaan en te beloven nooit meer in Italië terug te komen. Deze belofte evenwel werd door Lodewijk gebroken; maar in 904 werd hij door Berengarius gevangen genomen, blind gemaakt en naar Provence teruggezonden.
Eindelooze veeten en burgertwisten, algeheele ondergang van patriotisme door lage, persoonlijke eerzucht, schaamtelooze verbintenissen met vreemde vorsten en barbaarsche vijanden—dat zijn de voornaamste trekken van de z.g.n. regno d’Italia indipendente, een tijd, waarin het bleek, dat de Italianen nog niet hoog genoeg stonden om onafhankelijk te zijn.
Rome van 896 tot 926.
Sergius III stierf in 911. Twee pausen volgden daarna, van wie wij bijna niets weten, maar wier verkiezing en plotseling verdwijnen waarschijnlijk moeten worden toegeschreven aan hof-intriges. Toen werd een zekere priester, Johannes, die langen tijd Theodora, ofschoon zij niet jong meer was, het hof had gemaakt en Aartsbisschop van Ravenna was geworden, door den invloed van zijn minnares op den pauselijken troon geplaatst (914). Hij was die zedelooze en onbetrouwbare Paus Johannes X, van wien wij reeds meer dan genoeg hebben gehoord. Ondertusschen had Marozia, die haar pauselijken minnaar had verloren, een fortuinzoeker getrouwd (913), een soldaat, Alberik geheeten, die na afwisselend onder Guido en Berengarius gediend te hebben er in geslaagd was zich tot Hertog van Spoleto op te werpen.
Het was kort hierna, dat Berengarius, gesteund door Theophylactus, Alberik en hun beider almachtige echtgenooten, naar Rome kwam en als Keizer werd gekroond (915) door Paus Johannes X, nadat hij de Saracenen op den berg Garigliano, zooals reeds verteld is, verslagen had.
Theophylactus, Theodora en Alberik verdwijnen nu plotseling en eenigzins geheimzinnig van het tooneel en Marozia vestigt zich in den sterken burcht van S. Angelo (Engelenburg), vanwaar zij Rome beheerscht. Paus Johannes laat Berengarius in den steek en kroont Rudolf van Bourgondië; niet lang daarna herhaalt hij dit spel met Hugo van Provence. Deze verraderlijke intriges brengen Marozia in botsing met den vroegeren minnaar van haar moeder; ten slotte neemt zij hem gevangen en sluit hem in den burcht op, waar hij weldra op haar bevel wordt geworgd, of volgens sommigen, met een kussen gesmoord.
Na den dood van haar echtgenoot, Alberik van Spoleto, was Marozia in het huwelijk getreden met Guido van Toskane, den broeder van Ermengard en den stiefbroeder van Hugo van Provence. Toen nu Hugo in 926 tot Koning van Italië werd gekozen en gekroond, gevoelde Marozia zich natuurlijk diep gegriefd, want zij had ongetwijfeld Guido getrouwd met de bedoeling zichzelf Koningin van Italië te maken. Doch gelukkig stierf Guido weldra, en Hugo van Provence verloor omstreeks denzelfden tijd zijn vrouw. Deze kans mocht Marozia niet laten voorbijgaan en weldra werden de listen van de verleidelijke meesteres van Rome met succes bekroond. Hugo kwam te Rome (932) en vierde zijn bruiloft met Marozia in den Engelenburg; de onlangs gekozen Paus Johannes XI, een zoon van de bruid en haar minnaar van vroegere jaren, Paus Sergius III, verrichtte de plechtige handeling en zegende het koninklijk echtpaar in.

38. Baptisterium, Florence.
Voordat Alberik stierf (954), had Koning Hugo driemaal (933, 936 en 941) Rome aangevallen om zich te wreken en zijn oproerigen stiefzoon te verdrijven; maar Alberik had hem krachtig afgeslagen en, ofschoon er een tijdelijke wapenstilstand was gesloten en hij in dien tijd Hugo’s dochter trouwde, verhinderde hij toch al zijn pogingen om de stad binnen te komen en de keizerskroon uit de handen van den Paus te ontvangen.
Ongeveer 940 was er nog een pretendent voor de kroon van Italië verschenen in den persoon van een anderen Berengarius, Markies van Ivrea, een stiefzoon van Ermengard, die wij vroeger genoemd hebben. Hugo veinsde vriendelijk naar zijn aanspraken te luisteren en noodigde hem uit naar zijn hof te komen, met de bedoeling hem te dooden of blind te maken. Maar Hugo’s zoon, Lotharius, bracht, uit vriendschap of medelijden, Berengarius van dien toeleg op de hoogte; deze vluchtte daarop naar Duitschland, keerde in 946 geholpen door Otto, den Saksischen Koning, terug en verdreef Hugo, die zich terugtrok naar zijn eigen rijk, Provence, en kort daarna te Arles stierf. Nu was Berengarius in naam regent van den jongen koning Lotharius, maar het duurde niet lang of Lotharius stierf (950), waarschijnlijk vergiftigd door den man, wiens levens hij had gered. Hugo had een Bourgondische douairière getrouwd en haar dochter, Adelheid, aan zijn zoon Lotharius uitgehuwelijkt. Na den dood van Lotharius trachtte Berengarius Adelheid te dwingen zijn zoon Adalbert te trouwen, dien hij tot deelgenoot in het koningschap van Italië had benoemd. Doch Adelheid wees die eer natuurlijk van de hand. Zij werd dadelijk naar den Lago di Garda gevoerd en daar in een toren gevangen gezet; maar zij ontsnapte en riep de hulp in van Otto van Saksen. Door haar en andere vijanden van den tyrannieken Berengarius uitgenoodigd, rukte Otto met een leger (het eerste Duitsche leger, dat in den loop van een halve eeuw de Alpen overstak) Italië binnen, en, na Pavia veroverd te hebben, trouwde hij met de schoone Adelheid en liet zich tot Koning van Italië kronen, ofschoon Berengarius dien titel nog steeds voerde. Hij stuurde ook een bericht naar Paus Agapetus, dat hij van plan was naar Rome te komen en zich als Keizer te laten kronen. Dit plan evenwel gaf hij wijselijk op, want Alberik liet hem weten, dat zonder zijn toestemming geen koning Rome zou binnentrekken en die toestemming weigerde hij te geven. Maar na Alberik’s dood in 954 werd de toestand te Rome ondragelijk. Octavianus, zijn losbandige zoon, volgde hem als Princeps en Senator op en werd na het overlijden van Agapetus (955) ook tot Paus gekozen onder den naam van Johannes XII.
Aldus werd door de met bloed bevlekte handen van dezen jeugdigen schurk ingesteld, wat later bekend was als het Heilige Roomsche Rijk. Hoe Paus Johannes de bewerker kon zijn van zulk een instelling, is een vraagstuk voor de theologen, maar in welk een geringe mate hij den wensch van de inwoners van Rome weergaf, kan men opmaken uit hetgeen een oude kroniekschrijver, Thietmar, mededeelt. De aanzienlijken, zegt hij, verborgen hun gevoel achter een somber stilzwijgen. Op de gezichten van deze Romeinen, wier vrijheid en macht hij kwam vernietigen, las Otto wrok en moordlust en voordat hij zich aan de plechtigheid van de kroning onderwierp, zeide hij tot Ansfried van Leuven: “Wanneer ik voor de tombe van den H. Petrus kniel, houd dan uw zwaard voortdurend boven mijn hoofd, want ik weet, dat mijn voorvaders dikwijls de trouweloosheid van de Romeinen ondervonden hebben”. Men moet er zich dus nauwelijks over verwonderen, dat de nieuwe Keizer, voordat er twee jaren waren verloopen, den Paus afzette, door wiens apostolische zalving hij zijn goddelijke rechten had verkregen en de Romeinen van hun recht om hun eigen Pausen te kiezen beroofde.
(3) De Saksische Keizers (962–1024).
Er bestaat nog een document, het Privilegium Ottonis, dat, afgezien van enkele latere toevoegsels, schijnt opgemaakt te zijn tusschen Otto en Paus Johannes XII. Het bekrachtigt officieel de herleving van het Imperium en de overdracht van de waardigheid van de Frankische aan de Saksische vorsten; het hernieuwt ook alle concessies, die gedaan zijn door de Donaties van Pepijn en Karel de Groote, en geeft aan de Kerk zelfs Venetië, Istrië, Napels, Benevento en ook Sicilië, dat nog in de macht van de Saracenen was!
Maar, wat men ook moge denken van vernieuwde Donaties en het herstelde Imperium, de herleving van de Germaansche heerschappij in Italië was een feit, waarvan de waarheid weldra duidelijk werd; want, toen Paus Johannes, aangespoord door den ontevreden adel, zich met Berengarius in verbinding stelde en Berengarius’ zoon, Adalbert, als zijn gast in Rome ontving, kwam Otto oogenblikkelijk van Noord-Italië terug. Bij zijn nadering namen Adalbert en Paus Johannes de vlucht. Otto trok Rome binnen, riep een Concilie bijeen (het “Concilie van November”), zette Johannes plechtig af en gaf den Romeinen zijn keizerlijke bekrachtiging bij het kiezen van een anderen Paus, Leo VIII, een precedent van groote beteekenis, wanneer men ziet, dat in de volgende honderd jaren de Pausen door de Keizers werden uitgekozen of aangewezen door hun gezanten. Maar de verbannen Paus Johannes was niet gemakkelijk te bedwingen. Hij verwekte een oproer te Rome, en een aanval op Otto, in het Vatikaan, werd met moeite en veel bloedvergieten afgeslagen. Men kan niet zeggen, hoe het verder zou gegaan zijn, want de Romeinen waren zeer verontwaardigd over Otto’s inmenging in hun rechten. Maar Paus Johannes werd door een bedrogen echtgenoot betrapt en zoo duchtig afgerost, dat hij aan de gevolgen stierf. Dadelijk koos men in zijn plaats, zonder zich om Otto’s Paus te bekommeren, een anderen Paus, Benedictus V, die echter, toen de keizerlijke partij ten slotte de overhand kreeg werd afgezet.
Ondertusschen had Otto in Noord-Italië Berengarius gevangen genomen en hem naar Duitschland gezonden, waar hij kort daarna stierf.
In dezen tijd werd Phocas vermoord door zijn gemalin, die reeds haar vader en haar eersten echtgenoot, Keizer Romanus, had vergiftigd. Haar deelgenoot in de samenzwering, de kleine Johannes Tzimeskes besteeg den Byzantijnschen troon en liet Pandulf vrij; ook bevredigde hij Otto, daar hij de begeerde prinses Theophano, de dochter van de driedubbele moordenares, naar Italië zond. Zij trad in het huwelijk met den jongen mede-keizer en ontving den titel van Keizerin. Een jaar later, Mei 973, stierf Otto de Groote, zooals hij wordt genoemd.
Zijn opvolger, Otto II, was nu zeventien jaar oud. Ofschoon hij het heerschzuchtig karakter van zijn vader niet had, toonde hij toch moed en kracht en had van zijn moeder Adelheid de fijne beschaving geërfd, die zijn vader blijkbaar miste. Zijn tienjarige regeering werd voornamelijk in beslag genomen door oorlog. Eerst werd hij aangevallen door Hendrik van Beieren, dien hij versloeg en onttroonde. Daarna viel Lotharius van Frankrijk hem aan, en nam hem te Aken bijna gevangen; vervolgens voerde hij een leger aan tegen Parijs en ofschoon hij er niet in slaagde die stad te nemen, verzekerde hij zich het ongestoorde bezit van Lotharingen. Vervolgens rukte hij Italië binnen, herstelde een verbannen Paus, en, nadat hij den toestand te Rome, waar heftige twisten tusschen de keizerlijke en pauselijke partijen chronisch waren geworden, geregeld had, opende hij (982) den veldtocht tegen de Saracenen, die nog steeds Sicilië bezet hielden en onlangs in grooten getale wederom waren overgestoken naar Zuid-Italië. Stoutmoedig geworden door zijn succes, handelde Otto overijld, werd overrompeld en niet ver van Cotrone, het oude Crotona volkomen verslagen; hij zou gevangen genomen zijn wanneer hij niet in zee was gesprongen en naar een Byzantijnsch schip was gezwommen, welks bemanning hem gelukkig niet herkende. Het bericht van deze ramp veroorzaakte geweldige woelingen en gevaarlijke opstanden in de noordelijke landen, maar Otto besloot toch eerst zijn gezag en invloed in Italië te herstellen. Hij riep te Verona een groote vergadering van de aanzienlijken van zijn beide volken bijeen en liet zijn zoon, een kind van drie jaar, tot Koning van Duitschland en Italië kiezen. Toen maakte hij zich gereed den oorlog tegen de Saracenen weder te beginnen en trok, nadat hij tevergeefs getracht had de Venetianen te overreden hem een vloot te leenen, nogmaals naar het zuiden. Te Rome werd hij door koorts aangetast en stierf. Hij werd begraven in een oude sarcophaag met een porfieren deksel, dat gestolen was van de graftombe van Hadrianus. Deze sarcophaag stond vijf eeuwen in den Paradiso, het groote atrium (portaal) van de oude basiliek, maar toen Paulus V de gewelven van de kathedraal omstreeks 1610 herstelde, werd het porfieren deksel er afgenomen om als doopvont dienst te doen (zooals ook nu nog geschiedt); de oude sarcophaag werd naar de keuken gebracht om als trog te worden gebruikt en het gebeente van den jongen Keizer werd in de marmeren kist gelegd, die nu in de crypte (Grotte Vecchie) van de St. Pieter staat. Een mozaïek, dat waarschijnlijk door Keizerin Theophano is opgesteld, kan men nog dicht bij de tombe van Otto zien; het is een belangwekkend voorbeeld van de ontaarde kunst van deze periode.
De kleine Otto III, in 980 geboren, was onlangs te Aken door de Duitsche edelen tot Koning van Duitschland en van Italië gekroond, toen het bericht van zijn vader’s dood te Rome kwam. Zijn moeder, Keizerin Theophano, werd regentes en zij bleek die taak waardig, daar zij blijkbaar meer de natuur van haar vader geërfd had, den Keizer van het Oosten, Romanus, dan het schandelijk karakter van haar moeder.
Van de eerste zes jaren van haar regentschap vernemen wij weinig, behalve dat er te Rome, zooals gewoonlijk, hevige twisten waren. Een paus, Benedictus VI, was gevangen gezet en door de volksleiders geworgd; de volgende, Bonifacius VII, was voor de keizerlijken naar Constantinopel gevlucht; een derde, Benedictus VII, door het volk verdreven en door Otto II in zijn ambt hersteld, was opgevolgd door Johannes XIV, Bisschop van Pavia en keizerlijk kanselier. Maar Bonifacius kwam uit het oosten terug (985), zette Johannes af, vergiftigde hem of liet hem dood hongeren, en gedroeg zich zoo wreed, dat het volk opstond, hem vermoordde, zijn lijk door de straten sleurde en onder “het paard van Constantijn”, d.w.z. het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius (zie p. 300) wierp, den grooten heidenschen keizer-philosoof, wiens overpeinzingen zouden verstoord zijn, indien hij had kunnen voorzien, welk een vreemd gebruik men van zijn standbeeld zou maken.
De leider van deze opstanden was Crescentius, wiens vader ook het hoofd van de anti-Duitsche partij was geweest. Crescentius nam den ouden titel “Patricius” aan, en was blijkbaar eenige jaren lang, evenals Alberik vroeger, de machtigste in Rome, en niet alleen koos hij als Paus Johannes XV, die elf jaren regeerde, maar verdreef hem ook, toen hij lastig werd. Het is dus ietwat vreemd, wanneer wij Theophano nog in 989 te Rome vinden en blijkbaar zoowel door Crescentius als door dezen Paus als Keizerin erkend zien; en zelfs, toen de jonge Otto, nu zestien jaar oud, na haar dood en na het korte regentschap van koningin Adelheid, naar Rome kwam (966) om tot keizer gekroond te worden, schijnt Crescentius zich niet verzet te hebben en ook geen straf te hebben ontvangen. Maar hij zou weldra zijn lot ondergaan, zooals wij zullen zien.

39. Kathedraal van Ferrara.
Toen Otto III, als jongeling van zestien jaar, voor het eerst in 996 te Rome kwam, was Paus Johannes XV juist gestorven. Hij liet dadelijk zijn achterneef, Bruno, tot Paus wijden; deze nam den naam Gregorius V aan en plaatste drie weken later den keizerlijken diadeem op het hoofd van zijn vorstelijken beschermheer. Hij, de eerste Duitsche Paus, begunstigde niet alleen de hervormingen te Cluny (p. 296), maar koesterde, evenals Otto zelf, een warme geestdrift voor het kloosterleven, dat wederom, zooals natuurlijk was in zulk een periode van staatkundige en godsdienstige woelingen, zich in het Christendom deed gelden. Eenige merkwaardige voorbeelden hadden onlangs navolging opgewekt. De H. Nilus, een ongeletterde Calabriër, die als kluizenaar in een grot bij Gaeta leefde, werd door Otto en vele anderen met oprechte vereering aanbeden. De H. Romualdus van Ravenna, die iets later de Gereformeerde (Witte) Benedictijner Orde van Camaldoli stichtte, wekte ook geestdriftige belangstelling; men geloofde, dat door zijn invloed Doge Pietro Orseolo Venetië in stilte als pelgrim vermomd had verlaten, en zich had begraven in een Fransch klooster. Nog dieper indruk maakte Adalbert, de vrome en geleerde Bisschop van Praag, die, nadat hij te Rome de wijding voor het kluizenaarsleven had ontvangen, tegen zijn zin gedwongen werd naar zijn Boheemsche diocese terug te keeren en eindelijk den martelaarsdood zocht en vond onder de woeste heidenen van Noord-Polen.
De republikeinsche beweging breidde zich, zooals overal elders, ook te Rome uit en de Graven van Tusculum zagen zich hierdoor genoodzaakt een tijdlang zich te verbinden met den Paus en de keizerlijke partij tegen Arduin en zijn aanhang. Het gevolg hiervan was, dat Hendrik werd uitgenoodigd den keizerlijken diadeem te aanvaarden; tegelijk met hem werd ook zijn koningin Kunigunde te Rome gekroond (1014). Wederom vonden er heftige anti-Duitsche betoogingen en ernstige onlusten plaats; maar zij werden met geweld onderdrukt en de aanwezigheid van den nieuwen Keizer en zijn machtig leger boezemden Koning Arduin zulk een vrees in, dat hij zich naar een Benediktijner klooster in Piemont terugtrok, waar hij weldra stierf.
Deze wending der gebeurtenissen bewoog zoowel Melo als Paus Benedictus VIII de reis naar Duitschland te ondernemen om Hendrik over te halen hen te komen helpen; en hij gaf aan hun verzoek gehoor. Met een groot leger marcheerde hij naar het zuiden en behaalde eenige voordelen; maar hij was weldra gedwongen terug te keeren naar zijn noordelijke landen, waar hij in 1024 stierf.
(4) De Frankische Keizers (1024–1125).
Zoowel Otto III als Hendrik II stierven kinderloos. De Duitschers kozen tot koning Koenraad II van Frankenland, d.w.z. het land van den Main, Würzburg en Nürnberg. De regeeringen van de vier Frankische Keizers, die juist een eeuw duren (1024–1125), behooren voornamelijk bij de geschiedenis van Duitschland en behoeven hier slechts vermeld te worden, voor zoover de geschiedenis van Italië in verband staat met de houding van het Italiaansche volk en de Pausen jegens die vreemde vorsten; deze beschouwden zichzelf en werden, niet alleen door hun noordelijke onderdanen, maar ook door een aantal hunner Italiaansche vazallen, leeken en geestelijken, beschouwd als degenen, die krachtens hun Duitsche koningskroon recht hadden op de ijzeren kroon van Lombardije en, als “aangewezen” Keizers (imperatores designati) op den diadeem van de Caesars. Deze rechten werden echter door de groote meerderheid van het Italiaansche volk allerminst erkend—een feit, dat zeer duidelijk aan het licht komt door de ernstige onlusten, die bijna regelmatig voorkwamen bij de kroningen te Pavia, Milaan en Rome en ook door de vijandige houding, waarmede een Duitsche koning, die Italië kwam bezoeken, ontvangen werd.
In dit verband moet men zich herinneren, dat het de gunst van de Frankische en Duitsche Keizers (vooral van de drie Otto’s) was, die het Pausdom tot zulk een machtige positie had verheven, dat het ten slotte in staat was door middel van zijn wereldlijke en geestelijke wapenen zijn beschermheer te trotseeren en vernederen. Dat nu de Kerk, d.w.z. eerst Aribert van Milaan en later Paus Gregorius VII (Hildebrand), de keizerlijke macht aldus weerstreefde, is ongetwijfeld een feit, dat de regeeringen van deze Frankische vorsten buitengewoon belangwekkend voor ons maakt. Derhalve zullen wij hierover nog eenigszins uitvoeriger spreken en het overige gedeelte van dit tijdperk in het kort behandelen, terwijl wij dergelijke onderwerpen als de overheersching van de Noormannen, de opkomst van de Republieken, en de ontwikkeling van de Romaansche bouwkunst voor volgende hoofdstukken zullen bewaren.

40. Baptisterium, Kathedraal en Klokketoren, Pisa.
Maar voordat er een jaar was verloopen, werd de Duitsche Paus, Clemens II, vergiftigd door handlangers van Benedictus, die met de hulp van den Toskaanschen markgraaf, Bonifacius, voor de derde maal den pauselijken troon besteeg. Hendrik zette hem weer af en benoemde den Duitschen Bisschop van Brixen; doch na drie en twintig dagen stierf ook deze Paus, Damasus II, plotseling, waarschijnlijk eveneens vergiftigd door handlangers van Benedictus. Wederom liet Hendrik een Duitscher, den Bisschop van Toul (in Lotharingen) tot Paus kiezen. Het schijnt dat Benedictus eindelijk van zijn aanspraken heeft afgezien. Zijn einde is onbekend. Een vriendelijke kroniekschrijver zegt dat hij kluizenaar is geworden en, als een heilige betreurd, is gestorven. Anderen verzekeren dat “hij voortging te leven als een beest”. Men geloofde algemeen, dat hij in het diepst van een donker woud geheime beraadslagingen hield met den Satan.
De Noormannen waren de andere vijandige macht. Hun geschiedenis wordt elders verteld. Hier zullen een paar feiten voldoende zijn.
Leo IX stierf kort na die ramp. Hendrik benoemde terstond weder een Duitscher, den Bisschop van Eichstadt (Victor II). Men moet hierbij opmerken, dat dit de vierde Paus was, die door den Keizer werd aangewezen en zonder eenige openlijke oppositie door het volk en de geestelijkheid van Rome werd gekozen. Geen wonder, dat deze Duitsche monarchen de investituur van Pausen en bisschoppen begonnen te beschouwen als een recht, dat onafscheidelijk verbonden was aan de keizerlijke, of zelfs koninklijke, waardigheid.
Hendrik begeleidde den door hem aangewezen Paus naar Italië. De verdachte plannen van den Markies Bonifacius hadden hem ongerust gemaakt en zijn ongerustheid was niet verdwenen door den dood van Bonifacius (1052), want diens weduwe Beatrice had een anderen tegenstander van hem getrouwd, namelijk Godfried van Lotharingen. Na de bruiloft was Godfried naar zijn noordelijke landen vertrokken en om den opstand in de kiem te onderdrukken nam de Keizer zoowel Beatrice als haar dochter Mathilde gevangen en voerde beiden naar Duitschland. Kort daarna, in October 1056, stierf hij.
Zijn zoon, Hendrik IV, een kind van zes jaren, werd als koning uitgeroepen onder het regentschap van zijn moeder Agnes. Om zijn lange regeering van vijftig jaar als een soort van lijst te gebruiken, waarin de schetsen van de vele en bonte tafereelen, die de geschiedenis van Italië van dit tijdperk vormen, gezet kunnen worden, zullen wij die regeering in vier perioden verdeden.
(1) Gedurende zes jaren (1056–1062) neemt de keizerin-weduwe Agnes het regentschap waar, terwijl het haar steeds moeilijker wordt gemaakt door vele oproeren. Daarna ontvoert Anno, de Aartsbisschop van Keulen, den jeugdigen koning en maakt zichzelf regent. (Agnes trekt zich in een klooster terug en sterft later te Rome.) Vervolgens neemt de Aartsbisschop van Bremen het regentschap over. In 1066 komt Hendrik zelf, die daarvoor nu den leeftijd bereikt had, aan de regeering en treedt krachtig en despotisch op, waardoor hij zich vele vijanden maakt. In 1073 breekt er een ernstige opstand onder de Saksers uit, en Hendrik wordt door bijna alle Duitsche edelen in den steek gelaten. De steden evenwel (vooral de steden aan den Rijn, zooals Worms) steunden hem en na veel bloedvergieten krijgt hij eindelijk eenigzins vasten voet en zou misschien zijn macht gevestigd hebben, als hij niet de uitdaging van de Paus had aangenomen.
(2) Van 1073 tot 1084 woedt de lange en dramatische strijd over de investituur tusschen Hendrik en Hildebrand. De voornaamste gebeurtenissen van dit tijdperk zijn de vernedering van den koning, nu een jong man van zeven en twintig jaar, over wien de banvloek is uitgesproken, te Canossa in 1077, de overwinning over zijn mededinger, Rudolf van Zwaben, zijn eindelijke triomf en kroning te Rome (1084); daarna volgde de bevrijding van den Paus en de plundering van Rome door Robert Guiscard en zijn Noormannen en Saracenen.
(3) Van 1085–1095 bestuurt Hendrik met tamelijk gunstig gevolg zijn noordelijke landen en bemoeit zich weinig met Italië, behalve dat hij in 1090 een korten veldtocht leidt tegen Mathilde van Toskane en Mantua en andere steden inneemt.
In de twee eerste perioden van de regeering van Hendrik IV vonden er eenige belangrijke gebeurtenissen in verschillende deelen van Italië plaats. Dit zal evenwel verteld worden, wanneer de opkomst van de Republieken en de veroveringen van de Noormannen onze aandacht vragen. Hier zullen wij ons beperken tot de oorzaak van den Investituurstrijd en eenige feiten uit dat tijdperk.
Zoowel Nikolaas II als zijn opvolger Alexander II (Bisschop Anselmus van Lucca) waren door de Kardinalen gekozen, zonder de bekrachtiging van Agnes of Hendrik. Zij waren voorgedragen door Hildebrand en door hem daartoe aangezet vaardigden zij decreten uit, die aan de geestelijken het huwelijk verboden en aan de Kardinalen alleen, in overeenstemming met den clerus en het volk van Rome, het recht gaven Pausen te kiezen. En toen in 1073 Hildebrand zelf als Gregorius VII den pauselijken stoel beklom, aarzelde hij niet een besluit af te kondigen, dat feitelijk een oorlogsverklaring aan Hendrik was; want op zijn Concilie van 1075 liet hij een decreet aannemen, dat de investituur door leeken als de ergste simonie veroordeelde; tevens verklaarde hij het schenken van ring en staf door Koning of Keizer van geenerlei waarde, zette de bisschoppen af, die Hendrik had aangesteld en sprak over verscheidene den banvloek uit, als ook over eenige ambtenaren van Hendrik, die, volgens hem, geld hadden aangenomen van die prelaten om hen bij hun benoeming tot bisschoppen te steunen.
Hendrik, zeer verontwaardigd, riep een concilie van zijn geestelijken te Worms bijeen en, blijkbaar zeer gedachtig aan het prerogatief, dat zijn eigen vader zich had aangematigd en had uitgeoefend, zond hij Gregorius bericht, dat hij was afgezet. “Hendrik, koning, niet door usurpatie, maar door den heiligen wil van God, aan Hildebrand, die geen Paus meer is, maar een valsche monnik.” Zoo was de brief geadresseerd en hij eindigde aldus: “Ik, Hendrik, Koning bij God’s genade, en al mijn bisschoppen zeggen tot u: “Wees in alle eeuwigheid vervloekt!”

41. S. Martino (Kathedraal), Lucca.
Al dien tijd bleef Paus Gregorius veilig verschanst in den geweldigen burcht van S. Angelo en wachtte op ontzet. Deze hulp verwachtte hij, en niet tevergeefs, van de Noormannen, die zich in deze periode onder verschillende aanvoerders, maar vooral onder Robert Guiscard, blijvend gevestigd hadden in Zuid-Italië en daar een geduchte macht waren geworden. Zij hadden, zooals men zich zal herinneren, Leo IX volkomen verslagen en gevangen genomen. Doch een paar jaren later (1060) schijnt Paus Nikolaas II de veroveringen van de Noormannen te hebben bekrachtigd en hen beloofd, dat hij hen de souvereiniteit over Calabrië en zelfs over Sicilië, zoodra zij dit op de Saracenen konden veroveren, zou toestaan en in 1080 had Robert Guiscard, door Hildebrand tot Hertog van Apulië en Calabrië benoemd, hem, als zijn leenheer, trouw gezworen en de aanspraken van het Pausdom op Benevento erkend.
Door dezen handigen politieken zet had de Paus zich verzekerd van den krachtigen steun der Noormannen. Men kan wel vragen, met welk recht de Pausen aanspraak maakten op het leenheerschap over de Apulische en Calabrische hertogdommen, om niet te spreken van Sicilië, dat nog steeds in de macht van de Saracenen was. Maar, zelfs al berustten hun aanspraken op geen hechter grondslagen dan op de fictieve Donatie van Constantijn, de gevolgen van hun staatkunde waren duidelijk genoeg; want in antwoord op Gregorius’ dringend verzoek om hulp marcheerde Robert Guiscard met ongeveer 40.000 man, waaronder vele Saraceensche huurlingen, naar Rome. Drie dagen voor hun aankomst was Hendrik wijselijk naar het noorden getrokken, terwijl hij beloofde met een groot leger te zullen terugkeeren. De Noormannen drongen met geweld binnen en plunderden de stad (Mei 1084).
Nooit te voren, vertelt men, heeft Rome van haar veroveraars zooveel te lijden gehad. De verwoesting van ontelbare monumenten en vele prachtige kerken (waaronder de S. Clemente) wordt aan de Saracenen van Robert Guiscard toegeschreven. Wat Paus Gregorius betreft, hij werd verlost uit zijn lange gevangenschap in de Moles Hadriani, doch vond het raadzaam Rome met zijn bevrijders te verlaten en stierf in den loop van het volgend jaar te Salerno. Zijn laatste woorden worden dikwijls door zijn bewonderaars aangehaald: Dilexi justitiam, odi iniquitatem; propterea morior in exilio. Maar deze verklaring schijnt niet bijzonder oorspronkelijk en evenmin waar te zijn.
In de derde periode van Hendrik’s regeering (1085–95) vonden slechts een paar gebeurtenissen plaats, die hier moeten vermeld worden. In Rome heerschten, zooals dikwijls het geval was, voortdurend onlusten, die veroorzaakt werden door de eindelooze twisten tusschen de verschillende partijen van clericalen en leeken. De verkiezing van Urbanus II, een Franschen monnik van Cluny en Bisschop van Ostia, die de politiek van Hildebrand krachtig voortzette, verdient vermelding wegens het feit, dat hij Koenraad tegen zijn eigen vader heeft opgestookt en wegens den roem, dien hij heeft verworven door zijn geestdriftvolle opwekking tot den eersten Kruistocht.
Drie jaren na zijn verkiezing werd hij gedwongen Rome een tijdlang te ontvluchten, omdat de Romeinen, nadat Hendrik met goed gevolg een veldtocht in Toskane had ondernomen, uit vrees voor zijn wraak zich meester hadden gemaakt van den Engelenburg en den “tegen-Paus” Clemens hadden uitgenoodigd terug te keeren. Maar de triumf van Clemens duurde niet lang en weldra (1093) nam Urbanus zijn plaats op den troon van het Lateraan wederom in. Andere, misschien meer belangrijke gebeurtenissen, die verhaald zullen worden in een later hoofdstuk, waren de schitterende krijgsdaden van Robert Guiscard en zijn Noormannen in Dalmatië, zijn dood in 1085, de eindelijke overweldiging van de Saracenen en de verovering van Sicilië door zijn broeder, Graaf Roger, in 1091.
Ofschoon verscheidene Pausen, waartoe ook de Duitscher Leo IX behoorde, het verlangen te kennen hadden gegeven om het graf van Christus te bevrijden, had toch het voorstel om het plan te verwezenlijken, dat men waarschijnlijk moet toeschrijven aan de Fransche hervormers van Cluny, den Italianen geen geestdrift kunnen inboezemen, toen te Piacenza en later te Clermont de Franschman Urbanus den Kruistocht afkondigde. Mogelijk ook werd in steden, zooals Genua, Pisa en Venetië door de bezorgdheid voor den uitgestrekten handel het vuur van het fanatisme gedoofd. Wellicht was ook de aanwezigheid van de Muzelmannen op Sicilië en de vijandige houding van de Noormannen tegen den Keizer van het Oosten, die gezanten had gestuurd naar het Concilie te Piacenza om hulp te vragen tegen de Turken, een hinderpaal voor de beweging in Zuid-Italië. Maar niet weinig Italiaansche Noormannen sloten zich bij den Kruistocht aan, waaronder Bohemund, de oudste zoon van Guiscard, uitblonk en Italië verleende krachtigen steun door ontelbare kruisvaarders over te voeren, die Rome doortrokken en zich te Bari inscheepten; deze stonden versteld over den toestand van heidensche verwildering, die zij in de metropolis van de Christelijke wereld aantroffen.
Paus Paschalis was in groote verlegenheid. Hij kon geen hulp verwachten van Mathilde en haar Toskaners en evenmin van de Noormannen van Zuid-Italië, die toen juist door den zwakken en ziekelijken Willem, den kleinzoon van Robert Guiscard geregeerd werden. Hij teekende dus een verdrag, waarbij de Kerk afstand deed van de wereldlijke rechten der investituur, maar de geestelijke rechten behield en stemde er in toe Hendrik als Keizer te kronen. Maar toen het document werd voorgelezen aan de geestelijken en de edelen, die in de St. Pieter verzameld waren om de kroning bij te wonen, ontstond er een hevig tumult en Hendrik vond het raadzaam den Paus en zestien kardinalen gevangen te nemen en naar Tivoli weg te voeren. Eindelijk gaf de Paus toe. Hij teekende een Privilegium, waarbij hij aan den koning het recht van investituur “met ring en staf” toestond, en in April 1111 vond de kroning plaats, die zoo ruw onderbroken was.
Hendrik V had nu het hoogtepunt van zijn macht bereikt en hij versterkte zijn invloed door in 1113 een huwelijk aan te gaan met een Engelsche prinses, Maud of Mathilde, de dochter van Hendrik I, die later de gemalin van Godfried Plantagenet en de moeder van Hendrik II van Engeland werd.
In 1115 stierf Gravin Mathilde, negen en zestig jaar oud. Haar jeugdige echtgenoot had haar reeds lang verlaten en zij had geen wettigen erfgenaam. Zij liet bijna al haar bezittingen aan de Roomsche Kerk na. Welke ook de rechten waren, die zij ten opzichte van haar allodiale bezittingen bezat, zij had zeker niet het recht de erfelijke leengoederen, die zij (op onwettige wijze, zeide men, daar zij een vrouw en een rebel was) als vazal van de kroon had, aan iemand, behalve aan een wettig erfgenaam, na te laten. En zelfs al nemen wij aan, dat haar rechten als onafhankelijke heerscheres bekrachtigd waren door het Toskaansche volk, zij was toch niet gemachtigd om het land, met of zonder souvereine rechten aan de Pausen of aan iemand, wie dan ook, over te geven. Deze erfenis had echter zoowel goede als slechte gevolgen, want, ofschoon Toskane later erg geplaagd en geteisterd werd door Pausen en Keizers, grepen verscheidene steden van Toskane de gelegenheid aan om het leenmanschap af te werpen en zich onafhankelijk te verklaren. De geschiedenis van de Florentijnsche republiek begint met den dood van Gravin Mathilde.
(5) Keizers der Hohenstaufen.
Calixtus zoowel als Hendrik V stierven niet lang na het Concordaat van Worms. Hendrik had geen kinderen en wederom kwamen de edelen te Tribur bijeen; de meeste van deze edelen verheugden er zich in hun bevoegdheid als keurvorsten te kunnen uitoefenen en aldus te protesteeren tegen een erfelijk koningschap. Frederik van Staufen, zoon van dien Frederik, die door Hendrik IV tot Hertog van Zwaben was verheven en zijn dochter had getrouwd, was de voornaamste pretendent; maar het Concordaat droeg reeds vruchten en de aartsbisschoppen, gesteund door eenige van de edelen, slaagden erin zoowel de aanspraken van Frederik als van zijn broeder Koenraad te verwerpen, “daar zij te zeer bezield waren met Ghibellijnschen geest”. Een verknochte aanhanger van de Kerk, de vroegere leider van de Saksische en Welfsche rebellen, Lotharius, werd gekozen. Frederik weigerde eerst de koninklijke domeinen op te geven, waarop hij aanspraak had gemaakt, maar eindelijk besloot de familie der Staufen den nieuwen koning te erkennen, doch niet voordat Koenraad als Koning van Italië en “aangewezen” Keizer door het volk van Milaan was erkend (1130) en te Monza met de ijzeren kroon gekroond was. In 1133 kwam Lotharius te Rome. Hier hadden, als gewoonlijk, ernstige onlusten naar aanleiding van de verkiezing van verschillende Pausen plaats gehad. De een was Innocentius II, gesteund door de invloedrijke familie der Frangipani; de ander was Anacletus, behoorende tot de oude Joodsch-Romeinsche familie der Pierleoni, een monnik van Cluny en leerling van den beroemden Abelard van Parijs. Anacletus had in Rome de overhand gekregen en Innocentius was naar Frankrijk gevlucht, waar hij een krachtigen steun vond in St. Bernard van Clairvaux, die een heftig tegenstander van Abélard en zijn leer was.
St. Bernard kreeg van Lodewijk van Frankrijk de opdracht uitspraak te doen tusschen de twee Pausen en besliste natuurlijk ten nadeele van Anacletus. Maar Innocentius moest met geweld worden hersteld; de orthodoxe Lotharius nam die taak op zich en liet zich bij die gelegenheid tevens door Paus Innocentius te Rome als Keizer kronen (1133). Zijn vrome dankbaarheid voor deze gunst bracht er hem toe van den Paus de souvereine rechten over de voormalige bezittingen van Mathilde aan te nemen en aldus erkende hij de geldigheid van Mathilde’s erfenis en degradeerde zichzelf tot een vazal van het Pausdom.
Roger de Noorman, van Sicilië, die zich in 1130 tot koning had laten uitroepen, was door Anacletus erkend, maar niet door Innocentius. Hij begon zich thans meester te maken van Zuid-Italië en Innocentius riep Lotharius te hulp; deze kwam met zijn leger en met Genueesche en Pisaansche schepen en, geholpen door de steden Napels en Capua, die waren opgestaan, was hij in staat Roger naar Sicilië terug te drijven. Maar weldra trokken Lotharius en zijn leger naar het noorden terug en in December 1137, kort nadat hij de Alpen was overgetrokken, stierf hij.
Toen het bericht van zijn dood was gekomen, keerde Roger terug en niet alleen heroverde hij alles, wat hij verloren had, maar ook versloeg hij Innocentius en nam hem gevangen; door een edelmoedige behandeling evenwel verwierf hij eindelijk de bekrachtiging van zijn koninklijken titel.
De Welfsche Hertog van Beieren en Saksen, Hendrik de Trotsche, aan wien Lotharius de landen van Mathilde als achterleen had gegeven en die derhalve over een uitgestrekt gebied heerschte, stelde zich voor tot koning te worden verkozen en had zich reeds van de koninklijke insignia meester gemaakt. Maar wederom schrikte het Duitsche volk er voor terug een al te machtigen vorst te kiezen en de aanspraken van een ander mededingend geslacht te bestendigen. Zelfs nog vóór de bijeenkomst te Tribur werd de Ghibellijn Koenraad van Staufen tot koning uitgeroepen en gekroond, en Hertog Hendrik vond het raadzaam de koninklijke insignia terug te geven; weldra moest hij ook zijn Saksisch Hertogdom overgeven, want de hevige uitbarsting van de veete tusschen Welfen en Ghibellijnen, die in deze jaren het volk in twee partijen verdeeld hield, eindigde ten gunste van Koenraad.

42. La Collegiata, S. Gimignano.
Te midden van zoovele onlusten was het niet waarschijnlijk, dat Koenraad zich veel met Italië kon bemoeien; maar men zal zich herinneren, dat, terwijl hij met Lotharius naar de Duitsche kroon dong, hij erin geslaagd was, hoewel de banvloek over hem was uitgesproken, den Aartsbisschop van Milaan te overreden hem met de ijzeren kroon als Koning van Italië en “aangewezen” Keizer te kronen. Hij streefde er dus naar zijn aanspraken op die titels te verwezenlijken en wij zullen later zien, hoe hij dit trachtte te bereiken. Ondertusschen vraagt Rome wederom onze aandacht.
Pier cominciò senz’ oro e senz’ argento,
Ed io con orazione e con digiuno.
Maar Arnold’s welsprekendheid werd koel ontvangen, zelfs te Brescia, en hij keerde naar Frankrijk terug, waar zijn leermeester Abelard hevige aanvallen te verduren had van St. Bernard; en nadat de toornige heilige den ketteraanvoerder verpletterd had, wendde hij zich tegen diens leerling. Arnold werd verbannen en schijnt eenige jaren, misschien als onderwijzer, in Zürich te hebben doorgebracht, een plaats, waar later een gelukkiger hervormer, Zwingli, heeft gewoond. In 1145 vinden wij hem te Rome, waar zijn staatkundige theoriën uitvoerig in praktijk werden gebracht. Tien jaren lang bezielde en leidde zijn ijver en geleerdheid de jonge republiek, en wanneer zijn hoogste ideaal verwerkelijkt was, het ideaal van een waarlijk apostolisch Pausdom, hoog tronend boven elke begeerte naar wereldlijke rijkdom en macht, hoevele eeuwen van ellende zouden Italië, en het menschdom, bespaard zijn gebleven! Maar het laffe weifelen van Koenraad en de blinde staatkunde van Barbarossa in zijn eerste dagen, misbruikt door de verwaande eerzucht van een Engelschen Paus, verijdelden een hervorming, die misschien heilzamer en grondiger was geweest dan die van Luther’s tijd.
Maar deze “imperador Currado” werd nooit als Keizer gekroond. Toen hij in 1149 uit het oosten terug kwam, zonden de Romeinsche senatoren, misschien op aanraden van Arnold, hem eenige bombastische epistels. In den laatste van deze, doorspekt met barbaarsche hexameters, wordt hij “de Heerscher over de Stad en de geheele Wereld”, “Koning der Romeinen” en “Augustus” genoemd; men smeekt hem te komen en den roem van het Romeinschen Keizerrijk te herstellen, zooals het onder Constantijn en Justinianus was, voordat het te gronde werd gericht door de Pausen en den adel. Ook werd daarin te kennen gegeven, en terecht, dat het Romeinsche volk, en niet de Paus, de werkelijke bevoegdheid had om iemand met de keizerlijke waardigheid te bekleeden.
Doch Koenraad aarzelde. Hij was noch verstandig noch dapper genoeg om het aanbod aan te nemen. Ten slotte schreef hij, dat hij zou komen “om de orde te herstellen, de trouw van zijn vrienden te steunen en de opstandelingen te straffen”, een ietwat dubbelzinnig antwoord, dat de republikeinsche partij met vrees vervulde. En deze vrees nam grootelijks toe, zoodra het bekend werd, dat Koenraad onderhandelingen had aangeknoopt met Paus Eugenius, die uit Frankrijk was teruggekomen en de laatste drie jaren in Latium van de eene plaats naar de andere rondzwierf. Eindelijk, nadat hij eenige lastige Welfsche rebellen in Duitschland had onderworpen, schreef Koenraad, niet aan den Senaat, dien hij negeerde, maar aan den weder onlangs benoemden Prefect en aan andere magistraten, en gaf als zijn voornemen te kennen, dat hij Rome zou bezoeken en gekroond wilde worden, niet door afgevaardigden uit den Senaat, maar door den Paus. Dit plan echter werd niet uitgevoerd, want hij stierf in Februari 1152, voordat de maatregelen voor zijn reis voltooid waren.
Koenraad liet een zoon na, die slechts acht jaren oud was. Daarom had hij de keurvorsten verzocht zijn neef te kiezen, die met hem aan de kruistocht had deelgenomen, Frederik van Staufen, die nu een en dertig jaar was. Frederik’s staatkunde betreffende Italië werd weldra duidelijk. Toen de Romeinsche Senaat hem, evenals vroeger aan Koenraad, een hoogdravend schrijven zond, waarin werd medegedeeld, dat de S. P. Q. R. er trotsch op zou zijn hem te bekleeden met den titel van Keizer, antwoordde hij, dat zijn voorvaderen dien titel met de wapenen hadden gewonnen en “dat hij, die het durfde, maar moest trachten Hercules de knots te ontwringen”. Hij had besloten de hydra van de republikeinsche vrijheid te dooden. Hij schreef aan Paus Eugenius; deze wakkerde door zijn antwoord Frederik’s toorn jegens de onbeschaamde senatoren nog aan en verklaarde hem te zullen kronen, indien hij kwam en Rome, zooals hij beloofd had, onderwierp aan het Keizerrijk en de Heilige Kerk. En Frederik stelde zijn komst niet lang uit. Zoodra hij zijn gezag in zijn noordelijke landen stevig had gevestigd, de kronen van Denemarken en Boheme had vergeven en Bourgondië had geannexeerd, trok hij de Alpen over en hield in November 1154 een groote bijeenkomst van al zijn Italiaansche leenmannen, leeken en geestelijken, in de vlakte van Roncaglia, dicht bij Piacenza. Trouw aan zijn staatkunde nam hij strenge maatregelen tegen de toenemende onafhankelijkheid van de Lombardische steden; en de nijd, het vergif voor de republieken, bewees hem goede diensten, want bittere afgunst en twisten waren reeds tusschen de steden ontstaan, en sommige grepen de gelegenheid om hun mededingers te beschuldigen gretig aan. Milaan vooral werd heftig aangevallen door andere steden, die minder welvarend en meer imperialistisch waren, zooals Pavia, en wekte Frederik’s misnoegen in hooge mate op door hem de koninklijke rechten (b.v. het munten, het voedsel voor zijn soldaten enz.) te weigeren; ook spoorde zij tot verzet aan, toen hij de consuls en andere republikeinsche magistraten trachtte af te schaffen en Duitsche gouverneurs (Podestà) met dictatoriaal gezag wilde aanstellen. Hij achtte het niet raadzaam Milaan zelf aan te vallen, maar gaf zijn toorn lucht door twee steden van haar bondgenooten te verwoesten, het kleine Tortona, dat twee maanden heldhaftig een belegering doorstond (en weldra herbouwd werd door de Milaneezen) en Asti, later beroemd door haar wijn en Alfieri.
Onderwijl was Paus Eugenius en ook zijn opvolger gestorven en had de Engelschman Breakspear (Hadrianus IV) den pauselijken zetel bezet. Zijn trots en onstuimigheid, die hem voor zijn dood de bekentenis ontlokten, dat een Paus de ongelukkigste sterveling op aarde was, kwamen spoedig aan het licht.
Een kardinaal was op straat aangevallen, misschien door anti-clericale republikeinen. Hadrianus, die wist, dat Frederik weldra zou komen om hem te helpen, deed oogenblikkelijk, wat nog nooit een Paus had gedurfd—hij kondigde over de geheele stad het interdict af. Geen godsdienstige handelingen mochten verricht worden, behalve de doop en het toedienen van het laatste oliesel. De Romeinen waren zoo verschrikt, dat zelfs de senatoren eindelijk om vergiffenis smeekten; en zij verwierven die door de verdrijving van Arnold van Brescia, die als banneling van de eene plaats naar de andere zwierf, bevreesd voor de wraak van den Engelschen Paus, terwijl Hadrianus triomfantelijk in het Lateraan troonde. En nu verscheen Frederik, “bezoedeld met het bloed van de Lombardische steden”, voor de poorten van Rome. Arnold werd verraden en door den Keizer aan den Paus overgeleverd, en door den Paus aan den Prefect, die hem liet ophangen en verbranden. De Senaat, die zich verbeeldde door deze laffe daad de gunst van den Duitschen vorst gewonnen te hebben, zond naar zijn legerplaats een bericht, vol van walgelijke vleierij, en stelde wederom voor hem den titel van Keizer te schenken.
Maar de gezanten werden smadelijk weggezonden en Frederik rukte met zijn soldaten de Città Leonina binnen en bezette de basiliek van St. Pieter; daar legde Paus Hadrianus, een paar dagen, nadat hij Arnold aan de galg en den brandstapel had overgeleverd, den keizerlijken diadeem op het hoofd van zijn weldoener (Juni 1155).
De breuk met Frederik bracht den Paus er toe een ander onnatuurlijk verbond te sluiten. Ofschoon de Paus te Rome een doodvijand was van republikeinsche vrijheid, was hij nu verstandig genoeg vriendschap met de steden in Noord-Italië te zoeken en deze te steunen in den strijd tegen den gemeenschappelijken vijand. Na den dood van Hadrianus in 1159 was er door de clericale partij een Paus gekozen, die een even sterken wil en een even groote eerzucht bezat.

43. Kathedraal van Monreale. Bij Palermo.
Deze ramp gaf Frederik de overtuiging, dat wreedheid en onmenschelijkheid niet in staat waren hen te overweldigen, die bereid waren voor de vrijheid te sterven. Ook was zijn karakter niet zoo hardvochtig en laag, dat hij niet eenige bewondering kon gevoelen voor heldhaftigheid. Hij nam het voorstel van den Doge Ziani aan om te Venetië niet alleen Paus Alexander en de gezanten van Willem den Goede van Sicilië te ontmoeten, maar ook de afgevaardigden van de verbonden steden. Dit was de eerste keer, dat republikeinsche afgevaardigden als gelijken met een Paus of Keizer in onderhandeling traden. Het was dus een gebeurtenis, die belangrijke dingen voorspelde. Misschien was dit de ernstigste crisis, die Italië ooit beleefde. Helaas, dat een zoo schoone belofte zonder uitwerking is gebleven door inwendige twisten, die er de oorzaak van waren, dat Italië een parel van groote waarde wegwierp, en zelfs de herinnering aan de herwonnen vrijheid uitwischte.
In 1186 werd er te Milaan een zeer belangrijke bruiloft gevierd. Willem II, koning van Sicilië, had geen kinderen; hij stemde er derhalve in toe, dat zijn oude tante en erfgenaam Constantia (Costanza) de dochter van wijlen koning Roger, zou trouwen met Frederik’s zoon, Hendrik, een jongen man van een en twintig. Aldus eindigde de langdurige vijandschap van de Noormannen en de Duitschers, en voegden de Hohenstaufen Sicilië en Zuid-Italië bij hun machtig Keizerrijk.
Als omlijsting zijn regeeringen en dynastieën dikwijls zeer bruikbaar en de geschiedenis van Italië in de middeleeuwen heeft zoo weinig innerlijken samenhang, dat het de omlijsting, die de regeeringen en dynastieën van de indringers en van de vreemde, vooral de Duitsche heerschers, verschaffen, zeer noodig heeft. Doch in sommige gevallen beantwoorden de perioden, waarin de Duitsche geschiedenis vervalt, niet aan die, waarin men de Italiaansche historie moet verdeden. De Hohenstaufen-dynastie bleef nog langer dan een halve eeuw regeeren, maar dergelijke gebeurtenissen, als de erkenning van de republieken bij het verdrag van Constanz en het samensmelten van het Koninkrijk der Noormannen met het Duitsche Keizerrijk door het huwelijk van Constantia met Hendrik VI, doen een nieuw tijdperk ontstaan in de Italiaansche geschiedenis en maken het raadzaam hier, in 1190, bij den dood van Barbarossa, af te breken.