Note 14 — 800–1190.
Reading edition
Merkwaardig is het, dat in deze periode van zeven en dertig jaren verscheidene vrouwen zulk een belangrijken invloed hebben uitgeoefend; meer dan eene heeft een tijdlang een staatkundige macht bezeten, die men kan vergelijken met het gezag van Placidia of Pulcheria; maar zij verwierven en behielden die macht door een daemonische, of misschien beter gezegd, diabolische bekoring, die eerder doet denken aan de jongere Agrippina of Lucrezia Borgia dan aan de dochter of kleindochter van den grooten Theodosius. Een van deze vrouwen was Bertha, de dochter van die Waldrada, die wij vroeger vermeld hebben in verband met Lotharius (p. 285). Bertha was eerst gehuwd met Graaf Theobald van Provence, die haar een zoon, Hugo, had geschonken. Daarna trouwde zij met Adalbert, Markies van Toskane, en kreeg verscheidene kinderen, van welke er een, Ermengard, met de fascineerende schoonheid van haar moeder begiftigd was. Bertha, en na haar dood, Ermengard, Markiezin van Ivrea, schijnen op de Italiaansche edelen zulk een invloed te hebben gehad, dat deze kort na den moord op Berengarius besloten Rudolf van Bourgondië, ofschoon hij reeds door den Paus gekroond was, niet te erkennen en den jongen graaf van Provence uit te noodigen de kroon van Italië te aanvaarden14. Hugo landde bij Pisa (926) en werd te Pavia gekroond, terwijl Paus Johannes X voor de derde maal zijn goddelooze zalving gaf aan een pretendent tijdens het leven van diens mededinger en er aldus de oorzaak van werd, dat de open wond van Italië ging zweren in plaats van die, als Hoofd van Christelijk Kerk, te verbinden en te heelen.