Note 37 — 800–1190.
Reading edition
(4) Van 1095 tot zijn dood in 1106 wordt het leven van Hendrik IV verbitterd door den opstand van zijn zonen. Eerst wordt zijn oudste zoon, Koenraad, overgehaald de partij van den Paus en het Toskaansche hof te kiezen; hij wordt te Monza en later in de S. Ambrogio te Milaan als Koning van Italië gekroond. Zijn jongste innig geliefde zoon, Hendrik, een koelbloedige, berekenende ellendeling, wordt door de priesters en Gravin Mathilde verleid, en nadat hij zijn broeder Koenraad, die in 1101 sterft, heeft onttroond, voegen zich de meeste van de Zuid-Duitsche edelen bij hem. Maar het Rijnland geeft wederom blijk van zijn trouw aan den koning en de jonge rebel wordt gedwongen om vergiffenis te smeeken. Zijn vader ontmoet hem te Coblenz, omhelst hem onder tranen en volgt hem zonder argwaan naar een van zijn kasteelen in het Nahe-dal, waar hij verraderlijk wordt gevangen genomen en hem de belofte wordt afgedwongen, dat hij afstand zal doen van de regeering. Het gelukt hem echter te ontvluchten en hij verzamelt wederom troepen om zijn ontaarden zoon het hoofd te bieden; maar weldra sterft hij. Het lichaam van den koning, over wien nog steeds de ban bleef uitgesproken, werd begraven te Luik; het werd echter door priesters verwijderd en, nadat het een tijdlang op een eiland in de rivier de Maas had gerust, werd het gebracht naar Speyer, waar Hendrik de reusachtige Romaansche kathedraal had laten bouwen, die kort te voren voltooid was. Vijf jaren lang, tot 1111, bleef het lijk boven aarde staan, waarschijnlijk in opgerichte houding, in de zijkapel van St. Afra; maar eindelijk werd de ban opgeheven en werd het stoffelijk overschot in een tombe gelegd37.