Note 29 — 800–1190.
Reading edition
Doch om niet te verdwalen in het labyrint van staatkundige verwikkelingen van dit tijdperk en om de juiste verhouding tusschen de Duitschers en Italianen te ontdekken, is het noodig eenige punten vast te stellen en dit kan misschien vergemakkelijkt worden door de volgende opmerkingen. Ten eerste moet de invloed, dien de Duitsche vorsten op een deel van het Italiaansche volk bezat voornamelijk toegeschreven worden aan het feit, dat zij de kleine landbezitters (vooral de geestelijken, die beneficia bezaten) in bescherming namen tegen de machtige edelen, die op hen als hun leenmannen hun rechten wilden laten gelden. Daar zij deze beneficiarii erkenden als rechtstreeksche leenmannen van de kroon en niet als achterleenmannen van de groote edelen, wonnen zij hen voor de zaak van het keizerrijk en tegelijkertijd versterkten zij ten zeerste de onafhankelijkheid en macht van de geestelijken en een groot gedeelte van de leeken. Ten tweede werd Rome voortdurend bezocht door Duitsche vorsten en hun krijgslieden. Aldus verwierf de keizerlijke partij een zeer belangrijken aanhang. Dit verwekte steeds onlusten en bloedvergieten, waarbij de aristocratie, de volkspartij en de aanhangers van den Paus om beurten de hulp van den vreemdeling inriepen om hun tegenstanders te overweldigen. Bovendien waren zoowel de Romeinen als ook de Italianen van het zuiden dikwijls gedwongen de Duitsche vorsten om steun te vragen tegen de Byzantijnen, Saracenen of heerschzuchtige Longobardische hertogen. Ten slotte waren vele steden in Noord-Italië bezig zich onafhankelijk te maken als republieken en verwierven snel een belangrijke welvaart en grooten invloed29, sommige vooral door hun zeemacht, en deze republieken behoorden natuurlijk tot de patriottische, anti-Duitsche partij; doch de onderlinge twisten hadden dikwijls ten gevolge, dat de vreemdeling er bij werd geroepen, die altijd geneigd was tusschenbeide te komen en van die oneenigheden voordeel te trekken.