395–450
Reading edition
Wij hebben gezien, dat Theodosius de Groote zijn rijk verdeelde tusschen zijn twee zonen, Arcadius en Honorius, die 18 en 10 jaar oud waren, en dat hij Rufinus en Stilicho als hun voogden aanstelde. De eerste had in Constantinopel het bestuur over de keizerlijke financiën en trad op als voogd van Arcadius, terwijl Stilicho de zorg had over den jongen Honorius, magister utriusque militiae (commandant van de ruiterij en het voetvolk) was en zijn hoofdkwartier te Rome had. De haat, die het afpersen der belastingen opwekte aan den eenen kant, en aan den anderen kant de voordeelen, die een populair aanvoerder van de Keizerlijke troepen verwierf, hadden ten gevolge, dat de strijd tusschen de twee regenten eindigde met den moord op Rufinus door Stilicho’s Gotische troepen.
In dit hoofdstuk zullen wij, na een paar bijzonderheden over Stilicho en zijn merkwaardigen levensloop (394–408), eenige van de vele schilderachtige incidenten vertellen, die samenhangen met den inval van Alarik en de lotgevallen van Galla Placidia.
Men zal zich herinneren, dat groote massa’s West-Goten toestemming hadden gekregen zich te vestigen ten Zuiden van den Donau en wij hebben meermalen vernomen, dat zij de keizerlijke troepen met flinke contingenten steunden. De Gotische soldaat, die Rufinus in tegenwoordigheid van den Keizer Arcadius vermoordde, had, toen hij zijn slachtoffer neerstiet, uitgeroepen: “Met dit zwaard treft Stilicho u!”—beteekenisvolle woorden, want het Gotische zwaard was het, dat nu over het lot van het Keizerrijk zou beslissen. Weldra kregen deze Gotische troepen, wier aanvoerder, Gainas, zeer verknocht was aan Stilicho, in Constantinopel de macht in handen; maar ten slotte werden zij, nadat, gedeeltelijk door toedoen van St. Chrysostomus, die natuurlijk als patriarch deze onbeschaamde Ariaansche barbaren vijandig gezind was, een oproer was uitgebroken, uit de stad gedreven. Gainas werd gedood door de Hunnen, toen hij den Donau wilde oversteken, maar zijn mannen voegden zich bij hun landgenooten, de West-Goten van Thracië en Moesië.
Geprikkeld door zulk een onverstandige behandeling, besloten de West-Goten wederom Zuidwaarts te trekken en een inval te ondernemen in Italië. Wat het eigenlijke plan van Alarik was, is onzeker. Hij had, evenals later Odovacar en Theoderik, een bijgeloovigen eerbied voor het Keizerrijk en waarschijnlijk kwam het plan om zich meester te maken van het Keizerlijke gezag nooit bij hem op. Zijn voornaamste taak was blijkbaar een nieuw land te zoeken voor de opgewonden benden, die heftig om plundering en buit schreeuwden. Ook werd Alarik (als wij een overlevering mogen gelooven, die de dichter Claudianus mededeelt) naar Rome gedreven door een stem, die hem plechtig beloofde, dat hij eens de Eeuwige Stad zou bereiken: “Penetrabis ad Urbem!” Maar eerst vond hij nog eens zijn meester in Stilicho.
Na Alarik verslagen te hebben in Griekenland (396), had Stilicho zich verder onderscheiden door een oproer in Afrika te dempen, dat was opgewekt door een Moorsch opperhoofd, Gildo. Stilicho, ofschoon een Vandaal, was gehuwd met een nicht en aangenomen dochter van den grooten Theodosius, de Spaansche Serena, wier schoonheid en deugden door Claudianus zijn bezongen. Ongeveer 399 werd hun dochter Maria uitgehuwelijkt aan haar half-idioten neef, den Keizer Honorius, en Stilicho werd aldus steeds machtiger.
Zijn schitterende verdediging van Italië tegen de West-Goten onder Alarik en tegen de geweldige horden van Rhaetische barbaren onder den woesten Wodan-vereerder Radegast, die hij bij Fiesole gevangen nam en doodde, is reeds verhaald (p. 9). Hier zullen wij nog slechts een paar gebeurtenissen mededeelen, die van hooger belang waren dan oorlog en politiek.
De veldtochten van Stilicho zijn het onderwerp van Claudiamus’ “serviele muze”, zooals Gibbon misschien ten onrechte zegt. Claudianus schreef in het Grieksch (hij was in Alexandrië geboren) en in het Latijn, maar behalve door een paar Grieksche epigrammen, is hij beroemd door zijn Latijnsche gedichten, vooral om de keurige hexameters waarin hij zijn Gotische Oorlog heeft geschreven, dien hij Getische Oorlog noemt; want evenals de latere schrijvers Cassiodorus en Jordanes, meende hij, dat de Goten dezelfde waren als de Getae (de Thraciërs of Daciërs van den klassieken tijd). Claudianus’ gedichten doen denken aan de schitterende kleuren van de latere Venetiaansche schilders of van Rubens. Hij is tot op zekere hoogte vrij van de gezwollenheid van Lucanus, met wiens Pharsalia wij natuurlijk gaarne zijn Getische Oorlog vergelijken en als wij bedenken, dat het Latijn niet de moedertaal van Claudianus was, staan wij verbaasd over de wondere ongedwongenheid en kracht van zijn stijl en de vlucht van zijn verbeelding, waardoor hij soms Vergilius en Lucretius evenaart.
Een zeer belangwekkende episode in de veldtochten van Stilicho is het ontzet van Florence, toen het door Radegast werd belegerd in 405, want het is misschien de vroegste gewichtige gebeurtenis, (waarvan wij ten minste een volledig verslag bezitten), die samenhangt met middeleeuwsch Florence—als wij Florence van het jaar 405 reeds als middeleeuwsch kunnen beschouwen.
Na den dood van Stilicho vond er een moorddadige vervolging van zijn aanhangers plaats. Zijn zoon Eucherius trachtte te ontsnappen, maar werd gevangen genomen en gedood. Thermantia werd van haar man gescheiden. Serena, als nicht van Honorius, kreeg genade, maar voor korten tijd, zooals wij zullen zien. Claudianus schreef een tijdlang erbarmelijke (misschien ironische) gedichten, die zijn vroegere beleedigende politieke epigrammen herriepen. Wij hooren niets meer van hem; zijn lot is onbekend.
Honorius bemerkte weldra, dat hij door den moord op Stilicho als het ware zijn eigen rechterhand had afgehakt. Omringd door zijn onbekwame en bange satellieten, sloot hij zich in Ravenna op, een stad, die door haar moerassen en haven zoo dikwijls in de dagen van barbaarsche invallen een veilige verdediging aan de landzijde en een gemakkelijke ontsnapping naar de zee aanbood. Hier hield de zwakzinnige en kwaadaardige jongeling, nu 23 jaar oud, zich bezig met zijn hoenderhof, terwijl Alarik Rome belegerde. Toen de Koning der West-Goten gezanten stuurde (de Paus was onder hen) om vrede voor te stellen op de zeer redelijke voorwaarden, dat Noricum aan de West-Goten zou worden afgestaan, verwierp hij dat met gemelijke minachting; en toen het bericht kwam dat Rome door Alarik genomen was, zegt men, dat hij heeft uitgeroepen: “Onmogelijk! Een oogenblik geleden heb ik haar met eigen hand gevoerd”—want voor hem was het eenige Rome, dat belangrijk was, een van zijn hennen, aan wie hij dien naam had gegeven.
Een tragische gebeurtenis, die plaats greep, toen Alarik Rome de eerste maal belegerde, was de vermoording van Serena door de Romeinen; zij was de weduwe van Stilicho, de nicht en schoonmoeder van Honorius. Zij werd, evenals haar gemaal, beschuldigd Alarik begunstigd te hebben. Sommigen schreven haar dood toe aan den invloed van haar nicht, de steeds jeugdige Galla Placidia.

10. Doopvont van de Orthodoxen, Ravenna.
De geschiedenis van den dood en begrafenis van Alarik is bekend—maar waarom hij zoo plotseling van Rome wegtrok, met welke bedoeling hij een vloot verzamelde, of hij een aanval tegen Sicilië of Afrika beraamde, en waar hij woonplaatsen voor zijn Goten hoopte te vinden, die hij nog steeds zocht en die zij eindelijk in Gallië vonden—zijn vragen, die onmogelijk met eenige zekerheid kunnen beantwoord worden. Welke ook zijn plannen waren, zij zijn verijdeld door zijn plotselingen dood. Het woeste karakter der barbaren kwam tot uiting bij de begrafenis van hun held. Een menigte gevangenen werd gedwongen de bedding van den Busentinus, een kleine rivier bij Consentia in Calabrië te verleggen. Het koninklijk graf, versierd met den schitterenden buit van Rome, werd gebouwd in de oude bedding; het water hernam weder zijn natuurlijken loop en de geheime plek, waar het stoffelijk overschot van Alarik was neergelegd, werd voor eeuwig verborgen door de onmenschelijke slachting van de gevangenen, die gebruikt waren om het werk uit te voeren.
Kort na de bruiloft, die in Januari 414 gehouden werd, voerde Athaulf sterke afdeelingen van zijn Goten over de Pyrenaeën om een inval te doen in het gebied van de Vandalen, Sueven en Alanen, die (vgl. hfdst. II) het grootste gedeelte van Spanje hadden bezet en door hun verwoestingen afschuwelijken hongersnood en pest hadden verwekt. Te Barcelona werd Athaulf vermoord. Zijn opvolger, Singerik, die de Romeinen haatte, behandelde Galla Placidia schandelijk, en liet haar te voet met een troep gevangenen marcheeren; men zeide, dat hij de kinderen van Athaulf, die deze van een vorige vrouw had, liet slachten. Maar na zeven dagen werd ook hij vermoord, en zijn opvolger, de dappere en energieke Wallia verstond zich met Honorius om geheel Spanje voor het Keizerrijk te heroveren—een belofte die hij vervulde, voordat hij de Pyrenaeën weer overtrok; hij stichtte (c. 420) het groote West-Gotische koninkrijk, welks hoofdstad Tolosa (Toulouse) werd.
Maar wij moeten terugkeeren tot Placidia, wier lotgevallen ons weer naar Italië zullen voeren. Het verdrag van Wallia met Honorius (c. 416) sloot de bevrijding van de prinses in, die, door den dood van Athaulf, als een weduwe van 29 jaar was achtergelaten. Nogmaals bood Honorius een groote hoeveelheid graan voor zijn zuster; of misschien ried Wallia wegens den hongersnood Honorius deze vorm van losprijs aan. Zeshonderd duizend maten werden als een behoorlijke vergoeding aangenomen en Placidia keerde naar Ravenna terug. Hier bemerkte zij, dat Honorius en zijn ministers het plan hadden gevormd haar uit te huwen aan Constantius, den generaal, wiens krijgsdaden in Gallië zoo even zijn verteld. Hij was een ruwe soldaat, blijkbaar zonder de natuurlijke beschaving van den barbaar Athaulf en de prinses schijnt hem met tegenzin te hebben aangenomen. Maar het huwelijk bleek niet ongelukkig. Constantius kreeg den titel van Augustus. Twee kinderen werden geboren—Honoria en Valentinianus—de eerste later beroemd om haar romantische verhouding tot Attila, de laatste de toekomstige Keizer Valentinianus II. Maar in 421 stierf Constantius en kort daarna vond Galla Placidia het hof te Ravenna ondragelijk wegens de dwaasheden van den zwakzinnigen Honorius. Derhalve ging zij met haar kinderen naar Constantinopel.
Te Constantinopel regeerde nu Theodosius II, die in 408 zijn vader Arcadius, den broeder van Honorius, was opgevolgd. Theodosius had als kind van zeven jaar den troon bestegen. Hij had nu den leeftijd, maar zijn zuster Pulcheria was regentes en daar zij (zooals in het Historisch Overzicht verhaald is) een verstandig en flink karakter had, bleef zij feitelijk het hoofd van het Oost-Romeinsche Keizerrijk gedurende zijn geheele regeering en nog langer.
De Augusta van het Westen met haar twee kinderen werd goed ontvangen door haar neef en nicht, Theodosius en Pulcheria, ofschoon zij blijkbaar haar titel niet wenschten te erkennen, daar het Byzantijnsche hof noch den barbaar Athaulf noch den ruw-gemanierden soldaat Constantius als een geschikten gemaal voor een lid van de Theodosische familie had willen aannemen. Toen derhalve eenige maanden later het bericht kwam, dat Honorius was gestorven, en dat een usurpator gesteund werd door den machtigen invloed en de Hunnen-huurlingen van Aëtius, een van de voornaamste generaals van het Westelijke leger, terwijl de andere, Bonifacius—die in Afrika was—de opvolging van het kind van Placidia begunstigde, was het natuurlijk dat Pulcheria en Theodosius, ofschoon zij troepen stuurden om den overweldiger te onderwerpen en zich dus openlijk voor Placidia en Valentinianus verklaarden, zich voorloopig als alleenheerschers van het hereenigde Romeinsche Keizerrijk beschouwden. Maar weldra kwam het bericht, dat de usurpator was gevangen genomen en te Aquileia onthoofd. Toen Theodosius dit vernam, woonde hij juist een uitvoering in het Hippodroom te Constantinopel bij. Hij liet dadelijk de wedrennen ophouden, en leidde onder het zingen van een toepasselijken psalm het volk van het Hippodroom naar de Kerk, waar hij het overige van den dag in dankbare devotie doorbracht. Hetzij hij door eigen onverschilligheid, hetzij door de verstandige en edele Pulcheria er toe bewogen werd, het is aangenaam te kunnen vermelden, dat Theodosius geen voordeel trok van den toestand, maar den kleinen Valentinianus, nu een kind van zes jaar, als Keizer van het Westen onder het regentschap van zijn moeder liet uitroepen.
Valentinianus III regeerde dertig jaar (425–455). In al dien tijd heeft hij bijna niets verricht, dat hem tot eer strekt, en misschien had slechts één daad van hem—de moord op Aëtius—eenige historische beteekenis. Maar groote en belangrijke gebeurtenissen vonden plaats. Wij zullen in de twee volgende hoofdstukken den levensloop van Attila (445–452) en de verovering van Noord-Afrika, Sicilië en Rome (445) door Gaiserik beschrijven. In dit hoofdstuk zullen wij de lotgevallen van Galla Placidia tot haar dood in 450 verhalen.
Juist gedurende de helft van de regeering van haar zoon nam Galla Placidia het regentschap waar. Toen hij ouder was geworden, schijnt zij nog wel invloed uitgeoefend te hebben, ofschoon zij zich van daadwerkelijke inmenging in de regeering onthield. Zij vertoefde meest te Ravenna, doch bezocht Rome niet zelden; tijdens een verblijf aldaar stierf zij.
Aëtius en Bonifacius, de twee bevelhebbers van het leger in het Westen, waren beroemd om hun bekwaamheid in den oorlog en hun dapperheid, waardoor zij den titel van “de laatsten der Romeinen” verworven hebben. Wij hebben gezien (p. 11), hoe Aëtius een usurpator begunstigde en zelfs met 60.000 Hunnen steunde, en hoe, vreemd genoeg, toen hij de andere partij koos en zijn Hunnen afdankte, Galla Placidia hem met open armen ontving en als raadsman en bevelhebber van haar eigen leger aannam, terwijl zijn mededinger, Bonifacius, die zich dadelijk voor Placidia en Valentinianus had verklaard, zoo onrechtvaardig door haar werd behandeld, dat hij Gaiserik en zijn Vandalen uitnoodigde over te steken van Spanje en zich meester te maken van de diocese Afrika. Toen de Vandalen kwamen en Bonifacius, die te laat berouw had, inzag, dat hij den geweldigen stroom van Barbaren niet kon stremmen, keerde hij naar Ravenna terug en duelleerde met Aëtius, die haastig van Gallië was gekomen om hem te ontmoeten. Het schijnt dat hij Aëtius in dit duel overwon; maar hij werd zelf gewond en stierf kort daarna (432).
Placidia verklaarde Aëtius tot opstandeling en hij trok zich een tijdlang terug naar de legerplaats van Rugilas, den Koning van de Hunnen in Pannonië. Daarna verscheen hij weer voor Ravenna met een groot leger van Hunnen, en Placidia was genoodzaakt zichzelf, haar zoon en het Westersche Rijk aan den onbeschaamden onderdaan over te leveren; zoo vertelt Gibbon, maar volgens anderen werd Aëtius, omdat hij toch de eenige bekwame veldheer was, door de eenigszins wispelturige Placidia, als haar magister equitum peditumque wederom vriendelijk ontvangen. Hoe dat ook zij, hij schijnt de titels van Dux en Patricius te hebben gekregen en meer dan twintig jaar (432–454) de eigenlijke heerscher van het Westersche Rijk te zijn geweest—of liever, van hetgeen overbleef van het Westersche Rijk, want Brittannië was verloren, Zuid-Gallië vormde het onafhankelijk koninkrijk van de West-Goten, die feitelijk bijna geheel Spanje beheerschten, terwijl Noord-Afrika en Sicilië in de macht van Gaiserik, den Vandaal, waren.
Het was in deze jaren, dat Aëtius de hulp van de Hunnen onder Attila tegen de Bourgondiërs aannam. Het lijkt eenigszins verrassend, dat de opperbevelhebber van het Westersche Keizerrijk hulp heeft willen vragen van een woest heidensch volk, waarvan zoowel Romeinen als Germanen een afschuw hadden, maar Aëtius was persoonlijk met verscheidene Koningen der Hunnen bevriend, en zijn zoon, Carpilio, was gedeeltelijk opgevoed in de legerplaats der Hunnen. Bovendien hadden de Bourgondiërs het Aëtius zeer lastig gemaakt; zij kwamen (c. 353) van de streken aan de Elbe en nadat zij deel hadden genomen aan Radegast’s ongelukkigen inval in Italië (405), hadden zij in 437 Worms aan den Rijn tot hun hoofdstad gemaakt. Aëtius heeft hen verslagen met de hulp van Atilla’s Hunnen en 20.000, waaronder hun Koning, Gundikar, gedood; de overlevenden dwong hij zich te vestigen in het land, dat later het hertogdom Bourgogne heette. Deze slachting is ongetwijfeld het historische feit, dat de grond is van de prachtig dramatische, maar gruwelijke geschiedenis van het “Einde der Nibelungen” verhaald in het Nibelungenlied. In het voorbijgaan kunnen wij opmerken, dat de dichter het tooneel van het bloedbad heeft overgebracht van Bourgondië naar de feestzaal van Attila’s paleis, den Etzelnburg aan den Donau en ten onrechte den grooten Oost-Gotischen Koning Theoderik van Verona (“Dietrich von Bern”) laat optreden, die na Attila’s dood is geboren, in plaats van een anderen Theoderik, een Koning der West-Goten, die waarschijnlijk bij deze gelegenheid Aëtius heeft geholpen. De schitterende overwinning van Aëtius op zijn ouden vriend Attila (ongeveer veertien jaar later) zal in het volgend hoofdstuk beschreven worden.

11. Mausoleum van Theoderik, Ravenna.
Ravenna staat in zulk een nauw verband met Galla Placidia, dat wij een paar woorden over die stad willen zeggen. Van het oude Etruscische en Romeinsche Ravenna, dat door Augustus een grootere haven kreeg, ruim genoeg voor 250 oorlogsgaleien, de Portus Classis, is bijna niets meer over. De oude haven is verdwenen, want de zee is een heel eind teruggegaan. De eenzame basiliek van S. Apollinare in Classe fuori (ongeveer een eeuw na Placidia’s dood gebouwd) geeft waarschijnlijk de plek aan, waar deze discipel van den H. Petrus werd vermoord, buiten de poort bij de haven; maar nu is het ruim drie K.M. van de zee af. Niet ver daarvan verwijderd is het groote dennebosch (Pineta), bekend door Dante en Byron; men weet, dat het in de dagen van Odovacar bestond en waarschijnlijk ook in den tijd van Placidia.
Galla Placidia bouwde talrijke Kerken in Ravenna, die nu bijna alle gerestaureerd en onkenbaar gemaakt zijn. De groote Kathedraal van Bisschop Ursus, waarvan de klokketoren nog bestaat, werd kort voor haar geboorte begonnen. Zeker was er ook reeds een Kerk gewijd aan St. Apollinaris, den vriend van den H. Petrus, want hij was de martelaar en beschermheer van Ravenna. Het oude Baptisterium was nog een Romeinsch bad, daar het door den Aartsbisschop Neon eerst in 450, toen Placidia stierf, werd gewijd. Zij bouwde misschien ook S. Giovanni Battista, S. Teodoro (later Spirito Santo), S. Agata en S. Croce (naast haar mausoleum) en liet zeker de S. Giovanni Evangelista bouwen—d. w. z. de oorspronkelijke basiliek, op wier fundamenten nu de prachtige Romaansche campanile van de 11e en een Kerk van de 18e eeuw staan. Deze basiliek richtte zij op ter vervulling van een gelofte, die zij had afgelegd op haar reis van Constantinopel naar Ravenna, toen zij door een storm was overvallen. “Ik zal u” riep zij uit, “een tempel van schitterend marmer stichten op het strand, waar het schip veilig zal aanlanden.” Daarop verscheen haar de Heilige Johannes in een verblindende gestalte, zette zich op den boeg van het schip en, zijn armen uitstrekkend bracht hij de woedende golven tot bedaren.