Note 4 — 395–450
Reading edition
In 447 naderde Attila tot de muren van Constantinopel, en eischte een driedubbele schatting, die door Theodosius betaald werd. En Attila’s eischen beperkten zich niet tot zulk een belasting. Een merkwaardige roman is gevlochten tusschen deze daden van woestheid en bloeddorst. Men zal zich herinneren dat Galla Placidia twee kinderen had, Honoria en Valentinianus. De dochter was, op haar manier, even onnoozel en onhandelbaar als de zoon, misschien bedorven, maar van nature ook sentimenteel en niet in evenwicht. Te Ravenna was de jonge Augusta (dezen hoogen titel had zij reeds jong gekregen) in moeilijkheden geraakt, toen zij ongeveer zestien jaar was. Zij was toen (c. 434) door haar moeder naar Constantinopel gestuurd, waar zij ongeveer veertien jaar doorbracht in het vervelende gezelschap van de zusters van Theodosius en haar uitverkoren maagden, wier voortdurend bidden, vasten en waken zij met tegenzin navolgde; want het Byzantijnsche hof was ongeveer een klooster geworden, waar de vrouwen, die geen manlijke bezoekers behalve priesters en bisschoppen toelieten, hun tijd verdeelden tusschen borduren en godsdienstige oefeningen, en de Keizer zelf—een traag, besluiteloos, aesthetisch voelend en eenigszins fanatiek4 mensch—een leven leidde van een quasi-artistieken, sportlievenden, streng-orthodoxen, bekrompen man. Jagen was het eenige, wat hem naar buiten kon lokken; maar hij was bijna voortdurend, soms ook ’s nachts, bezig met schilderen en houtsnijden, en de keurige wijze, waarop hij godsdienstige boeken overschreef, verschafte den Keizer den titel van “Calligraaf”. Zoo werd de tijd, dien hij won door zijn keizerlijke plichten te verwaarloozen, verbruikt met ijdele vermaken en nuttelooze liefhebberijen.