Note 8 — 395–450
Reading edition
Toen Honorius de voorwaarden van Alarik verwierp en de belegering van Rome8 werd hernieuwd (409), werd het lijden van het volk verschrikkelijk. De verhalen brengen ons de belegering van Jeruzalem en Numantia in herinnering, zooals Josephus en Livius die vertellen of de niet minder afschuwelijke feiten uit den Oost-Gotischen oorlog, dien Procopius beschrijft. Mannen en vrouwen werden in het geheim vermoord en verslonden; zelfs moeders doodden en aten haar kinderen. Tot wanhoop gedreven dreigden de Romeinen een uitval te doen en masse en hun belegeraars te overweldigen; maar toen Alarik dit hoorde, lachte hij luid en riep uit: “Hoe dichter het koren, des te gemakkelijk het maaien.” En toen zij, de waarheid van zijn sarcasme inziende, de voorwaarden van den overwinnaar verlangden te weten, vroeg hij al het goud en zilver, al de roerende goederen van waarde en alle vreemde slaven in de stad. “Wat wilt gij ons dan laten, o Koning?” riepen de gezanten uit. “Uw leven”, was het antwoord. Maar Alarik’s blaffen was erger dan zijn bijten. Hij nam een redelijker brandschatting aan en een tijdlang was er nu wapenstilstand.