Note 3 — 395–450
Reading edition
Attila en Bleda, neven van Rugilas, den vriend van Aëtius, waren hem als koningen van de Hunnen opgevolgd. Na ongeveer twaalf jaar (c. 445) werd Bleda onttroond en vermoord—waarschijnlijk door zijn broeder, die door zijn woeste onderdanen met bijgeloovigen eerbied werd gevreesd, Attila, onoverwinnelijk door het bezit van een oud zwaard, dat gevonden was door een schaapherder en beschouwd werd als het zwaard van den oorlogsgod der Hunnen (die door de Latijnsche schrijvers Mars genoemd wordt). Als alleenheerscher der Hunnen breidde hij snel zijn koninkrijk uit, dat de naburige Gepiden, Alanen en Sueven reeds in zich opgenomen had, evenals de Oost-Goten; nu strekte zich het veroverde gebied reeds uit van Skandinavië tot Perzië of misschien tot de grenzen van China. Zelfs in de jaren, toen Attila het koningschap met Bleda deelde, was zijn stijgende macht reeds een dreigend spook voor het Keizerrijk. In het Westen had hij Aëtius tegen de Bourgondiërs geholpen; maar het Keizerrijk zelf was hij uiterst vijandig gezind, terwijl hij volstrekt niet dien eerbied kende, dien Alarik en Theoderik de Groote voor het Keizerrijk hebben gevoeld. Hij had een groot gedeelte van het keizerlijk gebied in het Oosten afgeloopen, had vele Romeinsche gevangenen als slaven in verschillende landen achtergelaten, en had deserteurs van zijn eigen leger, die hij had gevangen genomen, op Romeinsch gebied gekruisigd. Hij had zoowel naar Valentinianus III te Ravenna als naar Theodosius te Constantinopel onbeschaamde boodschappen gestuurd3 en een gezantschap van den Keizer van het Oosten naar het kamp van de Hunnen, had slechts ten gevolge gehad, dat er door Attila tweemaal zooveel schatting werd geëischt, als er tot nog toe was betaald.