De Barbaren.
Reading edition
De indringers van Italië zijn vele geweest. In dit werk zullen wij, naast minder belangrijke stammen, ontmoeten Goten, Hunnen, Vandalen, Lombarden, Franken, Saracenen, Noormannen, Franschen, Spanjaarden en bovendien de Byzantijnen van het Oost-Romeinsche rijk en de Germanen van het Heilige Roomsche Rijk. In het eerste deel zullen wij ons beperken tot de eerste drie van deze overweldigers en in dit hoofdstuk zullen eenige inlichtingen over hen gegeven worden.
In de vroegste tijden werd Midden-Europa bezet door Arische stammen, die waarschijnlijk van het oosten kwamen, uit het noorden van Indië en uit landen aan de andere zijde van de Wolga en den Oeral. Ongeveer 1500 jaar v. chr. stroomden de Achaeërs van het noorden Griekenland binnen. Zij werden gevolgd door de Doriërs, een ander Arisch volk uit Midden-Europa en ongeveer drie eeuwen later vernemen wij dat geheel Asia Minor overweldigd wordt door Kimmeriers, een volk van Oostersche afkomst, die hun naam hebben gegeven aan de Krim en misschien tot dezelfden stam behoorden als de Kelten of Galliërs, die Rome in 390 v. Chr. innamen en die reeds vroeg het noorden van Italië bezetten (Gallia Cisalpina of Togata). Deze Kelten of Galliërs waren ook nauw verwant aan de Kimbren, wier ontzaglijke horden Gallië en Spanje in het begin van de tweede eeuw v. Chr. overstroomden en eindelijk door Marius in den grooten slag bij Vercelli werden verslagen (101 v. Chr.). Met de Kimbren waren de Teutonen verbonden, een Germaansch volk, dat eveneens door Marius werd overwonnen bij Aquae Sextiae (Aix) in Gallië. Het zuiden van Gallië werd toen Romeinsche provincie (vandaar de naam Provence) en Julius Caesar onderwierp het overige Gallië, dat te zamen met Brittannië een van de uitgestrekte praefecturae vormde van het latere Romeinsche Keizerrijk.

4. S. Paola fuori le mura, Rome.
Toen deze ramp vroeger werd vermeld (p. 7), hebben wij verteld dat de Goten over den Donau werden gedreven door de naderende benden van Hunnen. Nu zullen wij in het kort behandelen, wie die Goten waren, hoe zij en de Vandalen en verscheidene andere volkeren, die zich in Midden-Europa hadden gevestigd, zuidwaarts en westwaarts werden gejaagd door de woeste horden van dit Tartaarsche ras, de Hunnen, en tegen de grenzen van het Westelijke Keizerrijk gedrongen werden—een verschuiving van zulk een omvang en met zoo ingrijpende gevolgen, dat zij bekend is als “die Völkerwanderung”. Daarna zullen wij nauwkeuriger de drie groote barbaren-invallen in Italië beschouwen, die het gevolg waren van deze verschuiving—den inval van de West-Goten onder Alarik, van de Hunnen zelf onder Attila, en van Gaiserik en zijn Vandalen (uit Afrika).
Voor deze vertaling gebruikte hij gedeeltelijk letters van eigen vinding, deels Grieksche en Latijnsche, en deels Runen-schrift. Dit schrift had reeds vele eeuwen bij de Goten bestaan, waarschijnlijk ingevoerd in de Noordelijke landen door kooplieden van de Grieksche koloniën aan den Pontus Euxinus, of door Phoenicische zeelieden, of was misschien door de voorvaderen van deze Noordelijke Arische volkeren van hun oorspronkelijke woonplaatsen uit het verre Oosten hierheen gebracht.
Toen Ulfilas nog als jongeling zijn opvoeding genoot te Constantinopel, was hij zonder twijfel onder den persoonlijken invloed gekomen van Arius, wiens leerstellingen krachtig werden begunstigd door Constantijn in de laatste jaren van zijn regeering. Vandaar, dat door het onderwijs van den Apostel der Goten en andere zendelingen alle barbaarsche volkeren van Midden-Europa, behalve de Franken eerst bekeerd werden tot het Arianisme, en dat eerst veel later het Katholicisme de overhand kreeg. Maar wat men moge denken van de verdiensten van Ulfilas als Christelijk zendeling en verbreider van de kennis van den Bijbel, men kan niet twijfelen over de waarde van zijn werk, van litterair standpunt beschouwd.
Wij moeten nu van de Goten overgaan tot een andere natie, wellicht ook van Germaanschen, maar waarschijnlijk van Slavischen oorsprong, de Vandalen. Gedurende het bestaan van het groote Gotische rijk (van c. 250 tot 400) schijnen zij in de bovenlanden van de Elbe en de Oder geleefd te hebben, in welke streken hun afstammelingen (de Wenden) en overblijfselen van hun taal (het Wendisch) misschien nog bestaan.
Nu zullen wij over de Hunnen spreken, wie zij waren en vanwaar zij kwamen. Hun invallen in Gallië en Italië onder Attila zullen later beschreven worden. Hier zullen wij hun geschiedenis nagaan, van de oudste tijden tot 445, toen Attila, de “Geesel Gods”, het gezag in handen kreeg.

Volgens oude Chineesche berichten waren de “Hiong-nu”, de Hunnen, een groot en woelig volk, dat in Midden-Azië reeds 2000 jaar vóór onze jaartelling bestond. De groote Muur werd gebouwd om hen buiten China te houden. Later, na vele ernstige botsingen, versloegen de Chineezen hen (c. 90 n. Chr.) en velen van hen verhuisden naar het Westen. Gedurende ongeveer driehonderd jaar leefden zij tusschen den Oeral en de Wolga, waarschijnlijk tegengehouden door de Alanen van den Don, een Turksch ras, waarover reeds gesproken is. Deze overwonnen zij eindelijk en marcheerden met hen weder westwaarts. De schrik, die de nadering van deze Aziatische woestelingen veroorzaakte, wordt levendig weergegeven in de verhalen van Jordanes, die hen vergelijkt met beesten, die op hun achterpooten loopen en met de leelijke, houten beelden op bruggen. Volkeren, zegt hij, die zij in een eerlijk gevecht nooit zouden overwonnen hebben, vluchtten uit afschuw. “Zij zijn woester dan de woestheid zelf. Zij kruiden hun spijzen niet en kooken evenmin, maar eten rauw vleesch, nadat zij er een tijd onder hun zadel op gereden hebben; want zij zijn altijd te paard. Zij zijn klein, vlug en sterk. Hun gezichten—ofschoon men nauwelijks van menschelijke gezichten kan spreken—zijn vormlooze stukken vleesch, met twee zwarte, fonkelende punten in plaats van oogen. Zij hebben bijna geen baard, want zij krabben de gezichten van hun kinderen open met messen om hen aan wonden te gewennen, voordat zij de moedermelk proeven en platten hun neuzen af om hen tegenover den vijand des te verschrikkelijker te maken. Zij leiden hun afstamming af van de booze geesten en de heksen die door de Goten uit de bosschen zijn gedreven; zij zijn geboren om de Goten te overweldigen. Diezelfde booze geesten wezen hun den weg om de Goten aan te vallen; en dat geschiedde aldus. Eenige Hunnen, die aan het jagen waren, ontmoetten een hert, dat omkeerde en hen scheen uit te noodigen om te volgen. Dat deden zij en toen het hert, vooruit gaande, hun gewezen had, hoe zij het Maeotische moeras (de zee van Azof) moesten overtrekken, verdween het plotseling—een duidelijk bewijs, dat het zeker een van de booze geesten was, die den Goten vijandig waren.”
De stoot van de ontelbare benden Hunnen was onweerstaanbaar. De oude Koning Hermanrik werd gedood—of doodde zichzelf—en zijn krijgers werden ingedeeld in het leger van de Hunnen. Daarna werd den Dnjestr overgetrokken en werden de West-Goten aangevallen. Sommigen ontsnapten Noordwaarts naar de Karpathen; anderen vluchtten naar het Zuiden, waar zij zulk een paniek onder hun stamverwanten in Beneden-Dacië verwekten, dat een geweldige menigte, misschien een millioen, waaronder 200.000 gewapenden onder hun aanvoerder of “rechter”, Fritigern, troepsgewijze, uitermate verschrikt, den Donau overstak. De Romeinen—d. i. de militaire macht van het Oostelijke Keizerrijk—trachtten tevergeefs den stroom te stuiten en daar zij het zelfs onmogelijk achtten hen te tellen en te ontwapenen, stonden zij den West-Goten toe zich te vestigen in Moesië en Thracië. Een vreeselijke hongersnood brak uit, waarmee de Romeinsche ambtenaren hun voordeel deden. Zij kochten van de hongerlijdende vluchtelingen niet alleen kostbare voorwerpen, maar ook duizenden van slaven, voor verrot of walgelijk voedsel, zooals vleesch van honden, reptielen en ziek vee. Wanhopig, begonnen de West-Goten, ondanks de waarschuwingen van Fritigern, het land te plunderen en weldra vond er een treffen plaats tusschen de barbaren en de keizerlijke troepen, terwijl hun aanvoerders een feestmaaltijd hielden—zooals in het Nibelungenlied de mannen van Gunther en Attila beginnen te twisten—, hetgeen met een vreeselijke ramp eindigde. Daarop volgt, zooals wij zagen, de groote slag bij Hadrianopolis. De Keizer, Valens, verdwijnt en onder het Keizerlijk leger wordt een geweldig bloedbad aangericht (378).
Doch om nu tot de Hunnen terug te keeren—zij schijnen in Noord-Dacië gevonden te hebben, wat zij behoefden, want in de volgende vijftig jaar ongeveer bleven zij daar, ofschoon zij echter misschien verschillende volkeren van Germanië, de Saksen en de Franken hebben geplunderd, geannexeerd of Noord- en Westwaarts hebben gedreven. Met het Oost-Romeinsche Rijk onderhielden zij vriendschappelijke betrekkingen. Hunsche soldaten vochten soms mede als bondgenooten van de Keizerlijke legioenen en zij gebruikten de gelegenheid om de Romeinsche wapenen te leeren kennen en in hun eigen leger in te voeren, ook de tucht, de krijgstactiek en ongetwijfeld ook Romeinsche officieren.
De plotselinge en dreigende uitbreiding van het rijk der Hunnen, toen Attila, in 445, aan het hoofd kwam te staan, zal beschreven worden in een volgend hoofdstuk, wanneer zijn inval in Gallië en Italië ter sprake komt.